Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 22/6 blz. 23-26
  • Ik was een boeddhist

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik was een boeddhist
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een nieuwe ervaring
  • Een keerpunt
  • Demonisme aan de kaak gesteld
  • Dankbaar, van Babylon bevrijd te zijn
  • Ik heb de waarde leren kennen van ware wijsheid
    Ontwaakt! 1988
  • Deel 8: Vanaf ca. 563 v.G.T. — Een verlichting die verlossing beloofde
    Ontwaakt! 1989
  • Boeddhisme — Op zoek naar verlichting zonder God
    De mens op zoek naar God
  • Zendelingen — Welk voorbeeld moet gevolgd worden?
    Ontwaakt! 1994
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 22/6 blz. 23-26

Ik was een boeddhist

ZOALS VERTELD AAN ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN LAOS

VOOR dag en dauw stond ik op, ik deed mijn sarong aan en ging naar de keuken om de dag te beginnen. Eerst moest de petroleumkachel worden aangestoken. Daarna werd er een grote pan water opgezet. Ten slotte werd een grote kegelvormige mand vol rijst, die de hele nacht in het water had gestaan, in de pan water gezet. De rijst was nog maar nauwelijks gekookt en in de daarvoor bestemde draagmand gepakt of de trommel in de nabijgelegen vat (tempel) het haar sombere gedreun al horen.

Inderdaad, ik was niet om vijf uur opgestaan om voor mijzelf rijst klaar te maken. Deze was bestemd voor de monniken van de naburige vat. Het getrommel was voor mij en mijn buren het signaal om met onze rijstmanden naar buiten te gaan, de straat op, en de komst van de monniken af te wachten. Wij waren allen met zorg gekleed, hadden onze beste zijden sarongs aan, met zijden stola’s over onze linkerschouder gedrapeerd. In een lange rij knielden wij langs de straat, en weldra kwam daar door de vat-poort de processie van blootsvoets lopende, in saffraankleurige mantels gehulde monniken.

Wat hadden wij een eerbied voor deze mannen! Hadden zij in hun toewijding aan Boeddha en zijn leringen niet hun leven, of althans een deel ervan, gegeven? Wat een voorrecht vonden wij het, hun op deze wijze ondersteuning te verschaffen. Bij elke monnik die mij passeerde deed ik een handvol rijst uit mijn mand in de voorgehouden schaal. Geen van de monniken sprak een woord, zelfs niet het gebruikelijke „chob tsjai” (dank u). Ons voorrecht was het, te geven. Door deze „heilige mannen” gaven te schenken, geloofden wij namelijk stellig dat wij voor onszelf verdienste verwierven opdat wij in onze reïncarnatie gelukkig en rijk zouden zijn en een groot huis met veel bedienden zouden hebben.

Toen de laatste monnik mijn rijst in ontvangst had genomen, haalde ik een klein flesje water voor de dag en goot de inhoud daarvan op de grond. Dat was onze manier om Nang Thorani, de godin Aarde, en onze gestorven voorouders aan te roepen of zij van onze goede daden wilden getuigen. Toen de monniken voorbij waren, mediteerde een ieder van ons zwijgend met gebogen hoofd, tevreden en voldaan omdat wij weer een goede daad hadden verricht.

Ja, ik hield van mijn godsdienst en benutte elke gelegenheid om mijn vrienden een speciaal feestmaal te bereiden of naar de vat te gaan om de monniken met hun werk te helpen. Ik nam de voorschriften van het boeddhisme in acht en was van mening dat ik bezig was een schitterend fundament te leggen voor mijn volgend leven.

Een nieuwe ervaring

In die tijd woonde ik in een plaats in het zuiden van Laos. Ik werkte als bibliothecaresse. Op zekere dag kwam er een vrouw de bibliotheek binnen en stelde zich voor als een zendelinge van Jehovah’s getuigen. Dat was iets nieuws voor mij, maar ik voelde mij aangetrokken tot haar hartelijke, vriendelijke persoonlijkheid. Zij vertelde mij iets over haar geloof en dit klonk zo goed dat ik bij mijzelf dacht: „Het is precies als het boeddhisme.”

Spoedig daarna verhuisde ik verder naar het zuiden waar mijn ouders woonden en waar helemaal geen getuigen van Jehovah waren. In die zelfde tijd verhuisde de zendelinge naar de hoofdstad, zodat ik haar in de loop van de volgende twee jaar slechts eenmaal tijdens een bezoek aan Vientiane ontmoette. Opnieuw was ik van mening dat haar godsdienst heel veel op de mijne leek.

Om deze schijnbare overeenkomst te verklaren, moet ik vertellen dat het boeddhisme leert dat redding wordt verkregen door het edele Achtvoudige Pad te volgen: 1. juist inzicht — de wereld realistisch bezien; 2. juist besluit — zich trachten te bevrijden van hoedanigheden als trots en wrok, en ernaar streven zijn vijanden lief te hebben; 3. juist woord — door Boeddha omschreven als „onthouding van leugentaal, van achterklap en van schimpend en zinloos gepraat”; 4. juiste daad — vredelievend, zuiver en eerlijk zijn; 5. juist leven — werk vermijden waardoor anderen leed wordt berokkend; 6. juist streven — zich ijverig inspannen om een goede geestesgesteldheid te ontwikkelen; 7. juist denken — waakzaam of geestelijk wakker zijn om gedachteloos gepraat of gedrag te vermijden; en 8. juiste concentratie, dat wil zeggen: meditatie.

Op het punt van gedrag had de bijbelse leer precies dezelfde klank voor mij als de boeddhistische leer. Er bestaat een bijzonder sterke gelijkenis tussen de geboden welke in Exodus 20 staan opgesomd en vier van de „vijf voorschriften” die door de boeddhisten op heilige dagen in de tempel worden opgezegd:

„Ik aanvaard het voorschrift mij van doodslaan te onthouden;

„Ik aanvaard het voorschrift mij van stelen te onthouden;

„Ik aanvaard het voorschrift mij van overspel te onthouden;

„Ik aanvaard het voorschrift mij van liegen te onthouden;

„Ik aanvaard het voorschrift mij van sterke drank te onthouden die dronkenschap en achteloosheid veroorzaakt.”

Toentertijd dacht ik dat de bijbel ook weer een boek met godsdienstige regels was. Nooit was het bij mij opgekomen dat dit boek goddelijk auteurschap bezat en dat het bewijzen bevatte waaruit bleek dat het niet louter mensenwerk was. Terzelfder tijd had ik als vanzelfsprekend aangenomen dat de zendelinge rooms-katholiek was. Ik meende dat evenals er vele variaties van het boeddhisme bestaan (zoals het beoefend wordt in India, Laos, Japan, enzovoort), Jehovah’s getuigen en katholieken variaties waren van dezelfde godsdienst.

Na twee jaar in het zuiden kreeg ik werk in Vientiane. Toen ik wat op orde was gekomen, besloot ik de zendelinge op te zoeken op het adres dat zij mij had gegeven. Ik mocht haar werkelijk heel graag. Zij maakte van de gelegenheid gebruik mij voor de vergaderingen van de Getuigen uit te nodigen, maar ik was niet voldoende geïnteresseerd om de uitnodiging aan te nemen. Ik herinner mij dat ik in die tijd het boek Van het verloren naar het herwonnen paradijs trachtte te lezen en het niet kon begrijpen. Trouwens, ik had mijn religie.

Een keerpunt

Mijn vriendin, de zendelinge, bleef met mij in contact en drong er bij elke gelegenheid bij mij op aan, de vergaderingen van Jehovah’s getuigen te bezoeken. Eindelijk stemde ik daarin toe en ik begon veel goeds uit de bijbel te leren. Aangezien ik altijd al een groot respect voor heilige dingen had gehad, genoot ik van de studie van de bijbel, ook al zag ik nog geen enkel duidelijk onderscheid tussen de leer van de bijbel en die van het boeddhisme.

Er brak een keerpunt voor mij aan toen de zendelinge mij op een goede dag een exemplaar van het tijdschrift Ontwaakt! gaf. Het was een uitgave die over het gezinsleven ging. De boeddhistische leer heeft weinig over dit onderwerp te zeggen, en als gevolg hiervan komen polygamie, echtscheiding, huwelijk volgens gewoonterecht, kwaadwillige verlating en prostitutie vrij algemeen voor. Nu echter ging ik begrijpen dat de bijbel specifiek vaststelt dat het de plicht van de vader is zijn gezin te onderhouden, te onderwijzen en streng te onderrichten, en de leiding te nemen in de aanbidding en alle andere belangrijke dingen (Spr. 29:17; Ef. 6:4; 1 Tim. 5:8). Ook kwam ik te weten dat de vrouw respect voor haar echtgenoot dient te tonen en zich tot nut van haar gezin bezig dient te houden met de huishoudelijke aangelegenheden. — Tit. 2:4, 5.

Demonisme aan de kaak gesteld

Nog een tijdschrift dat een enorme indruk op mij maakte, was een uitgave van De Wachttoren met een artikel over „De aanval van goddeloze geesten afweren”. Demonenaanbidding komt in Laos heel veel voor, ziet u. Hoewel dit strikt genomen geen deel uitmaakt van de boeddhistische godsdienst, geloven duizenden in de demonen en trachten zij ze gunstig te stemmen. U kunt bijvoorbeeld bij veel huizen in een van de hoeken van de tuin een klein huisje zien dat bestemd is voor de geest aan wie, naar men veronderstelt, dat stuk land behoort. Het kan een goede of een boze geest zijn, maar in ieder geval moet hij door middel van offers van voedsel, bloemen, wierook, enzovoort, gunstig gestemd worden. De huisbewoner verwacht door dergelijke gaven de bescherming van de geest te ontvangen.

Demonen zijn, naar men veronderstelt, de geesten van gestorvenen die op aarde zijn teruggekomen. De meeste Laotianen zijn erg bang voor deze geesten en denken dat ze ziekte en dood en ander onheil kunnen veroorzaken en dat zijzelf hulpeloos zijn tegenover hun invloed.

Stel u eens voor wat een openbaring het voor mij was, in de bijbel te lezen dat demonen in werkelijkheid ongehoorzame engelen, goddeloze schepselen, vijanden van God en de mens zijn! (2 Petr. 2:4; Matth. 4:24) Bovendien kwam ik te weten dat de enige manier om zich van hun verderfelijke invloed te bevrijden was, zich van alles wat met hen te maken heeft, zoals beelden, afbeeldingen, tovermiddelen en amuletten, boeken over magische kunsten, te ontdoen en zich op Gods hulp te verlaten. — Ef. 6:10-18; Hand. 19:19.

Toen de waarheid over de demonen mij eenmaal goed duidelijk was geworden, leken enkele van onze boeddhistische ceremoniën mij eenvoudig te verklaren. De populaire Laotiaanse ceremonie baci is bijvoorbeeld nauw verwant aan het demonisme. Het is een plechtigheid voor speciale gelegenheden, zoals wanneer iemand ziek is of een verre reis gaat ondernemen of wanneer er een kind is geboren. Een lange reep katoen wordt in korte stukken verdeeld en de aanwezigen binden deze om elkaars polsen. Het gevolg is dat ieder van hen veel van zulke banden om zijn polsen krijgt. Deze banden, zo was ons altijd geleerd, zouden geluk brengen.

De zendelinge zette uiteen dat deze banden te maken hadden met de gedachte dat elk van de tweeëndertig vitale organen van het lichaam door een „ziel” bewoond wordt.a Het doel van de baci is, elk van deze „zielen” die wellicht vertrokken zijn, terug te roepen. Als iemand bijvoorbeeld hoofdpijn heeft, komt dat doordat die speciale „ziel” ergens heen is afgedwaald en moet worden teruggeroepen om de genezing te bewerkstelligen. En wanneer iemand op het punt staat een lange reis te ondernemen, is het uiterst belangrijk dat al zijn „zielen” bij een dergelijke onderneming aanwezig zijn. Het is onnodig te zeggen dat ik, toen ik de feiten leerde kennen, er direct mee ophield aan zulke ceremoniën deel te nemen.

Dankbaar, van Babylon bevrijd te zijn

Nog een verrassing voor mij was het toen ik te weten kwam dat Jehovah God Degene is die de aarde heeft geschapen (Jes. 45:11, 12). Van kindsbeen af was mij, evenals andere boeddhisten, geleerd dat alles bij toeval is ontstaan. Wij hebben in Laos veel legenden over de oorsprong van het menselijk geslacht, maar voor zover ik mij herinner, vermeldt geen van deze een Schepper. Nu begon ik de redelijkheid van Gods geschreven Woord in te zien. Stellig wordt door alles wat wij om ons heen in leven zien het bestaan van een Schepper verkondigd! — Rom. 1:19, 20.

Ten slotte kwam ik door middel van geregelde bijbelstudie te weten dat er ware en valse religie bestaat. Ik was verbaasd toen ik erachter kwam dat alle valse religie in al haar verscheidene manifestaties haar oorsprong vindt in de religie van het Babylon uit de oudheid — een religie die mensen in verwarring bracht en God onteerde, een religie die de nadruk legde op riten en ceremoniën en die haar gelovigen niet echt in rechtvaardigheid onderwees.

Toen ik ten slotte de gelegenheid kreeg een groot congres van Jehovah’s getuigen te bezoeken, zag ik met eigen ogen dat de bijbelse leer betreffende liefde onder elkaar werkelijk in praktijk werd gebracht (Joh. 13:35). Vanaf dit moment heb ik nooit meer achterom gekeken. Ik wist dat ik op de goede weg was.

Te zijner tijd, namelijk tijdens de districtsvergadering in Chiang Mai, in het noorden van Thailand, symboliseerde ik door middel van de waterdoop dat ik mij aan de Schepper had opgedragen, en sindsdien heb ik erg mijn best gedaan anderen te helpen de ware godsdienst te vinden. Jehovah heeft mijn nederige inspanningen gezegend, want mijn jonge broer, die indertijd als novice-monnik in een boeddhistenklooster was gegaan, heeft nu ook zijn leven aan Jehovah opgedragen, en een ander familielid is begonnen de bijbel te bestuderen.

[Voetnoten]

a Kingdom of Laos, blz. 128-131.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen