„Zwart goud” in Alaska’s achtererf
Door Ontwaakt!-correspondent in Alaska
„GOUD GEVONDEN IN DE KLONDIKE!” was het sensationele bericht dat in 1896 aanleiding gaf tot een stormloop van Canadezen en Amerikanen naar Alaska en de Yukon. Tallozen werden aangestoken door de hoop dat zij in de goudvelden „fortuin” zouden maken. In recente jaren heeft een soortgelijk bericht wederom het sein gegeven tot een trek naar Alaska. Ditmaal is het doel „zwart goud” — olie, ontdekt op Alaska’s ijzige Noordelijke Helling.
De aanwezigheid van olie hier werd voor het eerst door de Russen opgemerkt, want er wordt reeds in de jaren 1860 in hun annalen gewag van gemaakt. De Amerikanen hoorden rond 1880, nadat zij het land van Rusland hadden gekocht, van de zwarte vloeistof hier. De eerste olieclaims werden in 1897 afgebakend. De Eskimo’s verdienen misschien wel de eer voor de eerste „ontdekkingen” van olie in het noordpoolgebied, aangezien zij brokken oliesijpelingen „dolven” en ze verbrandden om hun drijfhout te ontdooien.
Enige serieuze belangstelling voor deze olie kreeg men rond de eeuwwisseling, doch wat als een plotselinge opbloei begon, eindigde abrupt in 1904, toen oliezoekers geïntrigeerd waren door nieuwe bronnen in Texas en Californië. Sedert die tijd heeft de olie-exploratie steeds op kleine schaal voortgang gevonden. In de jaren 1950 hebben de Verenigde Staten in dit deel van de wereld enkele boringen verricht. Wegens het klimaat en de ontoegankelijkheid werd het programma evenwel opgegeven. Nu leiden olievondsten op de afgelegen Noordelijke Helling tot de speculatie dat Alaska’s „achtererf” wel eens meer dan veertig miljard barrels (à 119 liter) van de „zwarte schat” kan bevatten.
De plaats
De Prudhoe-baai aan de noordkust van Alaska kan terecht Alaska’s „achtererf” worden genoemd want ze ligt ongeveer zeshonderd vijftig kilometer ten noorden van Fairbanks, de springplank naar het Amerikaanse binnenland. Als het vliegtuig eenmaal uit Fairbanks vertrekt, laat het het meest bevolkte gebied van de staat achter zich. Als men over de Brooks-bergketen vliegt, kan men de Noordelijke Helling zo’n 240 kilometer noordwaarts naar de Noordelijke IJszee zien aflopen. Deze toendragordel, een vlak gebied nagenoeg zonder enige afwisseling, strekt zich over ongeveer zestienhonderd kilometer van het oosten naar het westen uit.
Als men de Prudhoe-baai vanuit de lucht nadert, bespeurt men eerst een stip op de uitgestrekte, onbewoonde vlakte. Enkele minuten later neemt deze stip vorm aan en blijkt ze de olie-boortoren te zijn die zich boven de groep geprefabriceerde gebouwen verheft en die de enige „boom” is tot op honderden kilometers van deze plek in het verre noorden.
De aarde is hier het hele jaar door met een pantser van permafrost of permanent bevroren grond bedekt. Oktober, het begin van de winter, voert hevige kou aan, waarbij de temperaturen tot wel 55 °C onder nul dalen. Denkt u zich eens enkele van de problemen in waarmee de boorders bij het opstellen van hun uitrusting worden geconfronteerd! Als de temperatuur 40 °C onder nul is, veroorzaken windsnelheden tot tachtig kilometer per uur een „koudefactor” die veel lager is dan de thermometer aangeeft. De arbeiders moeten in gedachten houden dat onder dergelijke omstandigheden „aan de kou blootgesteld vlees binnen dertig seconden kan bevriezen”. Metaal wordt bros. Gewoon rubber kan breken als glas.
Verscheidene dagen achtereen kan er een hevige storm woeden, die de meest geharde persoon belet te werken ook al is hij van hoofd tot voeten in een beschermende, met dons gevulde parka, overall, speciale verwarmende onderkleding en niets doorlatende laarzen gepakt. Er zijn geen bomen die de wind breken. „Whiteout”, een verschijnsel waarbij de lucht en de grond dezelfde vage sneeuwachtige schittering aannemen, kan het zicht tot slechts anderhalve of twee meter verminderen. De motoren van vrachtwagens moeten 24 uur per dag blijven draaien, anders kan het wel eens dagen- of wekenlang onmogelijk zijn ze aan de gang te krijgen. Twee maanden in de midwinter is er bijna geen zon en is er midden op de dag nauwelijks schemerlicht. Tijdens perioden van barre kou moeten de mannen zich verschuilen achter de zware koelkastdeuren van hun slaaphut.
’s Zomers verandert de dooi de toendra in een drassig, van muggen vergeven moeras van ondiepe meren en stromen. Dan is het praktisch onmogelijk zware uitrusting en machinerieën te vervoeren. Daarom moeten veel voorbereidende werkzaamheden en boringen ’s winters worden verricht als de permafrost bovenop hard is.
Hoe de installatie er van nabij uitziet
Laten wij deze olie-buitenpost nu eens nader bekijken. Het blijkt dat er, voordat de boortoren of enig ander bouwwerk opgetrokken kan worden, een speciale fundering moet worden gelegd. Dit komt doordat de bovenste lagen van de 300 meter diepe permafrost in de zomerwarmte zacht worden en zware constructies die op de grond worden opgetrokken, kunnen wel anderhalve tot drie meter in één seizoen verzakken. Daarom worden er dus palen tot een diepte van zes meter in de permafrost gedreven, diep genoeg om met het ondereind stevig in de altijd bevroren grond te staan. Dan wordt boven op het paalwerk een boor-„eiland” opgetrokken, waarover een anderhalve meter dikke isolerende kiezellaag wordt gelegd. De landingsstrook, de slaaphutten, alsook andere installaties hebben op die manier een stevig fundament.
Aangezien de ruwe olie die uit de diepte van de aarde komt wel 70 °C warm is, veroorzaakt dit meer dooiproblemen tot diepten van zestig meter. Ingenieurs ontwerpen telescopische boorbuizen en manieren om de boorinstallatie op gezette tijden op te lichten ten einde het ontdooien en verzakken van de grond eronder te compenseren.
Vijfenzeventig mannen werken en wonen hier. Hun kwartieren zien eruit als een doos van zo’n zestig meter lang. Bij nadere beschouwing blijken het twee lange rijen luxe woonwagens te zijn, elk ongeveer 12 meter lang, die in de lengte zijn geplaatst met een flinke gang ertussen, die als portaal dient. Een goedverlichte eetzaal, een recreatiezaal en badgelegenheden zorgen ervoor dat de sfeer zo prettig en huiselijk mogelijk is.
Het eten is heerlijk en overvloedig, want de mannen hebben energie nodig om in ploegen van twaalf uur, zeven dagen per week, te werken. Sommige mannen kaarten in de recreatiezaal terwijl anderen biljarten. Weer anderen kijken naar films of zitten te lezen. Er kunnen geen radio- of televisieprogramma’s worden opgevangen op deze afgelegen plaats. De mannen leven zes weken lang in deze sleur en gaan dan twee weken met verlof. De meesten brengen hun vrije tijd bij hun gezin in Fairbanks of Anchorage door. Waarom verkiezen zij in zulk een afgelegen plaats te werken en te leven? Zij zullen u over het algemeen zeggen dat zij dit om het hoge jaarsalaris doen.
Hoe is heel deze zware uitrusting hier echter gekomen? Er werden verschillende transportmiddelen gebruikt. Het snelste en kostbaarste was per vliegtuig. Grote „Hercules”-vrachtvliegtuigen voerden tractoren aan die ongeveer 21.000 kilogram per stuk wogen. Andere vrachten die ze aanvoerden waren goederenwagens van 12 meter lengte, de slaaphutten. Kleine vliegtuigen en helikopters vervoerden mannen en kleinere uitrustingsstukken. Een „Skycrane”-helikopter, die eruitzag als een reusachtige waterjuffer en zo’n 7000 kilogram woog, voerde tractoren aan die zijn eigen gewicht evenaarden.
Stoere expediteurs trotseerden de barre poolkou om per schip, „sledetrein” en met vrachtwagens materieel en voorraden over de „ijsweg” aan te voeren en op de Helling af te leveren. Aangezien er oorspronkelijk geen wegen naar het binnenland van de Noordelijke Helling bestonden, trokken rupsbandtractoren en bulldozers sledetreinen voort die beladen waren met materieel. Ze kropen met hun vrachten, als enorme slakken, over zeshonderd veertig kilometer bevroren rivieren en berghellingen.
Honderd dertig kilometer ten noorden van Fairbanks bevindt zich het eind van de 800 kilometer lange Walter J. Hickel Highway, die pas in 1968 werd geopend. Het is een tweebaansweg die letterlijk van sneeuw en ijs werd gebouwd en alleen bruikbaar is in de winter als hij bevroren is. De bouwers ervan moesten vechten tegen hevige wind en temperaturen van 55 graden onder nul. Op één punt moest een vierhonderd meter lange ijsbrug over de rivier de Yukon worden gebouwd. Boven op de natuurlijk gevormde ijslaag werd een laag van 10 tot 25 centimeter dikke houten balken gelegd. Over deze balkenlaag werd water gepompt totdat het een versterkte ijsbrug werd. Vervolgens werden daarbovenop nog meer balken gelegd en daarover werd weer water gepompt totdat de oppervlakte van de ijsbrug gelijk kwam met de opritten van de rivieroevers. Van vrachtrijders die van deze ijsweg gebruik maken, wordt geëist dat zij een nooduitrusting van gereedschappen, beddegoed, kleding en voedsel voor minstens 48 uur meenemen.
Sleepboten baanden zich met hun sleep vanuit twee richtingen een weg naar het noorden om hun nuttige last af te leveren. Sommige kwamen rond Alaska’s westkust en trotseerden het onvoorspelbare weer en de poolijskap. Andere kwamen naar het noorden via Canada’s rivier de Mackenzie. Deze moesten oppassen voor ondiepten in de rivier als gevolg van het zeer droge jaargetijde.
Hoe de olie er weg te krijgen
Tot zover dus wat het daar krijgen van de uitrusting en het opzetten van de installaties betreft. Hoe staat het nu echter met het wegkrijgen van de olie als deze eenmaal uit de diepte van de aarde is opgepompt?
Sommigen zouden graag willen dat de Alaskaspoorweg 640 kilometer of daaromtrent tegen de kosten van $500 miljoen werd verlengd. De ruwe olie zou dan per spoor naar havens in Alaska zoals Anchorage, Seward of Whittier vervoerd kunnen worden en vandaar per tanker naar het afzetgebied. Men overweegt ook rechtstreekse routes voor tankers en slepen naar de Prudhoe-baai. Zowel de westelijke route door de Beringstraat als de Noordwestelijke Doorgang via Canada worden ernstig overwogen, hoewel beide routes het grootste gedeelte van het jaar door zwaar ijs versperd zijn. De SS Manhattan, speciaal toegerust met een zwaar versterkte romp, is er nog niet zo lang geleden in geslaagd door de hindernissen van laatstgenoemde route heen te komen. Oliemaatschappijen weten nog niet of deze manier van verscheping praktisch is.
Het ziet ernaar uit dat de Trans-Alaska Pipeline het eerste middel zal zijn om de ruwe olie naar de afzetgebieden te krijgen. Er worden plannen gemaakt voor een reusachtige pijpleiding met een middellijn van één meter twintig, die de 1300 kilometer van de Prudhoe-baai naar Valdez aan de Golf van Alaska moet overbruggen en die aan het uiteinde 60 tot 120 miljoen liter olie per dag zal uitbraken. Men verwacht dat de kosten $900 miljoen zullen belopen.
Het voorbereidende werk voor dit „loodgieterskarwei” dat twaalf pompstations zal omvatten om het „zwarte goud” over drie bergruggen met hoogten van wel 1500 meter heen te krijgen, is reeds aan de gang. Een groot deel van de pijpleiding zal in een greppel op de bevroren grond worden gelegd met minstens één meter twintig bevroren grond er bovenop om de leiding vast te leggen. Het graven, opblazen en ontdooien van de grond voor deze sleuf van één meter tachtig breed, twee meter vijftig diep en 1300 kilometer lang vormt een hele uitdaging. Men hoopt echter tegen 1972 gereed te zijn.
Waarde voor de economie
Alaska is hevig geïnteresseerd in het project. Er wordt voor velen werkgelegenheid door geschapen. Oliemaatschappijen hebben meer dan $900 miljoen in de schatkist van de staat gestort toen zij inschreven voor de pacht van 167.000 hectare te ontginnen land van de Noordelijke Helling. De toenemende vraag van de wereld naar petroleum, te zamen met de risico’s in verband met de leverantie van olie uit het politiek woelige Midden-Oosten, maakt dit project des te aantrekkelijker. De westerse landen hopen dat de olievoorraad van Alaska de situatie zal opheffen.
Alles met elkaar is het echter een zeer kostbare onderneming. De olieconcessies hebben al meer dan een miljard dollar gekost. De eerste wilde putten kostten tussen de $2 en $4 miljoen per stuk. De kosten van vroege proefboringen en nu ook van de pijpleiding hebben deze hele onderneming op honderden miljoenen dollars gebracht.
Er zijn ook nog andere kosten, die niet direct in dollars en centen af te meten zijn. De conservatieven hebben luid hun stem laten horen over de schade die het land en zijn natuurschoon wordt toegebracht. Door middel van ecologische onderzoekingen, waaraan de oliemaatschappijen gezamenlijk deelnemen, wordt naar wegen gezocht om de schade aan de toendravegetatie te beperken. De dunne laag mos en korstmos op de oppervlakte dient om de permafrost te isoleren. Als men deze beschermende laag verwijdert, kan het ontdooien van de permafrost als gevolg daarvan erosie, instortingen en verzakkingen van de oppervlakte veroorzaken. Waar de toendravegetatie verstoord moet worden, zal men vervangende planten en grassen moeten trachten te vinden die kans zien in dit ruwe klimaat te groeien.
En wat valt er te zeggen over de schade die onder de dieren wordt aangericht? Zullen de duizenden kariboes elk jaar vrij heen en weer over de toendra kunnen trekken zoals ze eeuwenlang hebben gedaan? Kunnen de watervogels gebruik blijven maken van meren en plassen die niet vervuild zijn? Zullen de poolvos, grijze beer, wolf en eekhoorn ongehinderd over de hellingen kunnen blijven rennen?
De conservatieven pleiten voor het ordelijk opruimen van afval en rommel. De Helling ligt bezaaid met afgedankte olievaten, machinerieën en andere voorwerpen van vroegere proefboringen. Staal en andere duurzame materialen vergaan in dit koude klimaat haast niet. De petroleummaatschappijen zijn zich steeds meer bewust van hun verantwoordelijkheid in dit opzicht en zijn bezig stappen te ondernemen om het terrein te sparen, de in het wild levende dieren te beschermen en de schade wat het opofferen van natuurschoon betreft laag te houden. Er zijn reeds opruimingsprojecten aan de gang en er worden voorzorgsmaatregelen voor de toekomst genomen.
Het enorme werk dat het tot-ontwikkeling-brengen van de olie-industrie in deze verre noordelijke streek meebrengt, is werkelijk indrukwekkend. En de inwoners van Alaska feliciteren zichzelf met het feit dat men over de hele wereld weldra dit „zwarte goud” uit hun achtererf zal gaan gebruiken.
[Illustratie op blz. 9]
Op de Noordelijke Helling, een vlakke toendra, vormt de olieboorinstallatie of boortoren de enige „boom” in honderden kilometers omtrek