Vliegende draken van de lucht
ALS de zon op hete, zomerse dagen brandend aan de hemel staat, wordt de lucht boven velden en plassen het terrein voor verbazingwekkende vliegers van het insektenrijk — de libellen.
Met hun twee paar lange vleugels glinsterend in de zon, kunt u de libellen heen en weer zien schieten, bochten beschrijvend, en draaiend en duikend naar hartelust. Het ene moment zoemen ze nog met een sneltreinvaart hoog door de lucht, en het volgende ogenblik zijn ze naar beneden gedoken om over het oppervlak van een meertje te scheren. Deze scheppingswonderen kunnen zelfs achteruit vliegen of als helikopters midden in de lucht blijven stilstaan.
Maar de zonlievende libellen vliegen niet enkel voor hun plezier. Deze zoemende „dynamo’s” gebruiken hun vliegcapaciteiten om aan een onverzadelijke eetlust te voldoen. Meneer Libel kan in een half uur tijd zijn eigen gewicht aan voedsel nuttigen en daarna toch nog hongerig zijn.
Tijdens hun voedseljacht vertonen de libellen verschillende kenmerkende gewoonten. Sommige soorten bestrijken grote gebieden, andere hebben routes uitgezet die ze reeds generaties lang volgen. Grotere libellen bakenen bepaalde gebieden voor zichzelf af en verdrijven andere libellen met wild gefladder van hun vleugels. Soms, als een binnendringende libel stoutmoedig genoeg is en zich niet laat afschrikken door het intimiderende vleugelgefladder, zal het tot een treffen komen: terwijl ze dreigend tegenover elkaar in de lucht blijven hangen, zullen ze in die positie loodrecht omhoogstijgen.
Of libellen nu gaan zwerven of op één plaats blijven, ze zullen er altijd op uit zijn hun favoriete maaltijd te bemachtigen: muggen en vliegen. Ook motten en paardevliegen versmaden ze niet. Wegens hun lange, slanke, naaldvormige lichaam zijn veel mensen de mening toegedaan dat libellen steken, maar dit is niet het geval. Ze zijn niet alleen onschadelijk voor de mens maar bovendien heel nuttig, daar ze grote hoeveelheden vliegen en muggen verzwelgen.
Als een libel op deze insekten toesnort, hebben ze niets meer in te brengen. Uitgerust met zes gedoornde poten, die met elkaar een soort van korf vormen, vegen de libellen hun prooi uit de lucht en zuigen deze leeg terwijl ze al weer verder racen naar een ander slachtoffer. Zo snel schrokken ze hun prooi op dat er gevallen bekend zijn van libellen die in twee uur veertig paardevliegen opvraten. In de bek van één libel werden eens honderd muggen aangetroffen! Geen wonder dat deze vraatzuchtige insekten de naam „vliegende draken” hebben gekregen.
De paring en het leven onder water
Er is echter een tijd waarin libellen minder aandacht voor eten en meer voor hun luchtacrobatiek hebben, en wel gedurende de paartijd. Rivaliserende mannetjes, die naar de gunst van een vrouwtje dingen, kiezen het luchtruim om met elkaar strijd te leveren. Tijdens deze luchtduels worden enkele van de briljantste luchtmanoeuvres uitgevoerd waartoe levende wezens in staat zijn, ofschoon er ook soorten zijn die wat bescheidener voor de dag komen en een soort van hofmakende dans uitvoeren.
Wanneer ze eenmaal een partner hebben gevonden, dragen de mannetjes hun vrouwtje letterlijk weg. Tijdens de paring vliegen de libellen in tandem-formatie, dat wil zeggen, het mannetje houdt de kop van het vrouwtje van achteren vast terwijl hij met haar door de lucht vliegt. In de vlucht buigt het vrouwtje de punt van haar achterlijf naar het tweede borstsegment van het mannetje en ontvangt daar een spermacapsule.
Nadat haar eieren zijn bevrucht, deponeert het vrouwtje ze op het oppervlak van een vijver of zet ze af in de stengels van waterplanten. Hoeveel eieren een libellewijfje precies legt, is onbekend, maar in één enkele eierentros zijn wel eens 110.000 eieren geteld.
De eieren blijven een paar dagen in het water of in de plantestengels, en komen daarna uit. Het zijn vreemde schepselen die dan te voorschijn komen. Uitgezonderd de geweldige eetlust waarmee ze worden geboren, lijken deze zogenaamde larven in bijna niets op hun ouders. De larven van de grote libellen of glazenwassers zijn in het bezit van kieuwen die zich in de wand van hun darmkanaal bevinden. Deze kieuwen verschaffen de larven niet alleen zuurstof, maar kunnen bij gevaar ook dienst doen als krachtig ontvluchtingsapparaat. Wanneer de larve gealarmeerd is, tilt hij alleen maar zijn poten van de bodem van de vijver, stoot een stroom water uit zijn kieuwen en schiet zo een tiental centimeters vooruit.
Het meest bijzondere kenmerk van de larve is misschien wel de wijze waarop hij voedsel bemachtigt. In tegenstelling met zijn snelle ouders, is de larve traag. Hij gaat dus niet op een muggelarfje of visje af, maar wacht tot deze dichtbij gekomen zijn. Dan schiet plotseling zijn onderlip naar voren, die normaal onder zijn kop verborgen zit. Scherpe haken aan het eind van de onderlip grijpen de zich nog van niets bewuste prooi en brengen deze naar de mond van de larve. Deze lange, scharnierende onderlip, werkt net als de menselijke arm. Het middenscharnier komt overeen met de elleboog en stelt de onderlip in staat gemakkelijk heen en weer te bewegen.
Wanneer de onderlip zijn werk heeft gedaan en weer onder het lichaam wordt gevouwen, is daarbij het ongewone dat de grijpkaken over de kop van de larve vallen — als het masker van een rover. Een passend kostuum voor deze kleine onderwaterwezens!
Het leven in de lucht
De meeste larven van de bijna 5000 libellesoorten voltooien hun onderwaterleven in één jaar. Er zijn er evenwel ook die twee tot vijf jaar onder water blijven. Gedurende deze tijd maken ze wel tien tot vijftien opeenvolgende stadia van vervelling door, en ondergaan daarbij heel wat veranderingen: het aantal zeszijdige lenzen in de samengestelde ogen neemt toe, de antennes krijgen meer vertakkingen, de poten verliezen hun karigheid, en op het borststuk verschijnen de vleugelkussentjes. Deze veranderingen zijn echter alleen maar een voorbode van hun grote verandering in volwassen libellen.
Op een nacht begint de larve aan de laatste stap die hem nog scheidt van een leven in de lucht. Hij klimt uit het water en houdt zich vast aan de oever of de stengel van een plant. Twaalf haken, twee aan iedere poot, verzekeren hem van een stevig houvast. Daarna blijft de larve gedurende een bepaalde tijd bewegingloos zitten, terwijl de gedaanteverwisseling van zijn lichaam tot voltooiing komt.
Ten slotte verschijnt er aan de bovenkant van het borststuk een scheur, en de nog wat ’slordig’ uitziende libel worstelt zich door dit gat uit de larvehuid. Zijn vier vleugels zijn in het begin nog vochtig en als een waaier opgevouwen, maar geleidelijk aan strekken ze zich doordat er bloed in het wijdvertakte vaatstelsel wordt gepompt dat zich in het transparante vleugelweefsel bevindt.
Ook de kleuren van de pas vrijgekomen libel zijn in het begin zwak. Maar ze worden steeds dieper, tot de libel zelfs de vlinders in schoonheid evenaart. Alle kleuren van de regenboog zijn mogelijk — bruin, zacht lila, azuurblauw, groen, rood, scharlaken, ultramarijnblauw, violet en ivoorwit.
De libel zal nadat hij zijn beschermende larvehuid heeft verlaten, ongeveer vijf uur wachten op het hard worden van zijn lichaam en zijn vleugels. Wanneer zijn vleugels eenmaal stevig genoeg zijn om hem in de lucht te dragen, zal de libel de lucht inschieten. Nooit meer zal hij zijn poten gebruiken om te lopen. Hij is een bewoner van de lucht geworden.
Krachtige vlieger
De grootste bestaande libel is een tropische soort met een spanwijdte van negentien centimeter. In het insektenrijk behoort de libel tot de beste en sterkste vliegers. Van deze uitstekend toegeruste aviateur is zelfs bekend dat hij vliegsnelheden van tachtig tot vijfennegentig kilometer per uur kan bereiken!
De vleugelbeweging wordt verzorgd door vliegspieren die een kwart van zijn lichaamsgewicht uitmaken. Deze spieren zorgen voor 1600 vleugeltrillingen per minuut en stellen de libel in staat grote afstanden af te leggen. Er bevinden zich onder de libellen zulke krachtige vliegers dat opvarenden van passagiersschepen wel exemplaren 280 kilometer uit de kust van Afrika over zee hebben zien vliegen. Eén soort heeft zich op een eiland gevestigd dat 320 kilometer uit de kust, in open zee ligt!
De grootste afstanden vliegen ze wanneer droogte of voedselschaarste ze dwingen te verhuizen. Deze verplaatsingen of migraties nemen soms een geweldige omvang aan. In 1839 verduisterden miljoenen libellen een groot deel van de hemel van Europa bij hun trektocht langs de stromen en rivieren. In de Verenigde Staten migreerden in 1881 zwermen libellen naar het zuiden, waarbij de hemel letterlijk zwart zag.
Deze geweldige vliegers moeten echter ook altijd waakzaam zijn. Constant moeten ze op hun hoede zijn voor vogels, kikkers en vissen. Als bescherming tegen deze rovers beschikken de libellen natuurlijk over hun snelheid, maar bovendien over een scherp gezichtsvermogen. Hun bolle ogen, die het grootste gedeelte van hun kop bedekken, kunnen ver in elke richting turen. De Schepper heeft elk oog uitgerust met evenveel lenzen als zich in de ogen van 15.000 mensen bevinden! Daarbij komt nog dat ze vrijwel tegelijkertijd in elke richting kunnen kijken en hun gezicht dermate ver reikt dat ze op negen meter afstand nog een mug kunnen onderscheiden.
Met een dergelijk gezichtsvermogen kunnen libellen vrijwel elke aanvaller ontwijken, met inbegrip van de mens. Het kan een hele opgaaf zijn om deze behendige vliegers te vangen. Maar Japanse kinderen hebben aangetoond dat verstand toch boven snelheid gaat; zij binden kleine steentjes aan lange draden en gooien die in de lucht waar libellen cirkelen. Als nu een van deze insekten op een steentje afduikt, draait de draad om zijn lichaam en wordt hij door het gewicht van het steentje naar de grond getrokken.
Hoewel deze levenslustige schepselen de meeste vijanden te vlug af zijn, vallen ze in de gematigde zones toch uiteindelijk ten slachtoffer aan de koude, natte herfstwinden. Het leven van een libel is kort, en valt samen met de warme maanden van lente en zomer. In de herfst kunt u ze bewegingloos op stengels en bladeren zien zitten, verdoofd door de kou. Vliegen doen ze alleen nog maar gedurende het warmste gedeelte van de dag. En dan, met de eerste nachtvorst, valt voor hen voorgoed het gordijn; de lucht boven de velden en stromen blijft nu volledig verstoken van hun fascinerende aanwezigheid.
Hiermee is de levenscyclus echter niet afgebroken. Op de bodem van vijvers en stroompjes groeien nieuwe larven naar de volwassenheid. En als de zon weer hoog aan de hemel staat en de aarde met haar zinderende warmte overgiet, zullen ze weer te voorschijn komen: een nieuwe generatie vliegende draken van de lucht.