Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g70 8/9 blz. 13-16
  • Over de Atlantische Oceaan — op papyrus

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Over de Atlantische Oceaan — op papyrus
  • Ontwaakt! 1970
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het raadsel van Midden-Amerika
  • Kritiek van de wetenschap
  • „Autoriteiten” kunnen het mis hebben
  • Zeeschepen van riet
  • De rieten boot wordt gebouwd
  • De expeditie
  • Experiment geen mislukking
  • Wist je dit?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2021
  • Papyrus
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Papyrus
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Zeezeilen met een schip van riet!
    Ontwaakt! 2003
Meer weergeven
Ontwaakt! 1970
g70 8/9 blz. 13-16

Over de Atlantische Oceaan — op papyrus

DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN DENEMARKEN

„EEN zeilende hooiberg”, „een papieren zwaan”, „een drijvend vogelnest”. Zo luidden enkele van de namen die aan de vreemde schuit die op 17 mei van het vorige jaar in een Marokkaanse zeehaven te water werd gelaten, werden gegeven. Het schip geleek op geen enkel vaartuig waarmee wij vertrouwd zijn. Toch was de gezagvoerder ervan, de etnoloog Thor Heyerdahl, de beroemde leider van de Kon-Tiki-expeditie van zo’n twintig jaar terug, van plan zich ermee in volle zee te wagen. Ja, hij was van plan de Atlantische Oceaan over te steken naar Midden-Amerika — een reis van zo’n 7000 kilometer!

Wat in wetenschappelijke kringen menigeen verwonderd deed kijken, was het primitieve van het vaartuig. Het was vrijwel geheel van papyrus gemaakt, waardoor het deed denken aan de vaartuigen die in de tijd van de farao’s op de Nijl werden gebruikt. Waarom koos Heyerdahl echter zo’n vreemde schuit? Wat hoopte hij met deze onderneming te bereiken?

Het raadsel van Midden-Amerika

Zijn doel was enig licht te werpen op een veelomstreden vraag, namelijk: Bestaat er enig verband tussen de oude beschaving in de landen rond de Middellandse Zee en de beschaving die door de Spanjaarden werd aangetroffen toen zij vier- of vijfhonderd jaar geleden Midden-Amerika bereikten? Dit onderwerp heeft vele geleerden beziggehouden.

De Spaanse veroveraars of „conquistadores” die in het kielzog van Columbus de oceaan overstaken, troffen allesbehalve primitieve nomaden aan. Wat zij wel aantroffen, waren bekwame schrijvers, architecten, kunstenaars, astronomen en chirurgen in goedgeorganiseerde steden, geregeerd door zonaanbiddende koning-priesters. Deze mensen hadden een nauwkeuriger kalenderstelsel dan dat wat in Europa werd gebruikt. Hun chirurgen konden breuken herstellen, doden balsemen en hersenoperaties verrichten. Er waren met stenen geplaveide wegen, enorme aquaducten en indrukwekkende hangbruggen. Er waren prachtig gebeeldhouwde monumenten, piramiden en andere schitterende bouwwerken.

Van die vooruitstrevende beschaving zijn nu nog slechts de ruïnes over. De hebzuchtige veroveraars uit Europa verwoestten en plunderden de steden en maakten degenen van de bevolking die niet werden afgeslacht omdat zij weigerden de katholieke godsdienst aan te nemen, tot slaven. De koning-priesters en hun legers gaven zich feitelijk aan een handjevol Spaanse soldaten over. Waarom? Zij hadden een overlevering dat „blanke, baardige mannen” van over de oceaan hun eens de beschaving hadden gebracht, en nu dachten zij dat deze nieuwe golf van blanken opnieuw met vriendschappelijke bedoelingen kwam.

Was het eenvoudig een samenloop van omstandigheden dat het volk van Midden-Amerika piramiden, mummies, hersenoperaties, zonaanbidding en koning-priesters had, net als de Egyptenaren uit de oudheid? Of kwam het doordat de Indiaanse overlevering op feiten was gebaseerd en „blanke, baardige mannen” via de transatlantische stroom die bij de Noordafrikaanse kust begint, de oceaan waren overgedreven?

„Zelfs tot in deze twintigste eeuw”, zo schrijft Thor Heyerdahl, „was het een aanvaarde theorie dat er slechts één bakermat der beschaving is geweest, niet ver van de bijbelse landen, en dat van hieruit de beschaving zich over vastelanden en oceanen naar alle delen van de wereld heeft verbreid.” Het verslag in het bijbelboek Genesis zegt dat de eerste vormen van menselijke samenleving na de Vloed in Mesopotamië tot stand kwamen, in het gebied tussen de Tigris en de Eufraat, en dat de mensheid zich daarvandaan over „de gehele oppervlakte der aarde” begon te verspreiden. — Gen. 10:8-12; 11:8.

Kritiek van de wetenschap

Kritisch gezinde antropologen waren er snel bij om dit gezichtspunt aan te vallen. Zij achtten de bijbel „te oud” om met betrekking tot de oude geschiedenis enige wetenschappelijke waarde te kunnen hebben. Onder invloed van de evolutietheorie waren zij van oordeel dat de beschaving van Midden-Amerika zich onafhankelijk had ontwikkeld. Zij betoogden dat alle geslachten van de menselijke familie door hun nauwe fysieke en mentale verwantschap onder dezelfde omstandigheden op dezelfde manier zouden reageren. Columbus, zo geloofden zij, was — afgezien van primitieve immigranten die vanuit Siberië de Beringstraat overstaken — de eerste die naar Amerika was gekomen. Aldus ontwikkelden zij hetgeen men als een „onweerlegbaar wetenschappelijk feit” ging beschouwen.

Enkele decennia gingen voorbij, en toen begon dit „wetenschappelijk feit” te verbrokkelen. Andere geleerden brachten bewijzen naar voren die aantoonden dat er lang vóór Columbus’ tijd mensen de Atlantische Oceaan waren overgestoken. Zo bleek dit bijvoorbeeld uit de vikingnederzetting op Newfoundland. Wat gisteren nog als een „betrouwbaar wetenschappelijk feit” gold, wordt vandaag als een samenstel van onvoldoende gefundeerde speculaties aan de kaak gesteld.

Wetenschappelijke experts beweerden ook dat de reis over de oceaan niet volbracht kon worden door boten van riet of papyrus zoals in de oudheid door de Egyptenaren werden gebruikt. Egyptologen waren van mening dat dergelijke rieten vaartuigen slechts op een rivier bruikbaar waren en niet konden standhouden tegen de kracht en het geweld van de oceaangolfslag. Ook werd beweerd dat papyrus in minder dan twee weken doordrenkt zou zijn van zeewater en dan zou beginnen te verrotten.

Thor Heyerdahl was echter niet onder de indruk van de wetenschappelijke kritiek. Hij geloofde dat de onjuistheid van zulke moderne theorieën bewezen kon worden. Inderdaad, hij had goede reden om beweringen van wetenschappelijke „autoriteiten” in twijfel te trekken.

„Autoriteiten” kunnen het mis hebben

Voordat hij indertijd in 1947 op het beroemde balsavlot, de Kon-Tiki, van Zuid-Amerika naar Polynesië voer, waren alle „experts” van mening dat de oude beschavingen van Amerika met hun balsavlotten en rieten boten niet tot de eilanden in de Grote Oceaan waren doorgedrongen. In 1943 schreef J. E. Weckler dat geen enkele Amerikaanse Indianenstam zeevaartuigen had die de reis naar Polynesië zouden kunnen maken. Dezelfde mening kon men twee jaar later lezen in een leerboek van de hand van de Polynesië-expert Sir Peter Buck. En naar het schijnt verkreeg deze schrijver die inlichting van zijn collega Dr. K. P. Emory, directeur van het Bishop Museum op Hawaii.

Reeds in 1942 had Emory de gedachte laten varen dat de vroege bewoners van Amerika enig contact met Polynesië hadden gehad. Waarom? Omdat een andere collega hem had meegedeeld dat het balsavlot al gauw van water doortrokken raakt. Hij op zijn beurt had zijn inlichtingen uit een verhandeling die door een Zuid-Amerika-specialist was geschreven en waarin werd gezegd dat balsahout na een paar weken zijn drijfvermogen volkomen verliest.

De specialist had zijn inlichtingen opgedaan uit de reisverslagen van een Engelsman die ongeveer een eeuw geleden aan de Zuidamerikaanse kust een balsavlot had gezien. De kapitein van het schip waarop deze reiziger voer vertelde hem dat het balsahout binnen een paar weken ’veel van zijn drijfvermogen verloor’. Het is niet bekend waar de kapitein zijn inlichtingen vandaan had. Men nam zijn woorden aan en, zo zegt Heyerdahl, hoewel „tal van onderwijzers wat zij te weten kwamen doorgaven zonder zelfs hun bronnen te vermelden, werd de stelling een axioma”.

Niettemin voer Heyerdahl 9000 kilometer op een balsavlot, en wat als „wetenschappelijk feit” was bestempeld, werd nu openlijk als verdichtsel, wat het ook inderdaad was, aan de kaak gesteld. Er bestond goede reden om te geloven dat de geleerden het ook wat het gebruik van het papyrusvaartuig betreft helemaal bij het verkeerde eind hadden. Hoewel zij ontkenden dat een boot van riet langer dan twee weken zou blijven drijven, bleek geen van deze Egypte-experts ooit in werkelijkheid een papyrusboot gezien te hebben.

Zeeschepen van riet

Bij de Amerikaanse Indianen langs de Grote-Oceaankust van Californië tot Chili waren schepen die van riet waren vervaardigd in gebruik toen de Spanjaarden arriveerden. Ook op verscheidene Mexicaanse meren gebruikte men zulke boten. Schepen van een zelfde type waren algemeen „van Irak tot Ethiopië, door heel Noord- en Centraal-Afrika tot in Tchad, Niger en Marokko, en zelfs op Sardinië”. — Hjemmet, 2 december 1969, blz. 7.

Toen de Spanjaarden de Peruviaanse kust bereikten, zagen zij veel boten die gemaakt waren van dun riet dat tot bundels was samengebonden. Ze hadden een sierlijk gebogen voor- en achtersteven, enigszins naar de trant van de oude vikingschepen. Sommige waren groot genoeg voor een bemanning van vierentwintig koppen, en met gemak roeide men ermee door de branding langs de kust van het Inkarijk.

„Peruviaanse vazen”, schrijft Heyerdahl, „uit de tijd van vóór de Inka’s vertonen vaak afbeeldingen van dubbeldeks rieten boten met heel wat passagiers en lading aan boord. Aan het Titicacameer worden nog steeds rieten boten gebouwd die groot genoeg zijn om zelfs bij stormachtig weer vee te vervoeren. Op mijn excursies naar de berg-Indianen heeft zowel de zeewaardigheid als het draagvermogen van de boten grote indruk op mij gemaakt.”

Niet allen zijn het ermee eens dat rieten boten uitsluitend voor het bevaren van rivieren in het Middellandse-Zeegebied en verder oostwaarts werden gebruikt. De Romeinse schrijver Plinius de Oudere verhaalt over reizen tussen de Ganges en Ceylon, die gewoonlijk circa twintig dagen duurden en die „vanaf de Nijl met papyrusschepen die van tuig waren voorzien, volbracht werden”.

Het was duidelijk dat papyrusschepen zeewaardig waren en het gebeuk van wind en golven heel aardig konden doorstaan. Als een dergelijk vaartuig langer dan twee weken op de golven van de Atlantische Oceaan kon blijven drijven, dan zou, zo meende Heyerdahl, door dit experiment tevens de mogelijkheid zijn aangetoond dat zeevaarders uit het Middellandse-Zeegebied lang vóór de komst van Columbus Amerika hadden bereikt en de culturele ontwikkelingen aldaar hadden beïnvloed.

De rieten boot wordt gebouwd

In museums over de hele wereld werden afbeeldingen van Egyptische vaartuigen bestudeerd. Dr. B. Landstrom, een Zweedse deskundige op het gebied van Egyptische tekeningen van schepen, ging naar Caïro om afbeeldingen van de rieten boten van de farao’s te kopiëren. Naar deze modellen werd de boot gebouwd.

Het materiaal werd uit Ethiopië betrokken. In totaal werd elf ton gedroogde papyrusstengels van twee en een halve tot vier en een halve meter lengte de bergen over getransporteerd naar het bouwterrein achter de piramiden in de Egyptische woestijn. De papyrus werd met behulp van vele kilometers touw in bundels gebonden en in de juiste vorm gebracht.

Toen de boot klaar was, had hij een lengte van ongeveer vijftien meter en een breedte van bijna vijf meter. De bodem was anderhalve meter dik. Midscheeps was een mandvormige hut die als kajuit diende voor de — buiten Heyerdahl zelf gerekend — zeskoppige bemanning. Aan de bijna tien meter lange tweelingmast werd een bruin, trapezevormig katoenen zeil met een oranje zon erop, bevestigd. Het schip werd Ra genoemd, naar de Egyptische zonnegod.

De expeditie

Het unieke vaartuig werd naar de Marokkaanse zeehaven Safi, de meest westelijk gelegen haven die de Egyptenaren in de oudheid kenden, overgebracht. Na een week in de haven werd de „Ra” buitengaats gesleept tot in de Canarische stroom, die hem in westelijke richting zou meevoeren. Hier volgt Heyerdahls eigen verslag over wat er daarna gebeurde:

„De papyrusbundels golfden als rubberkabels over de golven. Dikke roeiriemen werden als lucifershoutjes verbrijzeld, maar niet één papyrusstengel brak. . . . de papyrusstengels waren zo stevig als bamboevezels en zo taai als touw. Drie weken gingen voorbij. Vier weken gingen voorbij. Spoedig hadden wij een grotere afstand afgelegd dan van Egypte naar Kreta, naar Griekenland, naar Italië, ja, groter dan enige afstand binnen de Middellandse Zee. [En verder dan de „autoriteiten” geloofden dat zij konden!] De golven bleven maar steeds tegen ons aan rollen. . . . maar de papyrus bleef sterk en taai. Na zes weken hadden wij even ver gevaren als van Kopenhagen naar de noordpool.”

Zoals daarna in het nieuws werd meegedeeld, geraakte de boot echter ten oosten van de Antillen midden in een storm, en enkele papyrusbundels aan stuurboord, waar de vloer van de hut over de touwen was geschuurd waarmee de papyrusstengels vastgesjord waren, begonnen los te raken. De mast was door de storm afgebroken. Enkele dagen later waren Thor Heyerdahl en zijn bemanning gedwongen de papyrusboot te verlaten omdat de aanwezigheid van haaien verdere reparaties door de bemanning onmogelijk maakte. Zij waren tweeënvijftig dagen op de Atlantische Oceaan geweest, hadden al varende een afstand afgelegd van ongeveer 5800 kilometer en bevonden zich nog maar zo’n 1100 kilometer van Barbados in West-Indië.

Experiment geen mislukking

Een nauwkeuriger onderzoek van alle feiten maakt duidelijk dat het experiment ondanks de schipbreuk geen mislukking was. Heyerdahl was erg tevreden dat zij ’voldoende bewijs hadden gekregen dat een papyrusboot een zeewaardig schip is’. Ook voerde hij als een reden voor de schipbreuk aan dat hij en zijn bemanningsleden „zoveel blunders hadden begaan als alleen de mens van deze tijd kan begaan wanneer hij zonder ook maar één instructeur een schip uit de oudheid wil bevaren”.

Een Italiaanse hoogleraar was dezelfde mening toegedaan. Hij zei: „De boot werd met een te lage achtersteven gebouwd. De Egyptenaren weigerden aanvankelijk de achtersteven aan de Ra te bouwen, en de lage achtersteven die ten slotte werd gebouwd, vormt een van de redenen waarom het vaartuig zo snel door de zware zee werd geruïneerd. Nog een reden is het ongewoon slechte weer waarmee de expeditie had te kampen.”

Duidelijk werd aangetoond dat het heel goed mogelijk kan zijn geweest dat zwakke, rieten vaartuigen die bij de volken rond de Middellandse Zee in gebruik waren, de Atlantische Oceaan overstaken, hetzij opzettelijk of afgedreven door de storm, en de opvarenden met de inboorlingen van Midden-Amerika contact kregen. Ook kan het zijn gebeurd dat sommigen van dergelijke bezoekers lang genoeg bleven om de inboorlingen enige van hun kundigheden en kunstigheden en religieuze denkbeelden bij te brengen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen