Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 22/10 blz. 16-19
  • Echo’s van de „christelijke” Dertigjarige Oorlog

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Echo’s van de „christelijke” Dertigjarige Oorlog
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het voorspel
  • De Boheemse en Deense fases
  • Gustaaf Adolf komt te hulp
  • De misdaad tegen Maagdenburg
  • Steeds meer van politieke aard
  • Christenheid nog altijd even onchristelijk
  • De Vrede van Westfalen — Een keerpunt in Europa
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2004
  • We leerden volledig op Jehovah te vertrouwen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2005
  • De Reformatie — Is de breuk te helen?
    Ontwaakt! 1984
  • Religie en oorlog in recente tijd
    Ontwaakt! 1972
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 22/10 blz. 16-19

Echo’s van de „christelijke” Dertigjarige Oorlog

VOOR sommige mensen is het heel moeilijk te begrijpen hoe katholieken en protestanten in deze twintigste eeuw oorlog met elkaar zouden kunnen voeren. Als u tot degenen behoort die zo iets moeilijk kunnen bevatten, neemt u dan ter verklaring hiervan eens een kijkje in een stukje geschiedenis. De Dertigjarige Oorlog die in de zeventiende eeuw (1618-1648) Duitsland teisterde, is in dit opzicht zeer onthullend.

Het voorspel

Het was op 31 oktober 1517, ofte wel 101 jaar voordat de Dertigjarige Oorlog begon, dat Martin Luther zijn vijfennegentig stellingen aan de deur van een katholieke kerk in het Duitse plaatsje Wittenberg nagelde. Deze Reformatie ontketende een reeks conflicten die vele jaren aanhielden. Ten slotte schenen de politieke kwesties met het Verdrag van Passau van 1552 te zijn bijgelegd, en vervolgens werden in 1555 door de Augsburgse Godsdienstvrede de religieuze conflicten beslecht. Karel V, de Spaanse keizer van het Heilige Roomse Rijk en een bittere vijand van het protestantisme, werd, toen zijn pogingen om het lutheranisme door bedrog en geweld uit te roeien faalden, gedwongen de concessies te doen die in deze verdragen werden uiteengezet.

Tot de concessies die door de lutherse vorsten in de godsdienstvrede van Augsburg werden afgedwongen, behoorden bepaalde religieuze vrijheden: elke vorst kon de godsdienst voor zijn eigen land kiezen. Iedereen die niet met de religie van zijn vorst instemde, was vrij om naar een land te verhuizen waarvan de vorst dezelfde religie had als hij. Ook lutheranen werden lid van het keizerlijke gerechtshof. Het maken van bekeerlingen was verboden, en er werd overeengekomen dat wanneer een bisschop of abt van religie veranderde, de Katholieke Kerk het eigendomsrecht op zijn bezittingen behield.

Als gevolg van dit verdrag waren de mensen in één Rijnlandgebied gedwongen hetzij vier maal achtereen van godsdienst te veranderen of naar het gebied van een andere vorst te verhuizen. Nog een zwakheid van dit verdrag was dat er geen voorziening was getroffen voor protestanten die geen lutheranen waren, zoals de calvinisten; een fout waarvoor de lutheranen evenzeer te laken waren als de katholieken.

Karel V, die van 1519 af keizer was geweest, trok zich in 1556, een jaar na de Augsburgse Godsdienstvrede, in een klooster terug en stierf twee jaar later. Na hem kwamen er verscheidene Habsburgse keizers die niet geneigd waren de verbreiding van het protestantisme te bestrijden. Een van hen schijnt het zelfs heel gunstig gezind te zijn geweest.

Toen echter, zoals de New Catholic Encyclopedia, Deel 14, blz. 98, dit zegt, „gingen de Oostenrijkse Habsburgers, door jezuïeten, capucijnen en Spaanse geloofsijver daartoe aangemoedigd, hun strijdlustige, sluwe politiek van religieuze verovering en bekering bevorderen. . . . In 1618, toen de Boheemse stenden de keizerlijke regering ervan beschuldigden hun soevereine rechten en [religieuze] privileges te schenden, ontdeden zij zich door de Praagse defenestratie met geweld van de keizerlijke gezanten en kondigden daarmee hun opstand tegen het Habsburgse regime aan”. Er gebeurde namelijk het volgende: De Boheemse vertegenwoordigers wierpen de meest verachte en aanmatigende gezanten van de keizer uit het raam — op welke manier zij hun protest tot uitdrukking brachten en welke gebeurtenis als de „defenestratie” bekendstaat. Hoewel zij van een hoogte van achttien à twintig meter neervielen, liepen zij maar weinig letsel op, daar zij naar het schijnt op een zachte mesthoop belandden. Deze bijzondere gebeurtenis deed echter in Duitsland tussen katholieken en protestanten de Dertigjarige Oorlog ontvlammen.

De Boheemse en Deense fases

De Bohemers vatten de wapens op en waren eerst tamelijk succesvol door het keizerlijke leger te verslaan. Zelfs kozen zij hun eigen koning, Frederik V — een onberaden stap die rampspoedige gevolgen bleek te hebben. De katholieke koning, Ferdinand II, die zij hadden geweigerd te erkennen, werd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk gemaakt, en hierdoor was deze in staat troepen op de been te brengen die de Boheemse opstand spoedig bedwongen. Hij bezat de geschikte gemoedsgesteldheid voor een dergelijke oorlog, daar hij door de jezuïeten was opgevoed. Voor hem was de stem van een jezuïet of een monnik de stem van God en hij verklaarde openlijk dat hij liever over een woestijn dan over een ketters land wilde regeren. Zoals door één historicus werd opgemerkt, is hij er vrijwel in geslaagd Duitsland tot een woestijn te maken, maar slaagde hij er niet in de ’ketterij’ uit te roeien. Zonder er tijd overheen te laten gaan, voerde hij een tactiek in van „doodstraffen, gevangenneming, en verbeurdverklaring van landerijen”, waardoor hij „rebellie en tegenstand uitroeide en de protestantse kracht verzwakte”. — New Catholic Encyclopedia.a

De Boheemse fase duurde van 1618 tot 1620. Vervolgens kwam Christiaan IV, koning van Denemarken, de protestanten te hulp. Daar hij zowel de religieuze als tegelijkertijd politieke overheersing door het katholieke Habsburgse Huis vreesde, trok hij met zijn legers Duitsland binnen om aan deze tweevoudige dreiging het hoofd te bieden. Evenals met de Bohemers het geval was geweest, waren zijn overwinningen echter van korte duur. De graaf van Tilly, de bekwame generaal aan het hoofd van de legers van de Katholieke Liga (die was gevormd om de Protestantse Unie het hoofd te bieden), en generaal Wallenstein, die met zijn huursoldaten door Ferdinand II in dienst was genomen, slaagden erin koning Christiaan zulke beslissende nederlagen toe te brengen dat hij heel graag vrede sloot en naar zijn eigen land terugkeerde. Deze Deense fase van de Dertigjarige Oorlog duurde van 1625 tot 1629.

Deze overwinningen op de protestanten moedigden Ferdinand II in 1629 ertoe aan, het Restitutie-edict uit te vaardigen. „Deze veelomvattende religieuze regeling”, aldus de bovenaangehaalde katholieke autoriteit, „gaf een beeld van de heftigheid van de katholieke reactie.” Hierdoor werden de protestanten beroofd van alles wat zij in de afgelopen tachtig jaar met moeite hadden verworven. De vrijheidsklok werd er op wraakzuchtige wijze door teruggezet en Ferdinand II beschouwde het edict als een belangrijke stap om zijn door de jezuïeten ingegeven doel, de Reformatie te vernietigen, te bereiken. De contrareactie hierop liet echter niet lang op zich wachten. Enige protestantse vorsten, die tot op dat moment onverschillig hadden gestaan tegenover de protestantse zaak, raakten doordrongen van het werkelijke gevaar waaraan zij het hoofd moesten bieden.

Gustaaf Adolf komt te hulp

De volgende die het voor de zaak van het Duitse protestantisme in deze oorlog die dertig jaar zou duren opnam, was de Zweedse koning Gustaaf Adolf, een militair genie. Hij ging zich met de strijd bemoeien nadat deze al twaalf jaar lang woedde en zou dit al eerder hebben gedaan als hij niet met de Polen in oorlog was geweest. In juni 1630 arriveerde hij met een klein maar goedgedisciplineerd leger van 15.000 Zweden. In overeenstemming met zijn godsdienstige overtuiging knielde hij in gebed toen hij Duitse bodem betrad en eiste hij dat zijn leger tweemaal daags aan de openbare gebedsoefening meedeed.

Aanvankelijk ondervond hij heel weinig medewerking, daar de Duitse vorsten hem met onverschilligheid, afgunst of vrees bekeken. Bij de val van de stad Maagdenburg (die Gustaaf had kunnen voorkomen als bepaalde Duitse vorsten hem niet hadden tegengewerkt) begon hij echter wat meer medewerking te krijgen. Ferdinand II had aanvankelijk slechts verachting voor Gustaaf en noemde hem spottend de „Sneeuwkoning” die spoedig zou smelten als hij warmere klimaten zou bereiken, maar later moest hij zijn mening over deze „Sneeuwkoning” wel herzien. De Zweedse koning behaalde door zijn militaire bekwaamheid en uitstekend gedisciplineerde leger de ene overwinning na de andere. In een van deze veldslagen werd de bekwaamste generaal van de keizer, de graaf van Tilly, verslagen.

Tevoren had Ferdinand II op aandringen van zijn vorsten die klaagden over de manier waarop Wallensteins huurlingen hun land verwoestten, zijn generaal Wallenstein ontslagen; die huurlingen plunderden het land van zowel vriend als vijand. Doch gezien de successen van Gustaaf, zag keizer Ferdinand zich genoodzaakt Wallenstein terug te roepen, die nu zulke hoge voorwaarden stelde dat men zei dat hij de meester was geworden, en de keizer zijn knecht. Hoe bekwaam Wallenstein ook was, toch leed ook hij de nederlaag tegen Gustaaf, maar in een daaropvolgende veldslag verloor Gustaaf zijn leven.

De misdaad tegen Maagdenburg

Maagdenburg betekent letterlijk de burg of stad van de maagd. Het was een stad van protestanten die trots waren op het bericht dat zij hadden opgebouwd. Herhaaldelijk hadden zij aanvallen van katholieke strijdkrachten afgeslagen; zij hadden zelfs tijdens de regering van de katholieke keizer Karel V een belegering van een heel jaar doorstaan. Nu, bijna een eeuw later, hoonden zij de eisen van de keizerlijke generaals om zich over te geven. Zij hadden het volste vertrouwen dat Gustaaf hen weldra zou ontzetten. Generaal Tilly en Pappenheim lieten hun troepen echter de stad bestormen nadat ze een maand lang was belegerd, en toen viel ze. De toestand binnen de stad zelf schijnt echter tot haar val te hebben bijgedragen.

Omtrent de val van Maagdenburg schreef de Duitse historicus F. Schiller: „Hier begon een toneel van verschrikkingen waarvoor de geschiedenis geen woorden heeft en die met geen dichterspen zijn te beschrijven. Noch onschuldige kinderen, noch hulpeloze oudjes, noch jeugd, sekse, rang, noch schoonheid kon de razernij van de veroveraars ontwapenen. Vrouwen werden in de armen van hun echtgenoten, dochters aan de voeten van hun ouders misbruikt; en het weerloze geslacht werd aan het tweeledige offer van deugd en leven blootgesteld. . . . In één enkele kerk werden drieënvijftig vrouwen onthoofd aangetroffen. De Kroaten vermaakten zich door kinderen in de vlammen te werpen, Pappenheims Walen door zuigelingen aan de moederborst te doorsteken.”

Toen enige officieren van de Katholieke Liga, vervuld van afgrijzen over wat zij zagen, generaal Tilly eraan herinnerden dat hij deze gruwelijkheden een halt kon toeroepen, antwoordde hij: „Komt u over een uur terug. . . . Ik zal zien wat ik doen kan; de soldaat moet een beloning krijgen voor zijn gevaren en inspanningen.” Om de straten vrij te maken, werden meer dan 6000 lijken in de Elbe geworpen, en een veel groter aantal lijken werd door de vlammen verteerd. Aan de plundering en slachting werd — doch slechts tijdelijk — door de vlammen een eind gemaakt. Het totale aantal dat omkwam wordt op 30.000 geschat.

Wat de historicus Trench over de Dertigjarige Oorlog te zeggen heeft, was vooral waar ten aanzien van de misdaad tegen Maagdenburg: „Van alles was dit nog de bitterste ironie, dat deze Oorlog, waarvan in het begin werd beweerd dat hij ten behoeve van de hoogste religieuze oogmerken, voor de eer van God en voor de hoogste belangen van zijn Kerk werd gevoerd, al spoedig door een schaamtelozer verkrachting van alle menselijke en goddelijke wetten gekenmerkt moest worden en door lagere en goddelozere schanddaden tegen God en tegen de mens, het beeld van God, ontsierd moest worden dan welke oorlog maar ook die de huidige christenheid ooit heeft meegemaakt.”

Steeds meer van politieke aard

Gustaaf slaagde er in slechts twee jaar, van 1630 tot 1632, in het getij ten gunste van de protestanten te keren; daarna vochten zij niet langer voor een verloren zaak. Dit was echter alleen aan de hulp van het katholieke Frankrijk te danken. Hoe dat zo? Omdat kardinaal Richelieu, de machthebber achter de troon in Frankrijk, vastbesloten was niet toe te laten dat het Habsburgse Huis Europa zou beheersen. Religie geraakte nu op de achtergrond en politieke overwegingen traden steeds meer op de voorgrond. In deze jaren vielen de ergste fases van de oorlog. Aan beide zijden begon men te plunderen. De hongersnood werd zo hevig dat er in vele streken kannibalisme werd bedreven, graven werden geopend en van de pas-begravenen werden beroofd, galgen van hun gehangen slachtoffers werden beroofd en kinderen en gevangenen op geheimzinnige wijze verdwenen. Tot overmaat van ramp woedde de pest in het land. Niet alleen werd Duitsland door de oorlog zeer verarmd, maar ook slonk de bevolking erdoor van ongeveer 30 tot ongeveer 12 miljoen.

Geen wonder dat men aan beide zijden van tijd tot tijd het vechten moe werd en tekenen van bereidheid toonde om te onderhandelen. Deze onderhandelingen liepen ten slotte uit op de Vrede van Westfalen. Frankrijk en Zweden, die vooral als overwinnaars uit de strijd te voorschijn kwamen, hadden het wat de vredesvoorwaarden betreft voornamelijk voor het zeggen. Frankrijk zag erop toe dat het bepaalde gebieden verkreeg waar het zeer begerig naar was, en de Zweden, hoewel zij enkele territoriale voordelen verkregen, bekommerden zich hoofdzakelijk om religieuze winst. Vooral als gevolg van hun inspanningen werd door dit vredesverdrag godsdienstvrijheid geschonken aan al die velen die dit tevoren niet hadden genoten. Aan calvinisten en andere protestanten werden dezelfde rechten verleend als aan de lutheranen, meer en uitgebreidere rechten dan die welke bij de godsdienstvrede van Augsburg waren toegekend en die door Ferdinands Restitutie-edict van 1629 nietig waren verklaard.

Christenheid nog altijd even onchristelijk

Is dit alles echter louter interessante geschiedenis? Neen, want het houdt verband met huidige gebeurtenissen. Thans zijn er in Ulster, Ierland, belijdende christenen, katholieken en protestanten, die elkaar haten en doden. Het tijdschrift Time van 13 juli 1970 berichtte: „Een sluier van verbolgenheid hing vorige week over Ulster na de hevigste gevechten die er in acht maanden tussen katholieken en protestanten hadden gewoed. Afgezien van de zeven doden, werden er minstens 250 mensen gewond, werden winkels en cafés met brandbommen bestookt en werden bussen omvergeworpen om barricaden op te werpen.” En U.S. News & World Report van 26 oktober 1970 vermeldde de volgende mededeling van een Ulsterse topfunctionaris: „Dit land is onbestuurbaar. Niemand is het erover eens wat er gedaan moet worden. Ulster is een paradox — een kleine onbetekenende plaats, maar verduiveld moeilijk te regeren.” En praktisch allen die daar wonen, beweren christenen te zijn, hetzij katholiek of protestant!

Ook overal in de rest van de wereld loochent de christenheid door haar vruchten haar bewering christelijk te zijn. Wijdverbreide misdaad en gewelddadigheid, corruptie in de politiek en hebzucht in de handelswereld, verslaving aan drugs en losse zeden zijn overal duidelijk aanwezig. En in het bijzonder door oorlogen tussen belijdende christenen wordt hun bewering volgelingen van Jezus Christus te zijn gelogenstraft. Jezus zei: „Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt.” Klaarblijkelijk zijn allen die met vleselijke wapens strijden geen volgelingen van Jezus Christus, de Zoon van God. — Joh. 13:34, 35.

[Voetnoten]

a Eén historicus zegt: „Zevenentwintig van de voornaamste protestantse edelen werden op één dag te Praag onthoofd; duizenden gezinnen werden van al hun bezittingen beroofd en verbannen; de protestantse kerken werden aan de katholieken gegeven, de jezuïeten namen bezit van de universiteit en de scholen . . . Het protestantse geloof werd uit praktisch het gehele Oostenrijkse gebied uitgeroeid . . . Alleen al in Bohemen werden door Ferdinand II landgoederen in beslag genomen tot een bedrag van naar schatting veertig miljoen florijnen!” — History of Nations, Germany — Taylor en Fay, blz. 270, 271.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen