De grote zeemonsters
Door Ontwaakt!-correspondent in Japan
EEN monsterachtige kop, ogen bij de hoeken van een enorme bek, geen oorschelpen, alleen een gat in zijn kop bij wijze van neusgaten. Dit is de persoonsbeschrijving van meneer Walvis. Als hij zijn bek opent, verschijnt er een spelonkachtige ruimte waarin een volwassen Afrikaanse olifant zou passen! Er zijn geen tanden, maar wel hangen aan weerszijden van het verhemelte lange, dunne, witte hoornplaten of baarden, ook wel baleinen genoemd.
Over de reusachtige onderlip van meneer Walvis ligt zijn kolossale, fluweelachtige tong. De drie meter lange baarden in zijn bek zijn hard en buigzaam. Als hij diep ademhaalt, ademt hij niet door zijn bek. De lucht gaat door de kleppen van het gat in zijn kop rechtstreeks naar de longen. Hebt u belangstelling om nog verder te kijken? Laten wij dan, in plaats van de richting te volgen waarin het voedsel wordt weggespoeld, een paar passen achteruitgaan en dit reusachtige schepsel vanuit een wat comfortabeler positie bekijken.
Het woord „walvis” doet ons gewoonlijk denken aan iets reusachtigs. Er zijn echter kleinere walvissen, beter bekend als dolfijnen en bruinvissen. Deze gehele fascinerende orde van warmbloedige, lucht ademende zoogdieren („Cetacea”), die met vinnen navigeren en zich met een krachtige staart voortbewegen, omvat schepselen van anderhalve tot dertig meter lengte wier gewicht varieert van vijfenveertig kilo tot bijna honderd zeventig ton. Sommige hebben tanden en worden „Odontoceti” genoemd, terwijl andere baarden hebben in plaats van tanden en als „Mystacoceti” bekendstaan.
Tandloze walvissen
De reeds beschreven soort is de Groenlandse walvis of „bowhead”, die in het noordelijke deel van de Grote en Atlantische Oceaan voorkomt. Zijn kop neemt ongeveer een derde van zijn lengte in beslag. Hij is nauw verwant aan een ander tandloos wonder, de blauwe vinvis, de grootste van alle levende en uitgestorven zoogdieren. Een pasgeboren kalf van de blauwe vinvis kan een lengte hebben van meer dan zes meter. In de biologiezaal, afdeling zoogdieren, van het Newyorkse museum van natuurlijke historie bevond zich enkele jaren lang als speciale inzending een model van een volwassen blauwe vinvis, bestaande uit een stalen skelet opgevuld met kunstvlees en bekleed met een huid van fiberglas.
Men vermeldt vaak dat de inwendige baarden of baleinen van deze reuzenschepselen uit been zijn opgebouwd. Echt been is het niet, het is in feite haar. De verwerking ervan in corsetten en andere produkten is reeds lang door synthetische stoffen vervangen. Ze worden echter nog steeds als borstelhaar in bepaalde soorten bedrijfsbezems gebruikt.
De overjas van de tandloze walvis is van „blubber”, een dikke speklaag onder een uiterst dunne huid. Deze laag zorgt voor het op peil houden van een lichaamstemperatuur die gelijk is aan die van de mens. De „blubber”, die 50 tot 80 percent van zijn eigen gewicht aan consumptie-olie oplevert, wordt tot braadvet, zeep en andere produkten verwerkt.
De walvisindustrie eist een enorm hoge tol van deze tandloze walvissen. De drie Japanse walvisvloten bijvoorbeeld keerden verleden jaar na vier maanden uit de Zuidelijke IJszee huiswaarts met een vangst van 1493 „blue whale units”. Een „unit” of eenheid komt overeen met één blauwe vinvis, of als equivalent hiervan twee gewone vinvissen of twee en een halve bultrug of zes noordse vinvissen.
Tandwalvissen
Pas in het begin van de achttiende eeuw begonnen walvisvaarders aan een ander soort walvis aandacht te schenken, de getande soort, in het bijzonder de potvis. Tegen 1846 waren meer dan 700 Amerikaanse walvisvaarders bij de jacht betrokken, begerig om in de opbrengst van het reusachtige karkas van het dier te delen — zijn tonnen olie (spermaceti), voor de verlichting zeer op prijs gesteld, en de heldere, kleurloze olie die in zijn kop wordt aangetroffen, waarvan de beste kwaliteit waskaarsen wordt vervaardigd. Nu wordt de spermaceti echter op tal van andere manieren gebruikt: voor het walsen van staal, het bereiden van leer, het appreteren van textiel, en in speciale smeermiddelen, allerlei soorten was, zeep, wasmiddelen en cosmetica.
Amber is nog een produkt van de potvis. Soms wordt deze grijze, wasachtige substantie, die klaarblijkelijk als gevolg van een bepaald soort irritatie in de maag en ingewanden van de potvis wordt gevormd, drijvend op de oceaan of aangespoeld aan de kust aangetroffen, daar deze stof door het dier wordt uitgebraakt. De aard van de stof doet denken aan zeer harde kaas, maar wanneer ze in stukken wordt gesneden lijkt ze op marmer en ze heeft een heerlijk aroma. Ze wordt als een uitstekend fixatief (geurbindmiddel) bij de vervaardiging van dure parfums beschouwd.
Over het algemeen zijn de leden van de walvissenfamilie ongevaarlijk en zeer speels. Men heeft ze vaak in scholen aan de oppervlakte spelletjes zien doen, zoals haasje-over of salto’s maken. De vriendelijke nieuwsgierigheid van de dolfijn is welbekend. Daarentegen kan een reusachtige walvis als hij gewond is en zich wanhopig door het water wentelt zelfs voor een groot schip gevaar opleveren.
De zwaardwalvis of orca — een echte moordenaar
De zwaardwalvis is een uitzondering: Hij is niet tevreden met plankton en andere kleine zeedieren. Hij geeft er de voorkeur aan zijn tanden in dolfijnen te zetten of in bruinvissen, robben, pinguïns en haaien; ook zal hij niet aarzelen een brok vlees uit een andere grote walvis te scheuren en hem zelfs zijn tong uit te rukken. Ze jagen in scholen. Ze staan erom bekend dat ze, om bij mensen of robben te komen, ijsschotsen verbrijzelen.
De Japanners noemen hem sjatsji, en zij bedienen zich van een Chinees begripteken waarin de karakters voor „vis” en „tijger” passend gecombineerd zijn. Hij neemt een speciale plaats in hun bijgeloof in. Modellen van een manlijke en vrouwelijke sjatsji zijn op de nokken van de hoogste daken van Japanse kastelen aangebracht, waar ze elkaar aanstaren met de vinnen in de lucht; op een afstand vertoont hun kop overeenkomst met de bijna vierkante kop van een koe met korte vooruitstekende horens. De beroemdste van deze amuletten sieren de top van het kasteel in Nagoya. Ze werden in 1959 gemaakt ter vervanging van de vorige, die samen met het kasteel tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vernietigd. Ze zijn van koper gemaakt en overtrokken met 560 schubben van 18 karaats goud, waarmee een bedrag van ƒ 280.800 was gemoeid.
Om enig idee te krijgen van de vraatzucht van de zwaardwalvis: in de maag van een zes en een halve meter lang exemplaar werden veertien robben en dertien bruinvissen aangetroffen. Hij is de enige der cetaceeën die zich met zijn eigen soort of andere warmbloedige zoogdieren voedt.
Enige bijzonderheden van de walvis
Tanden of geen tanden, alle walvissen slikken hun voedsel in z’n geheel in. Tanden dienen alleen om het voedsel te grijpen. De baard- of tandloze walvissen zwemmen rond met hun bek open en leven voornamelijk van „kril” (miljoenen zeekreeftjes, slakjes en plankton) dat aan hun baarden blijft hangen. Binnen in de vele kamers van de maag heeft het voedsel een lange tijd nodig om te verteren. In 1891 werd de Engelse walvisvaarder J. Bartlett door een potvis ingeslikt. Later werd hij levend en onverteerd uit het vochtige graf gesneden.
Het gezichtsvermogen van de walvis is niet al te best ontwikkeld. Voor het „zien” is de walvis, evenals de vleermuis, op zijn gehoor aangewezen. De oren bevinden zich achter zijn ogen, hoewel onzichtbaar voor de oppervlakkige waarnemer. Het unieke stelsel van luchtzakken heeft een dubbele functie. Ze werken als geluiddempers en zorgen er door de aan- en afvoer van bloed voor dat het dier zich aan de druk van de omgeving kan aanpassen. Geluiden die het uitwendige oor binnenkomen, treffen het trommelvlies en worden naar het inwendige oor overgebracht. Onderweg worden ze door het stelsel van beenderen in het middenoor zeer versterkt. Waarlijk een uitvinding van Degene die deze grote zeemonsters schiep!
Nog een ingebouwde veiligheidsvoorziening van de walvis gaat een rol spelen als hij naar de oppervlakte zwemt, waardoor de druk plotseling wordt verminderd. De mens moet onder zulke omstandigheden, waarin hij aan een dusdanige verandering van druk is blootgesteld, ervoor zorgen dat hij geen last krijgt van de „caissonziekte”, die wordt veroorzaakt door de vorming van stikstofbelletjes in het bloed en de weefsels. De walvis is op wonderbaarlijke wijze tegen de „caissonziekte” beschermd.
Daar de walvis niet in staat is net als de vissen zuurstof rechtstreeks uit het water op te nemen, moet hij elke vijftien tot twintig minuten naar de oppervlakte komen om een voorraad lucht in te slaan. Als hij uitademt ontstaat er door de plotselinge uitzetting en afkoeling van de lucht uit het spuitgat een wolk. Ervaren walvisvaarders kunnen zelfs aan de hand van de grootte, de vorm en de richting van de wolk de soort van walvis bepalen.
De strijd om het voortbestaan
Als gevolg van de dodelijke efficiëntie van de moderne vangmethoden en het feit dat na een dracht van elf tot vijftien maanden slechts één kalf wordt geboren, begint de walvis de strijd om het bestaan te verliezen. Zelfs de in 1946 opgerichte International Whaling Commission blijft in gebreke de walvis te redden. Ieder jaar geeft een drastische vermindering van de walvispopulatie te zien.
De uit de hand geworpen harpoen heeft plaatsgemaakt voor de harpoen die uit een kanon wordt afgeschoten en in het lichaam van het slachtoffer explodeert. Fabriekschepen kunnen een walvis in de tijd van dertig tot vijfenveertig minuten flensen. In 1964 verwerkten twintig fabriekschepen meer dan 60.000 walvissen, waaruit 330.000 ton olie en 270.000 ton bijprodukten werden gewonnen. Maar welke kans maakt een walvis met al die moderne uitrustingsstukken die hem moeten opsporen en doden?
Gelukkig voor de walvis zal Hij die deze grote monsters van de zee schiep, in de zeer nabije toekomst iets aan de situatie gaan doen. Het zal geen tijdelijke verlichting zijn, zoals in de tweede helft van de negentiende eeuw toen er minerale olie werd ontdekt. Neen, dit zal veeleer een permanente verwijdering van zelfzuchtige menselijke plunderaars inhouden. Zij zullen van deze mooie aarde verdwijnen. Dan zullen de grote zeemonsters naar hartelust kunnen „blazen” en dartelen.