Samoa
ERGENS halverwege tussen Hawaii en Nieuw-Zeeland liggen de Samoa-eilanden als parels te glanzen in het warme blauwe water van de Grote Oceaan. Ondanks hun vulkanische oorsprong zijn het juweeltjes van schoonheid met hun in wolken gehulde bergtoppen, weelderige tropische wouden en palmenstranden. De glinsterende lagunen, met zo’n tweehonderd soorten koraal en wel negenhonderd soorten vis, vormen een marien paradijs. Geen wonder dat de eerste zendelingen uit Europa deze naar frangipane geurende eilanden beschreven als misschien wel de mooiste eilanden die ze in de Stille Zuidzee hadden gezien!
Het schijnt dat ongeveer duizend jaar voor Christus de Lapitaa zich als eersten op de Samoa-eilanden gevestigd hebben. Die vroegste inwoners van Polynesië waren moedige ontdekkingsreizigers en meesterlijke zeevaarders, die kennelijk vanuit Zuidoost-Azië de Grote Oceaan begonnen te bevolken. Terwijl ze zich lieten leiden door de winden en de stromingen, legden ze met hun enorme kano’s met dubbele romp grotere afstanden op zee af dan welk volk vóór hen maar ook. Diep in het hart van de Stille Zuidzee ontdekten ze een kleine groep eilanden die ze Samoa noemden.
In de loop van de eeuwen hebben hun afstammelingen zich oostwaarts over de Grote Oceaan verspreid naar Tahiti, en vervolgens naar Hawaii in het noorden, Nieuw-Zeeland in het zuidwesten en Paaseiland in het zuidoosten. Tegenwoordig wordt dit enorme driehoekige gebied Polynesië genoemd, wat „Veel eilanden” betekent, en staan de inwoners bekend als Polynesiërs. Over Samoa wordt dan ook gezegd dat het de ’wieg van Polynesië’ is.
In deze tijd begeeft een golf van onverschrokken Samoanen zich op een ander, belangrijker soort reis. Net als hun zeevarende voorouders streven ze naar een beter leven. Maar in plaats van zich geografisch te verplaatsen, zijn deze Samoanen op weg van geestelijke duisternis naar geestelijk licht. Ze zijn op zoek naar de vorm van aanbidding die door de ware God, Jehovah, wordt goedgekeurd (Joh. 4:23).
Dit verslag gaat over de geschiedenis van Jehovah’s Getuigen in Samoab, Amerikaans-Samoa en Tokelau. In 1962 werd West-Samoa onafhankelijk, terwijl Amerikaans-Samoa grondgebied van de Verenigde Staten is. De Samoa-eilanden zijn dus in twee groepen verdeeld: Samoa en Amerikaans-Samoa.
HET WAARHEIDSLICHT BEGINT TE SCHIJNEN
Het goede nieuws van Gods koninkrijk bereikte Samoa in 1931, toen een bezoeker bij geïnteresseerden in de hele eilandengroep meer dan 470 boeken en brochures achterliet. Die bezoeker was waarschijnlijk Sydney Shepherd, een ijverige Getuige die omstreeks die tijd per schip verschillende eilanden van Polynesië aandeed om het goede nieuws te prediken.
Zeven jaar later kwam Amerikaans-Samoa voor het eerst met de Koninkrijksboodschap in contact toen J.F. Rutherford, van het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn, op zijn bootreis van Australië naar de Verenigde Staten kort het eiland Tutuila aandeed. Broeder Rutherford en zijn reisgenoten maakten van die gelegenheid gebruik om in de havenstad Pago Pago lectuur te verspreiden.
Nog eens twee jaar later, in 1940, zette Harold Gill, die in Azië en andere delen van Oceanië had gepionierd, voet aan wal in Amerikaans-Samoa. Hij had 3500 brochures „Waar zijn de doden?” bij zich, de eerste publicatie die door Jehovah’s Getuigen in het Samoaans was vertaald.c
Vandaar stak Harold over naar het eiland Upolu (Samoa), een bootreis van acht tot tien uur. „Het nieuws moet me vooruitgesneld zijn,” schreef hij later, „want toen ik aankwam, kreeg ik van een agent te horen dat ik niet aan land mocht. Ik haalde mijn paspoort tevoorschijn en liet hem het tamelijk bombastische voorwoord lezen waarin allen die het betrof werd verzocht de onderdaan van Zijne Majesteit, de koning van Groot-Brittannië, ’vrije en ongehinderde doorgang te verlenen en hem alle mogelijke hulp en bescherming te bieden’. Dat leverde me een onderhoud op met de gouverneur, die me toestond vijf dagen te blijven totdat de volgende boot vertrok. Ik huurde een fiets, reed het hele eiland rond en liet overal brochures achter.”
Harold moest na zijn succesvolle predikingstocht op de Samoa-eilanden naar Australië terugkeren. Maar een van de publicaties die hij had achtergelaten, kwam uiteindelijk in handen van Pele Fuaiupolud, een kantoorbediende. De boodschap van de brochure vatte post in Peles hart en lag daar te sluimeren totdat er weer Getuigen zouden komen om de kostbare waarheden die geplant waren, te begieten (1 Kor. 3:6).
Twaalf jaar daarna, in 1952, arriveerde John Croxford, een Getuige uit Engeland, in Apia (de hoofdstad van Samoa) op het eiland Upolu. Hij kwam op hetzelfde kantoor te werken als Pele. John was een vriendelijke man die anderen graag getuigenis gaf. Toen hij Peles belangstelling voor de Bijbel opmerkte, ging hij hem thuis opzoeken. Pele schrijft: „Ons gesprek op zaterdagavond duurde tot in de kleine uurtjes. Ik stelde hem de ene vraag na de andere, en alle antwoorden die hij gaf, las hij voor uit de Bijbel. Het stond voor mij als een paal boven water dat dit de waarheid was waarnaar ik gezocht had.” Later dat jaar droegen Pele en zijn vrouw, Ailua, als eerste Samoanen hun leven aan Jehovah op en werden ze gedoopt.
Pele wist dat hij ter verantwoording geroepen zou worden omdat hij de religie van zijn voorouders de rug had toegekeerd. Dus studeerde hij ijverig en smeekte hij Jehovah vurig om hulp. Toen hij door het hoofd van zijn familie opgeroepen werd voor een bijeenkomst in zijn geboortedorp Faleasi’u (een groot kustdorp zo’n twintig kilometer ten westen van Apia), vonden hij en een ander familielid dat belangstelling voor de waarheid had, daar een vijandige vergadering tegenover zich, bestaande uit zes familiehoofden, drie openbare sprekers, tien voorgangers, twee godsdienstleraren, het hoofd van zijn eigen familie, die als voorzitter optrad, en oudere mannen en vrouwen van de familie.
„Ze vervloekten en veroordeelden ons omdat we smaad wierpen op de naam van de familie en op de kerk van onze voorvaders”, vertelt Pele. Op voorstel van het hoofd van zijn familie werd er vervolgens een debat gehouden, dat tot vier uur in de ochtend duurde.
„Hoewel sommigen schreeuwden: ’Doe die bijbel weg! Laat die bijbel erbuiten!’, beantwoordde ik al hun vragen aan de hand van de Bijbel en ontzenuwde ik hun argumenten”, zegt Pele. „Ten slotte zwegen ze in alle talen. Ze zaten daar met gebogen hoofd. Toen zei het familiehoofd met zwakke stem: ’Je hebt gewonnen, Pele.’”
Pele weet nog dat hij tegen het familiehoofd zei: „Neem me niet kwalijk, mijnheer. Ik heb niet gewonnen. Vannacht hebt u de boodschap van het Koninkrijk gehoord. Ik hoop oprecht dat u er acht op zult slaan.”
Dankzij Peles nederige vertrouwen in Jehovah en zijn Woord, de Bijbel, begon het zaad van Koninkrijkswaarheid op Upolu wortel te schieten.
VERGADERINGEN IN DIE BEGINTIJD
Al snel werd er overal in de hechte eilandgemeenschap over Peles nieuwe religie gesproken. Net als de eerste-eeuwse Atheners tot wie Paulus predikte, waren sommigen nieuwsgierig naar die „nieuwe leer” en wilden ze er meer over weten (Hand. 17:19, 20). Een jonge man, Maatusi Leauanae, hoorde dat degenen die belangstelling hadden voor de nieuwe religie elke week in een artsenwoning op het ziekenhuisterrein bij elkaar kwamen en besloot een onderzoek in te stellen. Maar toen hij bij het ziekenhuis aankwam, werd hij opeens nerveus en wilde hij rechtsomkeert maken. Gelukkig kwam John Croxford net op tijd om hem uit te nodigen zich die avond bij het groepje aan te sluiten. De jonge Maatusi genoot van de studie van het boek „God zij waarachtig” en wilde vaker komen. Hoewel hij de vergaderingen in het begin alleen te hooi en te gras bezocht, vatte de waarheid uiteindelijk post in zijn hart, en hij werd in 1956 gedoopt.
Nieuwelingen die zich bij de groep aansloten, zagen er al gauw het belang van in de dingen die ze geleerd hadden met anderen te delen. Broeder Croxford was nog geen vijf maanden in Apia of er hadden zich al tien personen bij hem aangesloten in de prediking. Vier maanden later was dat aantal gestegen tot negentien. De nieuwelingen boekten goede resultaten terwijl ze getuigenis gaven aan vrienden en familieleden.
Een van die verkondigers gaf getuigenis aan zijn neef Sauvao Toetu, die in Faleasi’u woonde. Na een tijdje begonnen Sauvao en zijn zwager, Finau Feomaia, met hun gezinnen de vergaderingen te bezoeken en namen ze een standpunt voor de waarheid in.
In januari 1953 werd in Samoa een schitterende mijlpaal voor de ware aanbidding bereikt. Omdat in die tijd zo’n veertig mensen de vergaderingen bezochten, gaf het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Australië toestemming de eerste gemeente in Samoa te vormen, en wel in Apia. Toen broeder Croxford later naar Engeland terugkeerde, nam de pasgedoopte Pele de leiding in de gemeente. De verkondigers waren onverschrokken en ijverig, maar ze waren ook jong in de waarheid en onervaren. Velen van hen moesten de Koninkrijksboodschap op een tactvoller en aantrekkelijker manier leren presenteren (Kol. 4:6). Anderen hadden hulp nodig om de nieuwe persoonlijkheid volledig aan te doen (Ef. 4:22-24). Gelukkig zou die hulp niet lang op zich laten wachten (Ef. 4:8, 11-16).
HULP VAN OVERZEE
In mei 1953 kwamen Ronald en Olive (Dolly) Sellars, een pioniersechtpaar uit Australië, om de gemeente Apia te ondersteunen. „Het Australische bijkantoor had tijdelijk het contact met de broeders en zusters verloren en ze maakten zich zorgen om hen”, schrijft Ron. „Omdat we hadden laten weten dat we bereid waren op de eilanden in de Grote Oceaan te dienen, vroegen ze ons om naar Samoa te gaan en als speciale pioniers met de pasgevormde gemeente samen te werken.”
Terwijl Ron en Dolly met een watervliegtuig naar Samoa vlogen, bereidden ze zich mentaal voor op de moeilijkheden waarmee zendelingen in afgelegen gebieden vaak te maken krijgen. „Wat een verrassing wachtte ons”, vertelt Ron. „Het eiland was bedekt met weelderige tropische plantengroei. Overal zagen we gelukkige, lachende mensen met een sterk en gezond lichaam. Kinderen dartelden rond huizen zonder muren, met een dak van palmbladeren en een schone koraalvloer. Niemand had haast of lette op de tijd. We waren, zo leek het, in het paradijs terechtgekomen.”
Ron en Dolly vonden onderdak bij het gezin van Pele en gingen onmiddellijk aan de slag. „Ik kwam bijna elke avond met de broeders samen om al hun vragen te beantwoorden”, zegt Ron. „Hoewel ze de grondleerstellingen van de Bijbel kenden, besefte ik al gauw dat ze heel wat veranderingen moesten aanbrengen om aan Gods maatstaven te voldoen. Om hen in die moeilijke periode te helpen, probeerden Dolly en ik extra geduldig te zijn en hun buitengewone liefde te tonen.” Jammer genoeg verzetten sommigen zich tegen die liefdevolle Bijbelse correctie en trokken ze zich geleidelijk van de gemeente terug. Anderen gaven echter blijk van nederigheid en reageerden goed op het onderwijs en de aanmoediging. Na verloop van tijd maakten ze geestelijke vorderingen, met het gevolg dat de gemeente gelouterd en gesterkt werd.
Ron en Dolly namen ook de leiding in de huis-aan-huisprediking. Tot die tijd hadden de meeste broeders en zusters alleen informeel getuigenis gegeven aan vrienden en buren. Nu ze net als de familie Sellars van deur tot deur gingen, troffen ze veel belangstelling aan. Ron schrijft: „Op een keer vroeg een geïnteresseerd dorpshoofd ons naar zijn dorp te komen om hem meer over het Koninkrijk te vertellen. Na de maaltijd ontspon zich een levendig gesprek over de Bijbel. Maar na een uur had het gesprek meer weg van een openbare lezing, want het aantal aanwezigen was opgelopen tot bijna vijftig — en dat zonder dat wij iets van een lezing hadden aangekondigd!” De verkondigers maakten dikwijls mee dat Bijbelstudies met twee of drie personen wel tien tot veertig toeschouwers trokken die nieuwsgierig waren naar het werk van Jehovah’s Getuigen.
Een dergelijke activiteit ontging natuurlijk niet aan de aandacht van de geestelijken van de christenheid. Toen de autoriteiten weigerden het visum van Ron en Dolly te verlengen, informeerde Ron bij de hoge commissaris naar de reden. „Hij vertelde ons”, zegt Ron, „dat bepaalde geestelijken bij de regering hadden geklaagd over onze prediking. Hij zei dat hij ons visum daarom alleen zou verlengen als we beloofden de gemeente niet langer met het predikingswerk te helpen. Dat weigerde ik. Ik vertelde hem ook dat hij er verstandig aan deed te bedenken dat niemand Gods werk kon tegenhouden. Lachend zei hij: ’We zullen nog wel zien wat er gebeurt als jullie weg zijn!’”
Vanaf dat moment deden de autoriteiten er alles aan om te voorkomen dat er buitenlandse Getuigen het land inkwamen. In 1953 slaagde Theodore Jaracz, die toen op het Australische bijkantoor diende en nu een lid is van het Besturende Lichaam, er toch in onopgemerkt Samoa te bezoeken om de gemeente aan te moedigen. „Zijn bezoek was echt een stimulans voor ons en verzekerde ons ervan dat we in geestelijk opzicht op de juiste weg waren”, vertelt Ron.
Niet lang daarna liep het visum van Ron en Dolly af, en ze vertrokken naar Amerikaans-Samoa. Ze hadden in de acht maanden die ze in Samoa hadden doorgebracht, echter veel gedaan om de plaatselijke broeders en zusters op te bouwen en stabiliteit te geven. En zonder dat de autoriteiten dat wisten, zouden er al gauw andere Getuigen komen om de plaats van de familie Sellars in te nemen.
GROEI IN APIA
In mei 1954 kwam de 23-jarige Richard Jenkins, een pasgedoopte, enthousiaste Australiër, in Apia aan. Hij vertelt: „Voordat ik uit Australië vertrok, kreeg ik de raad pas omgang te zoeken met de plaatselijke broeders en zusters als ik vast werk had gevonden. Maar na een paar maanden kreeg ik last van eenzaamheid en begon ik me geestelijk zwak te voelen. Dus besloot ik behoedzaam contact op te nemen met Pele Fuaiupolu.” De twee troffen elkaar ’s avonds laat onder dekking van de duisternis.
„Pele zei me dat hij me niet bij mijn echte naam zou noemen uit angst dat de autoriteiten me met de gemeente in verband zouden brengen en me het land uit zouden zetten”, vertelt Richard. „Dus gaf hij me de naam van zijn pasgeboren zoontje, Uitinese (zo spreken Samoanen ’witness’, het Engelse woord voor getuige, uit). De Samoaanse broeders en zusters noemen me nog steeds zo.”
Onder zijn nieuwe pseudoniem onderhield Richard onopvallend contact met de broeders en zusters. Ook gaf hij informeel getuigenis en richtte hij verschillende Bijbelstudies op. Een van zijn studies, Mufaulu Galuvao, een jonge man die als gezondheidsinspecteur werkte, werd later een lid van het Samoaanse bijkantoorcomité. Uiteindelijk werd ook Falema’a Tuipoloa, een andere Bijbelstudie, een Getuige, evenals een aantal leden van zijn gezin.
Weer een andere studie van Richard, de jonge Siemu Taase, was leider geweest van een dievenbende die goederen stal van de dienst openbare werken. Voordat Siemu echter geestelijke vorderingen kon maken, belandde hij vanwege zijn misdadige verleden in de gevangenis. Maar Richard liet zich niet uit het veld slaan en kreeg toestemming van de bewaker om zijn studie met Siemu voort te zetten. Ze studeerden onder een schaduwrijke mangoboom, zo’n honderd meter buiten de gevangenismuren. Na verloop van tijd ging een aantal andere gedetineerden meedoen met de studie.
„Hoewel we niet bewaakt werden,” vertelt Richard, „heeft geen van de gevangenen ooit een ontsnappingspoging gedaan, en verscheidenen van hen zijn in de waarheid gekomen.” Na zijn vrijlating uit de gevangenis diende Siemu uiteindelijk als ouderling.
In 1955 trouwde Richard met Gloria Green, een Australische pionierster. Ze hebben samen vijftien jaar in Samoa doorgebracht en 35 mensen geholpen de waarheid te leren kennen voordat ze naar Australië terugkeerden. Nu wonen ze in Brisbane, waar Richard in de plaatselijke Samoaanstalige gemeente als ouderling dient.
Een ander echtpaar uit Australië dat in die beginjaren te hulp kwam, waren William (Bill) en Marjorie (Girlie) Moss. Bill was een praktisch ingestelde ouderling en Girlie had 24 jaar ervaring in de pioniersdienst. Ze kwamen in 1956 in Apia aan. De gemeente Apia telde toen 28 verkondigers en had twee boekstudiegroepen: een in Apia en een in Faleasi’u. De daaropvolgende negen jaar werkten Bill en Girlie onvermoeibaar met de gemeente samen. Toen Girlies gezondheid in 1965 zo achteruit was gegaan dat ze zich gedwongen zagen naar Australië terug te keren, was de groep in Faleasi’u een zelfstandige gemeente geworden.
In die jaren wees de Samoaanse regering herhaaldelijk verzoeken om zendelingen het land in te laten, af. Het was duidelijk dat zij en de geestelijken hoopten dat Jehovah’s Getuigen vanzelf zouden verdwijnen. Maar het tegenovergestelde gebeurde. De Getuigen namen in aantal toe, en ze waren actief en ijverig. Ze waren niet meer weg te denken!
GROEI IN AMERIKAANS-SAMOA
Toen het visum van Ron en Dolly Sellars voor Samoa in 1954 bijna verlopen was, besloot Ron om een verblijfsvergunning voor Amerikaans-Samoa aan te vragen in plaats van naar Australië terug te keren. Ron schrijft: „Toen ik de procureur-generaal van Amerikaans-Samoa liet weten dat de Samoaanse regering onze visumaanvraag op religieuze gronden had afgewezen, zei hij: ’Meneer Sellars, in Amerikaans-Samoa hebben we vrijheid van godsdienst, en ik zal er persoonlijk op toezien dat u een visum krijgt.’”
Ron en Dolly kwamen op 5 januari 1954 in Pago Pago (Amerikaans-Samoa) aan. De procureur-generaal stelde als inreisvoorwaarde dat Ron zich regelmatig bij hem op kantoor zou melden, zodat hij Jehovah’s Getuigen beter kon leren kennen. Dat resulteerde in een aantal goede geestelijke gesprekken.
Later die maand kregen Ron en Dolly een uitnodiging om bij de procureur-generaal thuis te komen eten. Omdat ook de plaatselijke katholieke priester en de voorganger van de London Missionary Society waren uitgenodigd, ontspon zich een levendig gesprek over de Bijbel. „Aan het eind van de avond”, herinnert Ron zich, „bedankte de procureur-generaal ons allemaal voor onze komst, en hij zei: ’Tja, naar mijn mening hebben de heer en mevrouw Sellars de discussie van vanavond gewonnen.’ Kort daarna kregen we onze permanente verblijfsvergunning. Toen de procureur-generaal ons later liet weten dat de regering er niets op tegen zou hebben als er meer Getuigenzendelingen een visum zouden aanvragen, heb ik die informatie meteen doorgegeven aan het Australische bijkantoor.”
De eerste die in Amerikaans-Samoa zijn leven aan Jehovah opdroeg, was de negentienjarige Ualesi (Wallace) Pedro, van geboorte uit Tokelau. Lydia Pedro, een familielid van hem die in Fiji als speciale pionierster diende, had het boek „God zij waarachtig” bij Wallace’ oudere broer achtergelaten toen ze in 1952 op bezoek was. De jonge Wallace vond het boek in het huis van zijn broer en bestudeerde het grondig.
Nadat Ron en Dolly in 1954 met de familie Pedro in contact waren gekomen, studeerden ze met Wallace’ oudere broer en zus. Wallace geloofde in Jehovah God, maar aanvankelijk wilde hij niet meedoen met de studie omdat hij alle religies wantrouwde. Na een tijdje raakte hij er echter van overtuigd dat Jehovah’s Getuigen de waarheid hebben en begon hij geregeld de vergaderingen in Fagatogo te bezoeken. Hij maakte snel geestelijke vorderingen en werd op 30 april 1955 in de haven van Pago Pago gedoopt.
In januari 1955, amper een jaar nadat Ron en Dolly gearriveerd waren, bezochten al zeven personen de vergaderingen in hun bescheiden woning in Fagatogo. Ze hadden bijna geen meubels, dus iedereen zat op de vloer. Het duurde niet lang of drie van de nieuwelingen gingen met Ron en Dolly mee in de velddienst. Het was een klein begin, maar er stonden grootse dingen te gebeuren.
DE KOMST VAN GILEADZENDELINGEN
Op 4 februari 1955 arriveerden twee zendelingenechtparen uit de Verenigde Staten, Paul en Frances Evans en Gordon en Patricia Scott, in Amerikaans-Samoa. Ze betrokken het zendelingenhuis in Fagatogo, dat op een bruisende buurt uitkeek. Leonard (Len) Helberg, die dat jaar als kringopziener Pago Pago bezocht, beschrijft de omgeving:
„Het zendelingenhuis was een groot appartement boven een ouderwets warenhuis. Aan één kant van dat huis, ervan gescheiden door een beekje, lag een bar waar zeelieden ’s avonds hun vertier zochten. Als de zaak binnen uit de hand liep en de ruzies beneden op straat werden uitgevochten, mengde de plaatselijke politiechef, een kleine maar stevig gebouwde man, zich onder de herrieschoppers, zijn sigaar tussen zijn tanden geklemd, en deelde links en rechts klappen uit totdat de meute bedaard was. Uit een kerk pal naast de achtertuin schalden donderpreken. Vanaf de veranda aan de voorkant konden we zien hoe grote menigten zich één keer per maand, op betaaldag, bij de bank verzamelden. Missionarissen en zendelingen die van het hele eiland kwamen, zochten dan verwoed tussen al die mensen naar hun kerkleden om de tienden te innen voordat het geld op was.”
Er bleek in die levendige buurt veel belangstelling te bestaan voor geestelijke zaken. „Eén zendeling”, vertelt Len, „begon zijn dag door ’s ochtends om zes uur een Bijbelstudie te leiden in de kapperszaak aan de overkant van het plein, voordat de eigenaar met werken begon. Vervolgens studeerde hij met de bakker, waarna hij brood meebracht voor het ontbijt. Later op de dag studeerde diezelfde broeder op het stadsplein met een groep gevangenen uit de plaatselijke gevangenis.” Tegen het eind van het jaar leidden de zendelingen zo’n zestig Bijbelstudies met meer dan tweehonderd personen.
„VANAVOND FILM, GRATIS TOEGANG”
Eén reden voor die geweldige belangstelling was de film De Nieuwe-Wereldmaatschappij in actie.e De film — de eerste die door de organisatie gemaakt was na het „Photo-Drama der Schepping” bijna veertig jaar daarvoor — ging hoofdzakelijk over de wereldomvattende prediking en het drukken van lectuur en liet zien hoe Jehovah’s Getuigen georganiseerd waren. Tijdens een bezoek van vier weken aan Amerikaans-Samoa in 1955 vertoonde Len de film vijftien maal, voor een totaal aantal toeschouwers van 3227, gemiddeld 215 per voorstelling.
„Vóór elke voorstelling”, vertelt Len, „kondigden we de film aan door een rondrit te maken door de dorpen en iedereen die we tegenkwamen een uitnodiging toe te werpen. Tegelijkertijd riepen we: ’Vanavond film, gratis toegang’, gevolgd door de naam van het dorp waar de film vertoond zou worden.”
De film maakte een enorme indruk op de bevolking. Na de voorstelling wilde het publiek altijd meer weten over Jehovah’s Getuigen en hun leerstellingen. In plaats van te wachten tot de Getuigen terugkwamen, gingen veel geïnteresseerden rechtstreeks naar het zendelingenhuis, waar de zendelingen meerdere studies tegelijk leidden, in verschillende delen van het huis. De ene groep was nog niet weg of de volgende nam alweer plaats. „Jaren later”, herinnert Ron Sellars zich, „brachten de mensen Jehovah’s Getuigen nog steeds in verband met de schitterende dingen die ze in die film hadden gezien.”
VOLHARDING IN DE PREDIKING HEEFT RESULTAAT
Twee maanden na het bezoek van Len Helberg werd in Fagatogo de eerste gemeente van Jehovah’s Getuigen in Amerikaans-Samoa opgericht. Binnen een jaar was het aantal verkondigers in de gemeente van 14 tot 22 toegenomen. Omstreeks die tijd arriveerden er nog twee speciale pioniers uit Australië, Fred en Shirley Wegener, om de groeiende gemeente te ondersteunen. Fred dient nu als een lid van het Samoaanse landscomité.
Die verkondigers, pioniers en zendelingen waren „vurig van geest” (Rom. 12:11). „Als gevolg van de volharding van de verkondigers”, schrijft Len, „en de grote belangstelling voor de Bijbel in de gemeenschap, was er rond het midden van de jaren zestig in Fagatogo in elk huis wel op een of ander tijdstip een Bijbelstudie geleid. Ook werd elk huis op het eiland in die jaren één keer per maand bezocht.”
Die grondige predikingscampagne miste haar uitwerking niet. De geloofsopvattingen van de plaatselijke bevolking veranderden erdoor. Len vertelt: „Het werd gemeengoed dat het eeuwige leven zich hier op aarde afspeelt, dat er geen hel is en dat de doden zich van niets bewust zijn. Mensen hadden die grondwaarheden niet in hun kerk geleerd, maar van Jehovah’s Getuigen. Dat kwam doordat we op persoonlijke basis met hen spraken en met hen redeneerden aan de hand van hun eigen bijbel.”
Desondanks lieten de meeste mensen zich er door hun familie of door religieuze banden van weerhouden de dingen die ze leerden in praktijk te brengen. Anderen verkozen de losse moraal die door de kerken werd getolereerd boven de hoge morele maatstaven die van ware christenen worden verwacht. Toch waren er ook oprechte mensen die net als de reizende koopman in Jezus’ gelijkenis de waarheid als een parel van grote waarde bezagen en zich die eigen maakten. Veel van die oprechte eilanders namen moedig en vastberaden een standpunt voor de waarheid in (Matth. 13:45, 46).
GETUIGENIS GEVEN OP Z’N SAMOAANS
„Het was echt een genot om in die beginjaren de dienst in te gaan”, vertelt Caroline Pedro, een pionierster uit Canada die sinds 1960 met Wallace Pedro is getrouwd. „Bij bijna elk huis wilde er wel iemand over de Bijbel praten. Het was makkelijk om Bijbelstudies op te richten, en vaak deed het hele gezin mee.
Het was vooral een hele belevenis om in afgelegen dorpen te prediken. Gewoonlijk liepen er kinderen met ons mee van huis tot huis die heel aandachtig naar onze presentatie luisterden. Dan renden ze voor ons uit om de volgende huisbewoner te laten weten dat we eraan kwamen. Ze vertelden hem of haar zelfs waar we het over hadden en welke teksten we gebruikten! Om de dorpskinderen voor te zijn, bereidden we daarom verschillende presentaties voor.”
Tijdens de prediking letten de broeders en zusters er ook altijd op dat ze van goede manieren blijk gaven en zich aan de plaatselijke etiquette hielden (1 Kor. 9:20-23). Charles Pritchard, een voormalig zendeling die nu deel uitmaakt van het Nieuw-Zeelandse bijkantoorcomité, schrijft: „Vanwege het warme, tropische klimaat hebben de fale, de traditionele huizen in de dorpen, geen muren, zodat we direct konden zien of er iemand thuis was. Het was het toppunt van slechte manieren om iets te zeggen terwijl je nog stond of voordat de huisbewoner je officieel begroet had. Dus liepen we op een woning af en wachtten zwijgend tot de huisbewoner ons opmerkte. Dan legde hij of zij een schone mat op de kiezelvloer achter de deur. Dat was een uitnodiging om onze schoenen uit te doen, binnen te komen en in kleermakerszit op de mat plaats te nemen.” Het viel voor veel zendelingen niet mee om lang in die houding op de vloer te zitten. Gelukkig stond het plaatselijke gebruik hun toe hun benen en voeten te strekken en ze bescheiden met een mat af te dekken. Op die manier wezen ze niet met onbedekte voeten naar de huisbewoner, wat voor een Samoaan een grove belediging is.
„We werden gewoonlijk plechtig begroet door de huisbewoners, die verklaarden dat het voor hen een eer was dat wij onze Bijbelse boodschap naar hun bescheiden woning brachten”, zegt John Rhodes, die twintig jaar als zendeling in Samoa en Amerikaans-Samoa heeft gediend. „Daarna ging het gesprek over persoonlijke zaken: Waar komt u vandaan? Hebt u kinderen? Waar woont uw familie?”
Helen, de vrouw van John, voegt eraan toe: „We spraken de huisbewoner altijd met de beleefdheidsvormen aan die bij officiële gelegenheden gebruikelijk zijn. Die respectvolle taal verleende zowel aan de huisbewoner als aan onze Bijbelse boodschap waardigheid.”
„Door die inleidende gesprekjes”, zegt Caroline Pedro, „raakten we vertrouwd met de mensen en hun familie, en zij met ons. Daardoor konden we beter in hun geestelijke behoeften voorzien.”
Na zich op die manier te hebben voorgesteld, konden de verkondigers over de Koninkrijksboodschap beginnen. „De mensen bleven gewoonlijk luisteren totdat wij ophielden met praten”, vertelt ex-zendeling Robert Boies. „Ze herhaalden dan veel van wat we gezegd hadden om aan te geven dat ze onze boodschap belangrijk vonden.”
Omdat mensen goed thuis waren in de Bijbel, waren lange gesprekken over Bijbelse leerstellingen heel gewoon. „Die gesprekken verdiepten mijn begrip van allerlei Bijbelse onderwerpen”, zegt Caroline Pedro. De meeste huisbewoners namen graag lectuur. Na verloop van tijd leerden de verkondigers het verschil herkennen tussen degenen die alleen maar nieuwsgierig waren en degenen die oprecht geïnteresseerd waren in geestelijke dingen.
Veel pasgeïnteresseerden die de vergaderingen gingen bezoeken, stonden te popelen om mee te gaan in de dienst. „Samoanen zijn van nature goed van de tongriem gesneden,” zegt John Rhodes, „en veel nieuwelingen konden zonder veel oefening hun geloof overtuigend aan anderen bekendmaken. Toch moedigden we hen aan de gedrukte suggesties voor de prediking op te volgen en aan de hand van de Bijbel met mensen te redeneren in plaats van alleen op hun natuurlijke spreekvaardigheid te vertrouwen.” Zo’n goede opleiding resulteerde uiteindelijk in heel wat bekwame evangeliepredikers.
DE UITWERKING VAN LECTUUR IN HET SAMOAANS
Hoewel veel Samoanen vloeiend Engels spreken, zijn er ook voor wie dat niet geldt. Om het hart van die waarheidlievende eilanders te bereiken, vertaalde Pele Fuaiupolu in 1954 vier traktaten in het Samoaans. Pele bleef voor die taal jarenlang de voornaamste vertaler van de organisatie. Vaak werkte hij tot diep in de nacht. Hij zat dan bij het licht van een petroleumlamp op een ouderwetse schrijfmachine zijn vertaling te typen.
Daarnaast zorgde Pele voor zijn vrouw en acht kinderen, nam hij de leiding in gemeenteactiviteiten en werkte hij vijfenhalve dag per week als inspecteur van cacaoplantages op het eiland. „Tijdens die jaren van onvermoeibare activiteit”, schrijft Len Helberg, „zocht Pele nooit erkenning en viste hij niet naar complimenten. Integendeel, hij was enorm dankbaar voor het voorrecht door Jehovah gebruikt te worden. Zijn loyaliteit, nederigheid en ijver maakten hem tot een geweldige Getuige, voor wie we allemaal diepe liefde en bewondering koesterden.”
In 1955 verspreidden de verkondigers 16.000 exemplaren van de brochure „Dit goede nieuws van het koninkrijk” in het Samoaans. De 32 bladzijden tellende brochure was een ideaal hulpmiddel om Bijbelstudies op te richten en te leiden, omdat ze in eenvoudige taal was geschreven en de grondleerstellingen van de Bijbel op een simpele manier uitlegde. Richard Jenkins schrijft: „Als nieuwelingen de brochure een paar keer hadden doorgenomen, konden ze gedoopt worden. We waren er dolblij mee!” Er volgden al snel andere brochures in het Samoaans.
De Wachttoren werd in 1958 voor het eerst in het Samoaans uitgegeven. Fred Wegener, die van beroep drukker was, produceerde het tijdschrift door losse, gestencilde blaadjes aan elkaar te nieten. Later werd het tijdschrift in de Verenigde Staten gedrukt, en nog weer later in Australië. Verscheidene van onze publicaties verschenen, nadat ze vertaald waren, in maandelijkse afleveringen in de Samoaanse editie van De Wachttoren. Vanaf het begin van de jaren zeventig werden complete boeken in het Samoaans uitgegeven, wat er veel toe bijdroeg het predikingswerk te bespoedigen.
Er zijn heel wat boeken van de organisatie op de Samoa-eilanden verspreid. Toen de verkondigers in 1955 het boek U kunt Armageddon overleven en Gods nieuwe wereld binnengaan verspreidden, werd er bij de meeste gezinnen in Amerikaans-Samoa een achtergelaten. „De mensen lazen wel in hun bijbel, maar het gros had nog nooit van Armageddon gehoord”, schrijft Wallace Pedro. „Maar nadat gezinnen dit boek hadden gelezen, kondigden kinderen onze komst in het dorp vaak aan door ’Daar komt Armageddon!’ te roepen. Sommige ouders noemden hun kind zelfs Armageddon.”
Het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt, dat in 1972 in het Samoaans werd uitgegeven, had zo’n zelfde uitwerking. De meeste zendelingen verspreidden in het begin elke maand twee of meer dozen met boeken aan een gretig publiek. „De mensen spraken ons aan op de markt”, weet Fred Wegener nog, „en hingen zelfs uit het raam van de bus omdat ze een Waarheid-boek wilden hebben.”
GESTERKT DOOR GROTE VERGADERINGEN
In juni 1957 werd er tot groot enthousiasme van de broeders en zusters voor het eerst een kringvergadering gehouden in Pago Pago (Amerikaans-Samoa). Verkondigers waren met de boot uit Samoa gekomen om het programma bij te wonen. Omdat de broeders en zusters graag zo veel mogelijk mensen wilden uitnodigen, hadden ze de kringvergadering uitgebreid aangekondigd in zowel het Engels als het Samoaans. De zestig verkondigers in Samoa en Amerikaans-Samoa waren dan ook heel blij dat er bij de openingslezing op vrijdag 106 personen aanwezig waren.
Wel kwam het als gevolg van de Samoaanse cultuur en de nieuwsgierigheid van de toeschouwers in de lunchpauze tot onverwachte situaties. „Eten is een belangrijk onderdeel van de Samoaanse cultuur,” schrijft Ron Sellars, „en het is gebruikelijk om toevallige voorbijgangers uit te nodigen om mee te eten. Maar toen de broeders en zusters grote aantallen nieuwsgierige toeschouwers uitnodigden om tussen de middag mee te eten, zadelden ze de afdeling Voedsel opeens met heel wat werk op, want die had slechts genoeg eten klaargemaakt voor de vergaderde broeders en zusters.”
Toch vormden die lunchpauzes ook een geweldig getuigenis voor buitenstaanders. In Samoa is het de gewoonte dat de mannen bij speciale gelegenheden vóór de vrouwen en de kinderen eten. Buitenlanders en religieuze voorgangers zitten meestal apart en krijgen het beste deel. Maar de toeschouwers zagen op de kringvergadering dat buitenlandse zendelingen en inheemse gezinnen gezellig samen zaten te eten, als gelijken. De liefde en eenheid onder Jehovah’s volk waren voor iedereen duidelijk te zien.
Door grote vergaderingen als deze werden de verkondigers aangemoedigd en opgeleid. Maar dat niet alleen: ze bereidden hen ook voor op de ernstige beproevingen die al snel zouden komen.
AFVAL IN APIA
Hoewel er op de eilanden een aanmoedigende groei plaatsvond, doemden er tegelijkertijd problemen op in Samoa. Verscheidene personen verzetten zich onder aanvoering van een matai (familiehoofd) met een sterke eigen mening tegen theocratische richtlijnen en zaaiden onrust in de gemeente Apia. Omdat de vergaderingen in het huis van die matai gehouden werden, namen de spanningen in de gemeente gestaag toe.
Ten slotte splitsten de weerspannigen zich in 1958 af en richtten ze een eigen studiegroep op. Douglas Held, die destijds op het Australische bijkantoor diende en op dat moment Fiji bezocht, stak over naar Samoa om te proberen de ontevredenen te helpen. Hoewel de getrouwen in de gemeente enorm werden aangemoedigd door zijn weloverwogen Bijbelse raad, koos een kwart van degenen die daar toen de vergaderingen bezochten de kant van de weerspannigen. Verscheidenen van hen vielen later ten prooi aan hun eigen onbuigzame trots en moesten uit de gemeente gesloten worden.
Maar het werd al snel duidelijk wie Jehovah’s geest hadden. De opstandige groep viel ten slotte uiteen en er bleef niets van over. De gemeente Apia daarentegen had dat jaar een toename van 35 procent in het aantal verkondigers. Nadat de broeders en zusters tijdelijk in het huis van Richard en Gloria Jenkins in de buurt van het ziekenhuis van Apia hadden vergaderd, verhuisde de gemeente ten slotte naar het huis van Maatusi Leauanae in Faatoia bij Apia. Daar heerste een heerlijk warme sfeer van liefde en samenwerking onder de verkondigers. Later werd, met financiële steun van een gemeente in Sydney (Australië), op het stuk grond van Maatusi de eerste Koninkrijkszaal in Apia gebouwd.
AANMOEDIGENDE OMGANG
De gemeente Apia werd in 1959 nog verder gesterkt toen de Samoaanse regering vijf zendelingen uit Amerikaans-Samoa toestemming gaf de eerste kringvergadering in Apia bij te wonen. Iedereen was opgetogen dat er 288 aanwezigen waren en er tien personen werden gedoopt! Twee jaar later was de gemeente gastheer van het eerste districtscongres in Samoa, dat gehouden werd in een oud Duits ziekenhuis dat naast een pension met de naam ’Het witte paard’ lag. Sommige afgevaardigden voor dit historische congres kwamen zelfs helemaal uit Nieuw-Zeeland.
Zulke bijeenkomsten boden de broeders een waardevolle opleiding in congresorganisatie. Dus toen de Samoaanse regering later reizende opzieners en zendelingen de toegang tot het land ontzegde, konden de broeders zelf hun grote vergaderingen organiseren. In 1967 voerden ze zelfs een volledig gekostumeerd Bijbels drama op: een primeur voor Samoa. Dat drama, dat over Gods voorziening van de toevluchtssteden in het oude Israël ging en een uur duurde, bleef de aanwezigen nog lang bij.
In die jaren trokken de verkondigers in Samoa ook voordeel van congressen in Amerikaans-Samoa en Fiji, al kostte het heel wat moeite en vroeg het aanzienlijke offers om ze te bezoeken. Wie bijvoorbeeld een districtscongres in Fiji wilde bezoeken, moest niet alleen de reis en zijn voedsel betalen, maar was misschien ook wel een hele maand weg uit Samoa.
VOORUITGANG IN AMERIKAANS-SAMOA
Tot enthousiasme van de broeders en zusters in Amerikaans-Samoa vond in 1966 in Pago Pago de „Gods zonen der bevrijding”-districtsvergadering plaats. Dat historische congres trok 372 afgevaardigden uit acht taalgroepen, uit Australië, Fiji, Nieuw-Caledonië, Nieuw-Zeeland, Niue, Samoa, Tahiti, Tonga en Vanuatu (vroeger de Nieuwe Hebriden). Door die bonte, veeltalige menigte veranderde de verhouding van Getuigen op plaatselijke inwoners in de congresstad in één op de 35, en dat terwijl de plaatselijke gemeente maar 28 verkondigers telde!
Hoe moest dat handjevol verkondigers al die bezoekers onderbrengen? „Het was niet moeilijk onderdak te vinden voor de vele afgevaardigden die kwamen”, vertelt Fred Wegener. „De plaatselijke bevolking was gastvrij en maar al te bereid de broeders en zusters te huisvesten, tot groot ongenoegen van de geestelijke leiders.”
Het congres had een fantastische uitwerking op de gemeente Pago Pago. Binnen een half jaar was het bezoekersaantal op de vergaderingen met 59 procent gestegen en kwamen veel nieuwelingen ervoor in aanmerking verkondigers van het goede nieuws te worden. „Het was voor de gemeente ook een stimulans om een geschiktere vergaderplaats te bouwen”, schrijft Ron Sellars. Nu was er op het eiland Tutuila, waar Pago Pago ligt, weinig bouwgrond beschikbaar. Maar een plaatselijke verkondiger was zo vriendelijk de gemeente een pachtcontract van dertig jaar aan te bieden voor een stuk grond ten westen van de stad, bij Tafuna.
„Het stuk grond lag onder zeeniveau,” zegt Fred Wegener, „dus was de gemeente drie maanden hard aan het werk om stukken lava te verzamelen om de fundering op te hogen.”
Toen het zover was dat de betonnen vloer gegoten kon worden, mochten de Getuigen van de plaatselijke katholieke priester, die regelmatig De Wachttoren en Ontwaakt! las, de betonmolen van de kerk lenen. „Die priester”, schrijft Ron Sellars, „las later een Ontwaakt!-artikel over het huwelijk en zei direct het priesterschap vaarwel om te trouwen.”
Het Koninkrijkszaalproject werd royaal ondersteund door broeders en zusters van overzee. Gordon en Patricia Scott, die als twee van de eerste zendelingen in Amerikaans-Samoa hadden gediend maar inmiddels naar de Verenigde Staten waren teruggekeerd, doneerden stoelen van hun gemeente voor de nieuwe zaal. „Door de stoelen die over waren vervolgens aan de plaatselijke bioscoop te verkopen,” zegt Ron Sellars, „konden we de kosten van het verschepen van de stoelen betalen!” De nieuwe Koninkrijkszaal in Tafuna, met 130 zitplaatsen, werd in 1971 voltooid en ingewijd. Later werd er boven de zaal nog woonruimte voor zendelingen gebouwd.
SAMOA OPENT ZIJN DEUREN
Tot 1974 werd het werk in Samoa belemmerd door overheidsrestricties die het voor zendelingen van de Getuigen onmogelijk maakten het land binnen te komen. In dat jaar namen verantwoordelijke inheemse broeders persoonlijk contact op met de premier om de zaak te bespreken. Een van die broeders, Mufaulu Galuvao, schrijft: „Tijdens het gesprek bleek dat een regeringsambtenaar op eigen houtje een comité had opgericht dat alle aanvragen van zendelingen beoordeelde. Dat comité, dat uit religieuze tegenstanders van ons bestond, verwierp onze visumaanvragen altijd gelijk zonder de premier daar zelfs maar in te kennen.
De premier was zich dus al die tijd van geen kwaad bewust geweest. Hij gaf het hoofd van de immigratiedienst dan ook meteen bevel hem het dossier over Jehovah’s Getuigen te brengen. In onze aanwezigheid ontbond hij het zelfbenoemde comité en gaf hij Paul en Frances Evans een zendelingenvisum voor drie jaar met de mogelijkheid van verlenging.” Wat een opwindend nieuws! Na negentien jaar stug proberen kwamen ze eindelijk als officieel erkende zendelingen Samoa binnen!
Paul en Frances woonden eerst bij Mufaulu Galuvao en zijn gezin in, maar toen John en Helen Rhodes in 1977 arriveerden, namen de twee echtparen hun intrek in een pas gehuurd zendelingenhuis in Vaiala bij Apia. Later kwamen er meer zendelingen, zoals Robert en Betty Boies in 1978, David en Susan Yoshikawa in 1979 en Russell en Leilani Earnshaw in 1980.
WENNEN AAN HET LEVEN OP EEN EILAND
Getuigen uit andere landen die in de loop van de jaren naar Samoa zijn verhuisd, kwamen er al snel achter dat ook in dit paradijs het leven zijn problemen kent. Een zo’n probleem is vervoer. „Tijdens de eerste twee jaar van onze zendingsdienst in Apia”, schrijft John Rhodes, „moesten we vaak lange afstanden lopen om de vergaderingen te bezoeken en in de dienst te gaan. We maakten ook gebruik van de populaire en kleurrijke eilandbussen om ergens te komen.”
Die uitbundig versierde voertuigen bestaan in de regel uit een houten cabine die op de laadbak van een kleine tot middelgrote truck is bevestigd. De opeengepakte passagiers hebben van alles bij zich, van landbouwgereedschappen tot verse producten. Harde muziek en vrolijk gezang maken de feestvreugde compleet. Aan haltes, dienstregelingen en busroutes wordt niet erg strikt de hand gehouden. „De bus naar Vavau”, stelt één reisgids, „is altijd punctueel: hij arriveert als hij aankomt.”
„Als we onderweg iets wilden kopen,” zegt John, „vroegen we de chauffeur gewoon om te stoppen. Als we klaar waren, stapten we weer in de bus en vervolgden we onze reis. Niemand maakte zich overigens druk om het oponthoud.”
Zat de bus vol, dan gingen nieuwe passagiers gewoon op schoot zitten bij degenen die al een plaatsje hadden. De zendelingen leerden dan ook al snel om hun vrouw op schoot te nemen. Aan het eind van de rit betaalden kinderen en volwassenen vaak voor de reis met een muntje dat ze uit hun oor visten: een handige opbergplek!
De zendelingen en de verkondigers maakten gebruik van vliegtuigen en kleine boten om tussen de eilanden op en neer te reizen. Reizen kon gevaarlijk zijn, vertraging was onvermijdelijk. „We moesten leren geduld te oefenen en ons gevoel voor humor te bewaren”, zegt Elizabeth Illingworth, die jarenlang haar man, Peter, op de eilanden in de Stille Zuidzee vergezelde in de kringdienst.
Aan land konden hevige regens het reizen bemoeilijken, vooral in het cyclonenseizoen. Toen Geoffrey Jackson als zendeling probeerde een opgezwollen rivier over te steken op weg naar de gemeenteboekstudie, gleed hij uit en tuimelde zo de woeste stroom in. Druipnat en onder de modder vervolgde hij zijn tocht. Op het boekstudieadres aangekomen, werd hij door het gastgezin afgedroogd en in een lange zwarte lavalava (een Polynesische wikkelrok) gestoken. Zijn medezendelingen hadden moeite hun lachen in te houden toen een pasgeïnteresseerde hem voor een katholieke priester hield! Broeder Jackson dient nu als een lid van het Besturende Lichaam.
Andere moeilijkheden die nieuwaangekomenen moesten overwinnen, waren het leren van een nieuwe taal, het wennen aan de voortdurende tropische hitte, het omgaan met onbekende ziekten en kwalen, het ontbreken van moderne gemakken, en de horden stekende insecten. „De zendelingen offerden zich echt voor ons op,” schrijft Mufaulu Galuvao, „met het gevolg dat veel dankbare ouders hun kinderen vernoemden naar die dierbare broeders en zusters die ons zo liefdevol bijstonden.”
SAVAI’I HOORT HET GOEDE NIEUWS
Laten we nu onze aandacht richten op het grootste en meest ongerepte van de Samoa-eilanden: Savai’i. Het eiland is grotendeels onbewoond en heeft hoge bergen, een grillige vulkanische bergketen met zo’n 450 kraters, bijna ondoordringbare jungles en ruige lavavelden. De meeste bewoners wonen in kleine dorpjes langs de kust. In 1955 kwam Savai’i voor het eerst in aanraking met het goede nieuws toen Len Helberg en een groep verkondigers van het eiland Upolu een kort bezoek brachten om de film De Nieuwe-Wereldmaatschappij in actie te vertonen.
Zes jaar later kregen twee zendelingenzusters, Tia Aluni (de eerste Samoaanse die Gilead had bezocht) en Ivy Kawhe (haar partner), de uitnodiging om van Amerikaans-Samoa naar Savai’i te verhuizen. Ze kwamen in 1961 aan en vonden onderdak bij een bejaard echtpaar in Fogapoa, een dorp aan de oostkant van het eiland. Later sloot een andere zuster zich een tijdje bij hen aan, een speciale pionierster die vroeger op Savai’i had gewoond. Om de nieuwgevormde groep van zes tot acht personen aan te moedigen en te ondersteunen, brachten broeders uit Apia eens per maand een bezoek en hielden dan een openbare lezing. Die vergaderingen werden gehouden in een kleine fale in Fogapoa.
Tia en Ivy bleven op Savai’i tot ze in 1964 aan een ander eiland werden toegewezen. De volgende tien jaar was er weinig geestelijke activiteit op Savai’i. Maar vanaf 1974 verhuisden er enkele gezinnen naartoe om het werk nieuw leven in te blazen. Tot hen behoorden Risati en Mareta Segi, Happy en Maota Goeldner-Barnett, Faigaai Tu, Palota Alagi, Kumi Falema’a (later Thompson), en Ron en Dolly Sellars, die uit Amerikaans-Samoa kwamen. De kleine groep die gevormd werd in Fogapoa kwam bijeen in de fale van de familie Segi, die vlak bij het strand stond. Later werd daar in de buurt een zendelingenhuis en een Koninkrijkszaal gebouwd. Na verloop van tijd werd in Taga, een dorp aan de westkust van Savai’i, een tweede groep gevormd.
Vanaf 1979 werden er meer zendelingenechtparen aan Savai’i toegewezen om de plaatselijke verkondigers te helpen, onder wie Robert en Betty Boies, John en Helen Rhodes, Leva en Tenisia Faai’u, Fred en Tami Holmes, Brian en Sue Mulcahy, Matthew en Debbie Kurtz en Jack en Mary Jane Weiser. Nu de zendelingen in de dienst een goed voorbeeld gaven, ging het werk op Savai’i langzaam maar zeker vooruit.
Maar tradities en familiebanden hielden de bewoners van Savai’i stevig in hun greep. In wel een derde van de dorpen werd het Jehovah’s Getuigen verboden te prediken, en in sommige werd zelfs een radioboodschap van die strekking uitgezonden. Het kostte dan ook veel tijd en moeite om nieuwelingen te helpen vorderingen te maken. Toch kwamen er heel wat mensen in de waarheid, onder wie enkelen met ernstige gezondheidsproblemen.
ZIJ DIENEN JEHOVAH ONDANKS GEZONDHEIDSPROBLEMEN
Metusela Neru was zo iemand. Op zijn twaalfde was hij van een paard gevallen en had hij zijn rug gebroken. „Na dat ongeluk”, vertelt een zendeling, „liep hij helemaal voorovergebogen, en hij had altijd pijn.” Metusela ging op zijn negentiende de Bijbel bestuderen en verduurde vastberaden de tegenstand van zijn familie. Vanwege zijn handicap was de wandeling naar de gemeentevergaderingen, die normaal vijf minuten zou duren, voor hem een kwelling van drie kwartier. Desondanks maakte hij goede vorderingen, en hij werd in 1990 gedoopt. Later ging hij in de volletijddienst als gewone pionier en kwam hij ervoor in aanmerking als ouderling te dienen. Sindsdien hebben meer dan dertig familieleden van hem de vergaderingen in Faga bezocht en enkele hebben zich laten dopen. Ondanks zijn aanhoudende gezondheidsproblemen staat Metusela bekend om zijn brede glimlach en zijn goede humeur.
Iemand anders die ondanks ernstige gezondheidsproblemen geestelijke vorderingen maakte, was Saumalu Taua’anae. Hij was door lepra zwaar misvormd en woonde in het afgelegen dorp Aopo. Omdat zijn dorp zo afgelegen was, bestudeerde hij de Bijbel eerst per brief met Ivan Thompson. Later verhuisde Asa Coe, een speciale pionier, naar Savai’i en nam de studie over. Toen Saumalu in 1991 zijn eerste vergadering bezocht, moest hij daarvoor twee uur rijden naar Taga, een dorp aan de andere kant van het eiland.
Saumalu was zich zo sterk bewust van zijn misvormde uiterlijk dat hij, toen hij voor het eerst een speciale dagvergadering bezocht, vanuit zijn auto naar het programma luisterde. Maar hij was erg geroerd toen broeders en zusters in de middagpauze liefdevol naar hem toekwamen en hem hartelijk welkom heetten. Hij ging dankbaar op hun vriendelijke uitnodiging in en zat de rest van het programma tussen het publiek.
Al snel begonnen Saumalu en zijn vrouw, Torise, de vergaderingen in Faga te bezoeken — ruim een uur heen en ruim een uur terug. Saumalu werd in 1993 gedoopt en kwam er na een tijdje voor in aanmerking dienaar in de bediening te worden. Toen artsen later een van zijn benen hadden geamputeerd, kwam hij nog steeds met de auto naar de vergaderingen. Jehovah’s Getuigen mogen in zijn dorp niet prediken, dus geven Saumalu en Torise ijverig informeel getuigenis en telefoongetuigenis.
Tegenwoordig wonen ze in Apia, waar Saumalu regelmatig behandeld wordt voor zijn vele gezondheidsproblemen. Hij is niet verbitterd, maar staat juist bekend om zijn positieve, optimistische kijk op het leven. Zowel hij als zijn vrouw oogsten veel respect vanwege hun krachtige geloof.
BEPROEVINGEN IN TOKELAU
Tokelau, dat ten noorden van Samoa ligt en uit drie afgelegen atollen bestaat, hoorde de Koninkrijksboodschap voor het eerst in 1974. In dat jaar keerde Ropati Uili, een arts, naar Tokelau terug nadat hij zijn medische opleiding in Fiji had afgerond. Zijn vrouw, Emmau, was een gedoopte Getuige, en hij had in Fiji kort met de Getuigen gestudeerd.f
Ropati kwam er in Tokelau achter dat een andere arts en zijn vrouw, Iona en Luisa Tinielu, gedoopte Getuigen waren. Hij ontmoette ook een geïnteresseerde, Nanumea Foua, die Jehovah’s Getuigen in de familie had. De drie mannen organiseerden geregelde vergaderingen en openbare lezingen, die al gauw door gemiddeld 25 personen bezocht werden. Ook begonnen de drie en hun gezinnen informeel getuigenis te geven aan anderen.
Maar niet iedereen was blij met die theocratische activiteit. Op aanstichting van een predikant van de London Missionary Society moesten de drie gezinshoofden voor de raad van oudsten van het eiland verschijnen. „Ze gaven ons bevel onze vergaderingen te staken”, vertelt Ropati, „en zeiden dat als we niet gehoorzaamden, ze ons levend in onze huizen zouden verbranden of ons op een vlot de oceaan op zouden sturen. We probeerden aan de hand van de Bijbel met hen te redeneren, maar ze waren niet voor rede vatbaar. Ze wilden koste wat het kost hun gezag doen gelden.” Op het horen van dat ultimatum besloten de gezinnen voortaan onopvallend bijeen te komen om niet de aandacht te trekken.
Die tegenstand was echter pas het begin van hun moeilijkheden. Twaalf jaar later, toen Ropati’s zus en zwager de waarheid aanvaardden en zich uit hun kerk lieten uitschrijven, verbanden de dorpsoudsten alle Getuigen uit het dorp. „Die avond”, schrijft Ropati, „pakte elk gezin zijn persoonlijke bezittingen, laadde die in kleine boten en vluchtte naar het grootste dorp op het eiland. Hun huizen en plantages werden door hun vroegere buren geplunderd.”
Ondanks die vervolging bleven de verkondigers moedig bijeenkomen voor de aanbidding. „De gezinnen deden of ze een weekendje uitgingen”, vertelt Ropati. „Ze peddelden dan op zaterdagochtend naar een afgelegen eilandje en op zondagavond gingen ze na de vergadering weer naar huis.” In die tijd ondernamen enkele gezinnen ook de lange, zware boottocht van Tokelau naar Samoa om de jaarlijkse districtscongressen bij te wonen.
Maar de niet-aflatende tegenstand dwong deze gezinnen uiteindelijk om naar Nieuw-Zeeland te emigreren. Zodoende waren er in 1990 geen Getuigen meer op de atollen. Wel studeerde Ivan Thompson, die toen in Apia pionierde, nog via de post met Lone Tema, een jonge man die in Tokelau woonde. Lone maakte goede geestelijke vorderingen en dient nu als ouderling in Australië.
Later keerden verscheidene verkondigers naar Tokelau terug. Geoffrey Jackson, die destijds op het bijkantoor van Samoa diende, probeerde tevergeefs een onderhoud te regelen met de Nieuw-Zeelandse gevolmachtigde voor Tokelauaanse zaken om de problemen waarmee Jehovah’s Getuigen op de atollen te maken hadden, aan te kaarten. „Ik kreeg wel toestemming Tokelau te bezoeken in mijn functie als taalkundige”, schrijft Geoff. „Onderweg nodigde de kapitein van het schip me uit om samen met hem en een andere man in de officiersmess wat te gebruiken. Laat die man nu net de gevolmachtigde voor Tokelauaanse zaken zijn met wie we contact hadden proberen te leggen! We spraken ruim een uur met elkaar. Aan het eind van ons gesprek bedankte hij me en beloofde hij al het mogelijke te doen om de druk op onze broeders en zusters in Tokelau te verlichten.”
Het werk van Jehovah’s Getuigen in Tokelau ondervindt in deze tijd nog steeds tegenstand van officiële zijde. Toen het jongste kind van Fuimanu en Hatesa Kirifi in 2006 stierf en Fuimanu een Bijbelse lezing hield bij de begrafenis, dreigde de raad van oudsten Fuimanu en zijn gezin van het eiland te verbannen. Later werd Fuimanu bedreigd toen hij weigerde werk te verrichten aan de plaatselijke kerk, en hij en zijn vrouw zijn onder druk gezet om mee te doen aan politieke activiteiten. Maar zowel hij als zijn gezin stonden vast in het geloof. Hun geloof is er alleen maar krachtiger op geworden. Zoals Fuimanu zegt: „We hebben geleerd in onze beproevingen op Jehovah te vertrouwen” (Jak. 1:2-4). Ze hebben ervaren dat Jehovah zijn trouwe aanbidders niet in de steek laat (Deut. 31:6).
JEHOVAH ZEGENT DE GEESTELIJKE GROEI
Sinds het goede nieuws Samoa bereikte, hebben verschillende bijkantoren toezicht uitgeoefend op het Koninkrijkswerk daar. Op dit moment draagt een hardwerkend landscomité van vier broeders onder leiding van het bijkantoor in Australië de zorg voor het werk op de Samoa-eilanden. In de loop van de jaren hebben de broeders en zusters in Samoa veel moeite gedaan om zelfs de meest afgelegen gebieden met de Koninkrijksboodschap te bereiken. Tijdens periodieke predikingsacties in Amerikaans-Samoa zijn het verre Swain’s Island en de Manua Islands bewerkt, die respectievelijk op ruim driehonderd kilometer ten noorden en honderd kilometer ten oosten van het eiland Tutuila liggen. Bij dergelijke acties hebben verkondigers honderden stuks lectuur achtergelaten en zijn er bij geïnteresseerden tientallen Bijbelstudies opgericht. Andere verkondigers hebben moeite gedaan hun plaatselijke gebied te vergroten door tot mensen te prediken die een andere taal spreken.
ER WORDT MEER ENERGIE GESTOKEN IN VERTALEN
Naarmate het aantal verkondigers toenam, groeide ook de behoefte aan lectuur in het Samoaans. Om in die behoefte te voorzien, werden Geoffrey Jackson en zijn vrouw, Jenny, in 1985 van hun zendingstoewijzing in Tuvalu overgeplaatst naar het bijkantoor van Samoa. Geoff werd aangesteld als opziener van het tweekoppige Samoaanse vertaalteam. „Eerst”, vertelt hij, „werkten de vertalers aan tafels in de eetzaal van Bethel. Elke ochtend ruimden ze de ontbijtboel op voordat ze met hun vertaalwerk konden beginnen. Vervolgens legden ze om even voor twaalven hun vertaalspullen opzij om de tafels te gaan dekken voor het middageten. Naderhand maakten ze de tafels weer schoon zodat ze verder konden met hun werk.”
Die voortdurende onderbreking kwam de productiviteit niet ten goede. Ook was het vertaalproces zelf arbeidsintensief en tijdrovend. „De vertaling werd meestal met de hand geschreven en dan uitgetikt”, herinnert Geoff zich. „Elk manuscript werd tijdens het proeflezen en corrigeren een aantal malen overgetikt voordat het klaar was om gedrukt te worden.” Toen het bijkantoor in 1986 zijn eerste computer aanschafte, kwam veel van dat eentonige werk te vervallen. Andere gecomputeriseerde hulpmiddelen hebben het vertaal- en drukproces nog verder versneld.
Er is vooral veel moeite gedaan om De Wachttoren en Ontwaakt! te vertalen en uit te geven. Vanaf januari 1993 verschijnt De Wachttoren in het Samoaans simultaan met de Engelse uitgave — in vier kleuren nog wel! In 1996 werd vervolgens een driemaandelijkse uitgave van Ontwaakt! in het Samoaans geïntroduceerd. „Toen Ontwaakt! voor het eerst werd uitgegeven,” vertelt Geoff, „werd dat niet alleen in de krant en op de radio aangekondigd, maar ook tijdens het nieuws op de nationale televisie.”
Op dit moment voorziet een groep vertalers in Samoa in de behoeften van het Samoaanse veld. Net als andere vertaalteams over de hele wereld hebben deze hardwerkende vertalers verdere opleiding gekregen in hun begrip van de Engelse taal en in vertaaltechnieken, waardoor ze nauwkeuriger en doeltreffender kunnen vertalen.
HET BIJKANTOOR MOET WORDEN UITGEBREID
Toen Milton G. Henschel in 1986 als zoneopziener Samoa bezocht, was het duidelijk dat het zendelingenhuis in Sinamoga te klein was geworden om in de groeiende behoeften van het bijkantoor te voorzien. Het Besturende Lichaam stuurde daarom broeders van het Bouwbureau in Brooklyn en het Regionale bouwkantoor in Australië naar Samoa om te bepalen hoe groot het nieuwe Bethelhuis moest worden. Wat was hun advies? Ze raadden aan een stuk grond van drie hectare bij Siusega te kopen, vijf kilometer landinwaarts vanaf Sinamoga, om een nieuw Bethelcomplex te bouwen. Was het nieuwe complex eenmaal klaar, dan kon het oude Bethelhuis in Sinamoga afgebroken worden om plaats te maken voor een congreshal.
In 1990 werd met de bouw van het nieuwe bijkantoor begonnen, en het bleek echt een internationale onderneming te zijn! In totaal 44 internationale dienaren, 69 internationale vrijwilligers, 38 inheemse fulltimevrijwilligers en heel wat tijdelijke werkers zetten eensgezind hun schouders onder het project. Maar net toen de bouw goed op gang was, sloeg het onheil toe.
DOOR EEN RAMP GETROFFEN!
Op 6 december 1991 bereikte de cycloon Val, een van de krachtigste wervelstormen die ooit de Stille Zuidzee hebben getroffen, Samoa. Winden van wel 260 kilometer per uur beukten de kleine eilanden vijf dagen lang. Ze ontbladerden 90 procent van de plantengroei en veroorzaakten een schade van 380 miljoen dollar. Droevig genoeg verloren zestien mensen het leven.
„Het bijkantoor bracht snel een hulpactie op gang”, zegt John Rhodes. Binnen enkele dagen arriveerde er een vrachtcontainer met hulpgoederen vanuit het bijkantoor in Fiji. Al snel volgde er financiële hulp van andere bijkantoren in de Grote Oceaan.
„Het hoogstnodige werd als eerste gedaan”, schrijft Dave Stapleton, een internationale dienaar die aan het nieuwe kantoor in Siusega werkte. „Dat betekende dat er schoon water, dekzeilen, petroleum en medische artikelen aan de broeders in nood werden uitgereikt. Daarna maakten we het Bethelhuis in Sinamoga weer bedrijfsklaar en repareerden we de schade op het bouwterrein. Later repareerden en herbouwden we beschadigde Koninkrijkszalen, zendelingenhuizen en huizen van individuele Getuigen. Het duurde maanden voordat al het werk gedaan was.”
Toen de regering later aan alle religieuze groeperingen, met inbegrip van Jehovah’s Getuigen, geld beschikbaar stelde om hun gebouwen te repareren, retourneerden de broeders het geld met een brief waarin ze voorstelden dat, aangezien al onze schade al hersteld was, het geld gebruikt kon worden voor de reparatie van regeringsgebouwen. Dankbare ministers verlaagden daarop de invoerrechten op bouwmaterialen van overzee voor ons nieuwe bijkantoor, wat ons een aanzienlijke besparing opleverde.
’HET HEEFT ONZE STOUTSTE VERWACHTINGEN OVERTROFFEN’
Toen de door de cycloon aangerichte schade eenmaal gerepareerd was, vorderde de bouw van het nieuwe bijkantoor snel. Anderhalf jaar later, in mei 1993, kon de Bethelfamilie eindelijk van Sinamoga naar hun nieuwe stek in Siusega verhuizen.
Aansluitend kwam in september 1993 een groep van 85 vakmensen uit Australië, Hawaii, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten naar Samoa om de congreshal in Sinamoga te bouwen. Ze kwamen allemaal op eigen kosten. „Er werd op de bouwplaats met verschillende normen en maatstelsels gewerkt,” schrijft Ken Abbott, die de Australische vaklui aanvoerde, „maar Jehovah’s geest hielp ons alle problemen die rezen in een prettige sfeer op te lossen.”
„Dat we met eigen ogen de internationale broederschap in actie zagen,” merkte Abraham Lincoln van het Hawaiiaanse team op, „had op iedereen een positieve uitwerking.”
Dankzij de verenigde inspanningen van het internationale bouwteam werd de hal in slechts tien dagen voltooid. Door met de bezoekers samen te werken, leerden de inheemse verkondigers niet alleen waardevolle vakbekwaamheden maar werden ze ook opgebouwd in het geloof. Toen het project voltooid was, gingen sommige verkondigers dan ook in de pioniersdienst of dienden ze een aanvraag voor de Betheldienst in.
Ten slotte vond op 20 en 21 november 1993 de inwijding van het bijkantoor en de congreshal plaats. John Barr van het Besturende Lichaam hield de inwijdingslezingen. Paul Evans, een zendeling met een lange staat van dienst, vatte de gevoelens van de vele aanwezigen bij deze feestelijke gebeurtenis samen toen hij zei: „Jehovah heeft ons op een manier gezegend die onze stoutste verwachtingen heeft overtroffen.”
DE WAARHEID VERANDERT LEVENS
Als de waarheid van Gods Woord het hart van mensen raakt, worden ze ertoe bewogen hun leven in overeenstemming te brengen met Jehovah’s verheven maatstaven. Veel Samoanen hebben die hervormende kracht van Gods Woord ervaren (Ef. 4:22-24; Hebr. 4:12).
Ngongo en Maria Kupu bijvoorbeeld ’leefden in duisternis’, zoals de Samoanen zeggen: ze woonden samen zonder getrouwd te zijn. „We studeerden al een tijdje met Ngongo en Maria,” vertelt Fred Wegener, „maar hadden ons niet gerealiseerd dat ze niet getrouwd waren. Op een dag lieten ze ons echter vol trots hun pas verworven trouwakte zien. Niet lang daarna werden ze gedoopt. Hoewel Ngongo inmiddels is overleden, dient Maria nog steeds als gewone pionier in Amerikaans-Samoa.”
Een ander probleem waarmee nieuwelingen in Samoa te maken krijgen, houdt verband met de heiligheid van bloed. Samoanen verstikken hun varkens of kippen gewoonlijk, waarna ze het vlees ervan klaarmaken en eten, iets wat in Gods Woord verboden wordt (Gen. 9:4; Lev. 17:13, 14; Hand. 15:28, 29). Een jonge vrouw in Amerikaans-Samoa was verbaasd toen ze Gods duidelijke geboden daaromtrent in haar eigen bijbel zag staan. „Hoewel haar familie naar de kerk ging en regelmatig in de Bijbel las,” zegt Julie-Anne Padget, „had ze van jongs af aan vlees gegeten dat niet was uitgebloed. Ze accepteerde de Bijbelse richtlijn echter onmiddellijk en nam zich vast voor nooit meer niet-uitgebloed vlees te eten.” Tegenwoordig is het standpunt van Jehovah’s Getuigen met betrekking tot de heiligheid van bloed alom bekend in Samoa. Bovendien is het medisch personeel in Samoa over het algemeen bereid ons standpunt inzake bloedtransfusies te respecteren.
JONGEREN DIE HUN SCHEPPER LOVEN
In Samoa leren ouders hun kinderen al jong om te koken, schoon te maken, de moestuin te verzorgen en voor hun jongere broertjes en zusjes te zorgen. Dat verklaart misschien waarom veel Samoaanse kinderen zich al jong van hun geestelijke verantwoordelijkheden kwijten, waarbij sommige zelfs zonder de hulp van gezinsleden hun standpunt voor Jehovah innemen.
Ane Ropati was dertien toen haar ouders ermee ophielden naar de vergaderingen te gaan. Dus verzamelde ze regelmatig haar twee broers en haar zusje en liep de acht kilometer naar de Koninkrijkszaal om de vergaderingen te bezoeken. Ze heeft later gepionierd en aan de bouw van het bijkantoor in Siusega meegewerkt. Ane schrijft: „Zendelingen hebben een krachtige invloed op mijn leven gehad en hebben me geholpen geestelijke vorderingen te maken.” Op het bouwterrein ontmoette ze Steve Gauld, een vrijwilliger uit Australië. De twee trouwden en dienden als internationale dienaren op bouwterreinen in Zuidoost-Azië, Afrika en Rusland voordat ze naar Bethel in Samoa terugkeerden. Nu dienen ze samen op het bijkantoor in Australië.
ONDERWIJS VIA DE RADIO
In de loop van de jaren hebben Jehovah’s Getuigen allerlei middelen gebruikt om het goede nieuws van het Koninkrijk te verspreiden. Een bijzonder doeltreffend middel was de radio. In januari 1996 nodigde een onafhankelijk FM-radiostation in Apia Jehovah’s Getuigen uit om een wekelijks radioprogramma te presenteren met de titel „Antwoorden op uw Bijbelse vragen”.
Leva Faai’u en Palota Alagi van het Samoaanse bijkantoor schreven het script en presenteerden de uitzendingen. „In onze eerste uitzending”, vertelt Leva, „stelde broeder Alagi verschillende vragen, zoals: Was er een vloed in Noachs tijd? Waar kwam al het water vandaan? Waar is al het water gebleven? Pasten al die dieren wel in de ark? Ik beantwoordde de vragen met behulp van uittreksels uit onze lectuur. Aan het eind van het programma introduceerden we het onderwerp van de week daarop en nodigden we luisteraars met vragen uit contact op te nemen met de plaatselijke Getuigen. In andere uitzendingen behandelden we vragen als: Waarom had Salomo zo veel vrouwen als christenen er maar een mogen hebben? Zou een God van liefde mensen voor eeuwig in een hellevuur pijnigen? Is de Bijbel van mensen afkomstig of van God?”
Het radioprogramma is ruim een jaar in de ether geweest en heeft heel wat belangstelling gewekt. „Veel mensen vertelden ons dat ze van het programma genoten en er regelmatig naar luisterden”, zegt Ivan Thompson. „Sommigen zeiden dat ze nooit hadden geweten dat de Bijbel zulke interessante vragen beantwoordde.”
BEHOEFTE AAN KONINKRIJKSZALEN
In de jaren negentig kwamen de meeste gemeenten in Samoa en Amerikaans-Samoa bijeen in particuliere huizen of in gebouwen die van materialen uit het regenwoud gemaakt waren. „Vaak keek de buurt neer op die vergaderplaatsen”, zegt Stuart Dougall, die van 2002 tot 2007 in het landscomité heeft gediend. En de 25 jaar oude Koninkrijkszaal in Tafuna (Amerikaans-Samoa) begon ook zo langzamerhand gebreken te vertonen. Het werd tijd de oude zaal door een nieuwe te vervangen.
Maar voor een nieuwe zaal was een groter stuk grond nodig, iets wat op het kleine eiland Tutuila schaars was. De broeders benaderden een vooraanstaande katholieke vrouw die bouwgrond bezat in Petesa, niet al te ver van de bestaande Koninkrijkszaal. Toen de vrouw hoorde dat de broeders de grond nodig hadden om er een godshuis te bouwen, beloofde ze de zaak met haar dochter te bespreken, die plannen had om er commerciële gebouwen neer te zetten. De gebeden van de broeders werden drie dagen later verhoord toen de vrouw hun vertelde dat ze het stuk grond aan hen wilde verkopen omdat, zoals ze zei, „God de voorrang moet krijgen”.
Wallace Pedro schrijft daarover: „Ze gaf ons zelfs de koopakte al voordat we haar betaald hadden, want, zei ze: ’Ik weet dat jullie eerlijke mensen zijn en alles zullen betalen.’ En dat deden we natuurlijk ook.” Er werd op het terrein een prachtige Koninkrijkszaal met 250 zitplaatsen en airconditioning neergezet, die in 2002 werd ingewijd.
In 1999 werd door Jehovah’s Getuigen een nieuw programma in het leven geroepen om Koninkrijkszalen te helpen bouwen in landen met beperkte middelen. De eerste van die zalen op de Samoa-eilanden werd gebouwd in Lefaga, een afgelegen dorp aan de zuidkust van het eiland Upolu. Tot die tijd was de gemeente van tien Getuigen daar bijeengekomen in een ruimte zonder zijmuren en met een dak van palmbladeren, die aan het huis van een verkondiger aangebouwd was.
Jack Sheedy, een Australiër die samen met zijn vrouw, Coral, zeven jaar in Tonga had gediend, had de supervisie over het bouwproject. „Van een afstand”, schrijft hij, „leek de bouwploeg van boeren, vissers en huisvrouwen op mieren die jachtig op het bouwterrein in de weer waren.”
Toen de Koninkrijkszaal met zestig zitplaatsen in 2001 af was, waren de dorpelingen vol lof. „Jullie zalen hebben een waardigheid en eenvoud die ze aantrekkelijk maakt”, zeiden ze. „Wat een verschil met onze kerken, die bombastisch zijn en vol staan met meubilair dat vaak een rommelige en vieze indruk maakt.” Er was ook een spectaculaire toename in het aantal bezoekers op de vergaderingen. In 2004 bezochten 205 personen in deze nieuwe zaal de Gedachtenisviering.
Eind 2005 waren dankzij het bouwprogramma voor landen met beperkte middelen op de Samoa-eilanden al vier nieuwe Koninkrijkszalen gebouwd en drie zalen gerenoveerd. Ook de congreshal in Sinamoga bij Apia (Samoa) was gerenoveerd. Net als hun geloofsgenoten in andere plaatsen met beperkte middelen zijn de Samoaanse verkondigers heel dankbaar voor die liefdevolle hulp van hun broeders en zusters van over de hele wereld (1 Petr. 2:17).
DE TIJDEN VERANDEREN
Veel Samoanen zijn naar andere landen verhuisd. Zo hebben Australië, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten, vooral Hawaii, nu vrij grote Samoaanse gemeenschappen. Er zijn verdeeld over die landen elf Samoaanstalige gemeenten en twee Samoaanstalige groepen, met in totaal meer dan zevenhonderd Getuigen. Andere Samoaanse verkondigers dienen in Engelstalige gemeenten in de landen waarnaar ze geëmigreerd zijn.
Een aantal Samoaanse Getuigen zijn naar het buitenland gegaan om geestelijke opleiding te ontvangen en zijn daarna naar Samoa of Amerikaans-Samoa teruggekeerd om het geleerde in praktijk te brengen. In de jaren negentig hebben Talalelei Leauanae, Sitivi Paleso’o, Casey Pita, Feata Sua, Andrew Coe en Sio Taua bijvoorbeeld de Bedienarenopleidingsschool in Australië bezocht, waarna ze zijn teruggegaan om het Koninkrijkswerk in Samoa te bevorderen. Andrew en zijn vrouw, Fotuosamoa, dienen nu op Bethel in Samoa. Sio en zijn vrouw, Ese, hebben enkele jaren in de kringdienst gestaan met hun zoontje, El-Nathan. Sio dient nu in het landscomité. Andere afgestudeerden dienen trouw als ouderling, pionier of verkondiger in hun gemeente.
Wat is het resultaat geweest van al die activiteit? In 2008 hadden de twaalf gemeenten van Samoa en Amerikaans-Samoa een hoogtepunt van 620 verkondigers. Dat jaar woonden ruim 2300 personen de Gedachtenisviering bij. Er zijn dus goede mogelijkheden voor verdere groei op de Samoa-eilanden.
VOORWAARTS MET JEHOVAH’S ORGANISATIE
In de loop van de jaren hebben veel oprechte personen in Samoa gunstig op het goede nieuws van Gods koninkrijk gereageerd (Matth. 24:14). In de geest van hun zeevarende voorouders hebben ze talloze moeilijkheden overwonnen op hun reis van Satans oude wereld naar hun nieuwe plek in Jehovah’s door de geest geleide organisatie. Hindernissen als tegenstand van familieleden, verbanning uit de gemeenschap, propaganda van geestelijken, door de regering opgelegde beperkingen, verleidingen van het vlees en andere beproevingen hebben hen er niet van weerhouden de ware God, Jehovah, te dienen (1 Petr. 5:8; 1 Joh. 2:14). Met welk resultaat? Dat ze zich nu koesteren in de veiligheid van een geestelijk paradijs! — Jes. 35:1-10; 65:13, 14, 25.
Toch zit hun reis er nog niet op. Vlak voor hen ligt hun eindbestemming: een aards paradijs onder het rechtvaardige bestuur van Gods koninkrijk (Hebr. 11:16). Samen met de wereldwijde broederschap en geleid door Gods Woord en zijn machtige heilige geest blijven Jehovah’s Getuigen op de Samoa-eilanden voorwaarts gaan, vastbesloten hun doel te bereiken.
[Voetnoten]
a De naam Lapita verwijst naar een plaats in Nieuw-Caledonië waar het aardewerk dat voor dit volk zo kenmerkend is, voor het eerst werd gevonden.
b In 1997 werd de naam West-Samoa in Samoa gewijzigd. Wij gebruiken door het hele verslag heen de naam Samoa.
c Verschillende nakomelingen van Harolds gastheer, de heer Taliutafa Young, werden later Getuigen van Jehovah. Zijn kleinzoon Arthur Young dient nu in de gemeente Tafuna (Amerikaans-Samoa) als ouderling en pionier. Een van Arthurs dierbaarste bezittingen is een bijbel die zijn familie nog van Harold Gill heeft gekregen.
d Samoanen hebben een voornaam — bijvoorbeeld Pele — en een achternaam. Pele had Fuaiupolu, de naam van zijn vader, als achternaam. Sommige Samoanen mogen als familiehoofd ook nog een erenaam of titel voeren. Enkele Getuigen van Jehovah hebben hun titel afgelegd of geweigerd er een te aanvaarden, omdat die titel volgens hen een politiek of werelds karakter had. In dit verslag gebruiken we over het algemeen de voornaam gevolgd door de meest bekende achternaam, zoals in het geval van Pele Fuaiupolu.
e De film is in 1995 opnieuw uitgebracht, ditmaal op videocassette, en is verkrijgbaar in het Arabisch, Chinees (Kantonees en Mandarijn), Deens, Duits, Engels, Fins, Frans, Grieks, Italiaans, Japans, Koreaans, Nederlands, Noors, Portugees (Braziliaans en Europees), Spaans, Tsjechisch en Zweeds.
f Ropati werd bij een later bezoek aan Nieuw-Zeeland gedoopt.
[Inzet op blz. 77]
„Vannacht hebt u de boodschap van het Koninkrijk gehoord. Ik hoop oprecht dat u er acht op zult slaan”
[Inzet op blz. 98]
’Kinderen kondigden onze komst in het dorp vaak aan door „Daar komt Armageddon!” te roepen’
[Inzet op blz. 108]
„De bus naar Vavau is altijd punctueel: hij arriveert als hij aankomt”
[Kader/Illustratie op blz. 69, 70]
Samoaanse religies: vroeger en nu
De oude Samoaanse religies waren een mengsel van polytheïsme, animisme, spiritisme en voorouderverering, maar kenden geen tempels, afgodsbeelden of een georganiseerde priesterschap. Elk aspect van het leven was met religie verweven. Hoe kwam het dan dat de Samoanen, toen er in 1830 zendelingen van de London Missionary Society (LMS) arriveerden, rijp schenen te zijn voor een verandering van geloof?
Volgens een oude Samoaanse legende zou een krachtig nieuw geloof een eind maken aan de macht van de oude goden. Samoaanse familiehoofden (matai) gingen ervan uit dat de zendelingen dit nieuwe geloof vertegenwoordigden. Koning Malietoa koos ervoor de christelijke God, Jehovah, te aanbidden en droeg zijn onderdanen op hetzelfde te doen.
De zendelingen (methodistische, mormoonse en van de LMS) en katholieke missionarissen kregen veel aanhang, en tegenwoordig is praktisch iedereen op de Samoa-eilanden lid van een kerk. De regeringen van de twee Samoa’s hebben elk een religieus motto: „Samoa is op God gegrondvest” en „Samoa, stel God op de eerste plaats”. Er worden op tv tal van religieuze programma’s uitgezonden.
De invloed van religie is het sterkst in de dorpen, waar de dorpshoofden vaak beslissen welk geloof de dorpelingen moeten aanhangen. Sommige dorpsbewoners worden zelfs gedwongen meer dan 30 procent van hun inkomsten af te staan om plaatselijke voorgangers en kerkelijke projecten te ondersteunen, een last die steeds meer kwaad bloed zet. Er worden zelfs wedstrijden gehouden wie het meest kan geven. Sommige kerken maken de namen van de winnaars bekend.
In veel dorpen worden alle activiteiten abrupt gestaakt als de sa begint, een periode van tien tot vijftien minuten die voor gebed bestemd is. Jonge mannen met grote stokken gaan regelmatig de straat op om de naleving van dit gebruik af te dwingen. Overtreders kunnen een berisping of een boete van wel honderd dollar krijgen, of er wordt van ze geëist dat ze de dorpsraad of het dorp van voedsel voorzien. In extreme gevallen kunnen ze zelfs geslagen of verbannen worden.
Bij één gelegenheid kwamen de kringopziener en zijn vrouw, John en Helen Rhodes, na een vermoeiende reis in het dorp Salimu (Savai’i) aan. Omdat de sa net was begonnen, vroegen wachters hun aan de rand van het dorp te wachten. John en Helen wachtten gehoorzaam tot de sa was afgelopen en gingen toen naar hun slaapadres.
Toen het dorpshoofd hoorde dat John en Helen waren opgehouden, bood hij hun gastvrouw zijn verontschuldigingen aan. Het hoofd zei dat Getuigen geëerde gasten waren, en hij gaf de wachters instructies de familie Rhodes altijd het dorp binnen te laten, zelfs als de sa aan de gang was. Waarom kregen ze zo’n voorkeursbehandeling? Omdat Sio, de zoon van het dorpshoofd, met de Getuigen de Bijbel bestudeerde en fijne vorderingen maakte. Sio Taua is nu een lid van het Samoaanse landscomité.
[Illustratie]
John en Helen Rhodes
[Kader op blz. 72]
Een overzicht van Samoa, Amerikaans-Samoa en Tokelau
Samoa bestaat uit twee hoofdeilanden, Upolu en Savai’i, die door een achttien kilometer brede zeestraat van elkaar gescheiden zijn, en een aantal kleinere bewoonde eilanden. Amerikaans-Samoa, dat zo’n honderd kilometer ten zuidoosten van Samoa ligt, heeft één hoofdeiland, Tutuila, en omvat verder de Manua Islands, Swain’s Island, Aunu’u en het onbewoonde atol Rose Island. Tokelau, een kleine vijfhonderd kilometer ten noorden van Samoa, bestaat uit drie laaggelegen koraaleilanden.
Bevolking
In Samoa wonen ongeveer 214.000 mensen en in Amerikaans-Samoa ongeveer 57.000. Tokelau heeft naar schatting 1400 inwoners. Meer dan 90 procent van de bevolking bestaat uit Polynesiërs, en de rest is van Aziatische, Europese of gedeeltelijk Polynesische afkomst.
Taal
De hoofdtaal is Samoaans, hoewel de meeste mensen ook Engels spreken. In Tokelau wordt Tokelauaans gesproken, een taal die veel weg heeft van het Samoaans.
Middelen van bestaan
De meeste mensen werken in de landbouw, het toerisme, de tonijnvisserij en de visverwerkende industrie.
Voedsel
Zetmeelrijke taro, groene bananen, en broodvruchten vermengd met kokosmelk zijn de belangrijkste voedingsmiddelen. De maaltijden worden soms aangevuld met varkensvlees, kip of vis. Tropische vruchten zoals papaja’s, ananassen en mango’s zijn er in overvloed.
Klimaat
Omdat de eilanden vlak bij de evenaar liggen, is het er het grootste deel van het jaar warm en vochtig. In Pago Pago, op het eiland Tutuila (Amerikaans-Samoa), valt elk jaar meer dan 5000 millimeter regen.
[Kader op blz. 75]
„Heel goed boek”
Broeder Harold Gill had 3500 brochures „Waar zijn de doden?” in het Samoaans bij zich om die in Amerikaans-Samoa te verspreiden. Toen hij de gouverneur er een aanbood, stelde die voor dat Harold de brochure aan elk van de religieuze leiders liet zien, zodat zij de procureur-generaal konden laten weten of die geschikt was voor algehele verspreiding. Maar hoe zouden de religieuze leiders reageren?
De predikant van de London Missionary Society was vriendelijk en had geen bezwaren. De zevendedagsadventisten kon het niet schelen wat Harold deed, zolang hij maar van hun schaapjes afbleef. De vlootpredikant was een beetje sarcastisch, maar niet vijandig. Er gebeurde echter iets bijzonders waardoor Harold niet meer naar de katholieke priester hoefde. Harold had de Samoaanse agent die hem bij de gouverneur had gebracht, een brochure gegeven. Een paar dagen later vroeg Harold hem of hij de brochure al had gelezen en wat hij ervan vond.
De agent antwoordde in gebroken Engels: „Mijn baas [de procureur-generaal] zei: ’Ga naar je priester en vraag hem of dit een goed boek is.’ Ik ging onder een boom zitten en las het boek. Ik zei bij mezelf: ’Dit boek is heel goed, maar als ik het de priester laat zien, zegt hij: „Geen goed boek.”’ Dus zei ik tegen mijn baas: ’Baas, mijn priester zegt: „Heel goed boek.”’”
Later nodigde de procureur-generaal Harold uit op zijn kantoor. Terwijl hij de brochure doorbladerde, vertelde Harold hem iets over de inhoud. Daarop pakte de procureur-generaal de telefoon en gaf toestemming voor de verspreiding van de brochure. Het gevolg was dat Harold bijna alle brochures die hij bij zich had op de eilanden kon verspreiden.
[Kader op blz. 76]
De traditionele Samoaanse cultuur
In 1847 schreef George Pratt, een zendeling van de London Missionary Society, over de Samoanen dat ze zich „als geen ander volk in Polynesië, en misschien zelfs in de wereld, aan de etiquette houden”. De traditionele Samoaanse cultuur — de fa’a Samoa (Samoaanse leefwijze) — is een strak gestructureerde gedragslijn die van invloed is op elk aspect van het leven.
Deze gedragslijn staat vooral in het teken van „het respect, de verering zelfs, voor hen die ’hoger’ zijn dan jezelf”, zegt het boek Samoan Islands. Dat respect uit zich in goede manieren, gepaste spraak en loyaliteit aan iemands familie en dorp. Voor de meesten is het ondenkbaar de gebruiken en religie van hun voorvaders de rug toe te keren.
Familiehoofden (matai), de bewakers van deze traditie, besturen de dagelijkse gang van zaken van een of meer verwante families en vertegenwoordigen hen in de dorpsraad. Ze eisen strikte gehoorzaamheid en leggen hun gezag op door boetes, slaag of zelfs verdrijving uit het dorp. Zo legde de matai van één dorp een geestelijke een boete op omdat hij jongetjes ertoe aanzette Jehovah’s Getuigen met stenen te bekogelen.
Een dorp kan tien tot vijftig matai hebben. De meeste worden door de familie (aiga) gekozen, maar sommigen erven de titel automatisch. Titels worden volgens een strikte hiërarchie toegekend. Elk dorp heeft een dorpshoofd (ali’i), die voorzitter is van de dorpsraad. Een spreker (tulafale) zorgt voor ceremoniële zaken. Maar niet alle matai hebben politieke of religieuze taken. Sommige beperken zich tot de zorg voor familieaangelegenheden. Ze beheren onder andere het grondbezit van de familie, waarbij ze het recht hebben te beslissen hoe de grond gebruikt wordt.
[Kader/Illustratie op blz. 79]
„De man van Jehovah”
SAUVAO TOETU
GEBOREN 1902
GEDOOPT 1954
BIJZONDERHEDEN De eerste inwoner van Faleasi’u die de waarheid aannam. Later werd op zijn grond een Koninkrijkszaal gebouwd. Verteld door zijn zoon Tafiga Sauvao
IN 1952 bezocht een van mijn vaders neven uit Apia ons gezin in Faleasi’u. Die neef, die contact had met Jehovah’s Getuigen, wilde met mijn vader over de Bijbel praten. Enkele familieleden van ons in het dorp besloten te komen luisteren. Ze praatten non-stop van zaterdagochtend tot maandagmiddag, met slechts een uur pauze om wat te slapen. Na meer van dat soort gesprekken in de daaropvolgende vier weekends zei mijn vader ten slotte: „Mijn nieuwsgierigheid is bevredigd. Ik heb de waarheid gevonden.” De zwager van mijn vader, Finau Feomaia, nam ook de waarheid aan, evenals hun gezinnen.
Mijn vader begon meteen getuigenis te geven. Dat was een schok voor onze verwanten, die hem als een toegewijde zevendedagsadventist hadden beschouwd. Ze noemden hem spottend ’de man van Jehovah’, wat eigenlijk een groot compliment was! Mijn vader was klein maar dapper; hij had een helder verstand en sprak overtuigend. Daardoor kon hij zijn pas gevonden geloof goed verdedigen. Na verloop van tijd werd ons groepje de tweede gemeente in Samoa.
[Kader/Illustratie op blz. 83]
Trouw ondanks een slechte gezondheid
FAGALIMA TUATAGALOA
GEBOREN 1903
GEDOOPT 1953
BIJZONDERHEDEN Hij wees de mogelijkheid om een vooraanstaande matai te worden af en ging in de gewone pioniersdienst.
LATER diende Fagalima ondanks zijn slechte ogen en een klompvoet jarenlang als speciale pionier in verschillende delen van Samoa. Het viel een kringopziener die met hem van huis tot huis werkte op dat Fagalima de Bijbelteksten correct voorlas zonder bril. Hij vroeg hem daarom of hij soms beter was gaan zien, waarop Fagalima antwoordde dat hij zijn bril kwijt was en dat hij de Bijbelgedeelten uit zijn hoofd opzei.
Omdat Fagalima graag een congres in Fiji wilde bijwonen, werkte hij vier weken in zijn eentje op het verste puntje van Upolu, waar hij kokosnoten verzamelde. Ondanks zijn klompvoet droeg hij telkens vijftien kokosnoten naar een plek drie kilometer verderop waar hij de schaal kon verwijderen en het kokosvlees, de kopra, eruit kon halen om te drogen. Toen hij de kopra verkocht had, reisde hij naar Apia om de overtocht naar Fiji te betalen. Daar ontdekte hij dat de prijs intussen gestegen was en hij geld tekortkwam. In plaats van te gaan klagen, het op te geven of om hulp te vragen, ging hij terug om nog meer kopra te verzamelen tot hij het benodigde bedrag bij elkaar had, en dat allemaal om een congres bij te wonen dat, voor zover hij wist, gehouden zou worden in twee talen die hij niet beheerste. Wat was het een beloning voor hem toen hij bij aankomst in Fiji ontdekte dat het grootste deel van het congresprogramma in zijn eigen taal zou worden gepresenteerd!
[Kader/Illustratie op blz. 87]
’Ik heb van elke dag genoten’
RONALD SELLARS
GEBOREN 1922
GEDOOPT 1940
BIJZONDERHEDEN Hij en zijn vrouw, Dolly, zetten in 1953 als speciale pioniers voet aan wal in Samoa. Hij gradueerde in 1961 van de zendelingenschool Gilead. Ron dient nog steeds als speciale pionier in Amerikaans-Samoa.
TOEN de regering van Samoa weigerde ons visum te verlengen, verhuisden Dolly en ik naar Amerikaans-Samoa. Het schip dat tussen de eilanden voer, zette ons om drie uur ’s ochtends af op de verlaten kade van Pago Pago. We waren de enige verkondigers in het land en hadden twaalf dollar op zak. Later die ochtend was de vader van een vroegere Bijbelstudent zo vriendelijk ons onderdak te verlenen. We sliepen achter een gordijn in een hoek van zijn eenkamerwoning. Hoewel we het liefst meteen op zoek waren gegaan naar een huisje voor onszelf, begonnen we gelijk bij zijn buren getuigenis te geven.
Een paar weken later konden we in het dorp Fagatogo een groot appartement huren boven een warenhuis. We hadden vandaar prachtig uitzicht op de schilderachtige haven van Pago Pago, maar de woning was niet gemeubileerd. Broeder Knorr had ons gezegd: „Als je naar de eilanden van de Grote Oceaan gaat, zul je waarschijnlijk weinig comfort hebben. Het kan zelfs zijn dat je lectuurdozen plat moet vouwen om op te slapen.” En dat is precies wat we deden! Pas maanden later hadden we het geld om een fatsoenlijk bed en een tafel met stoelen te maken. Toch waren we blij met ons huisje.
Mijn lieve vrouw is in 1985 gestorven. Ikzelf ga nog steeds bijna elke dag in de dienst. Terugkijkend op meer dan vijftig jaar in de pioniers- en zendingsdienst kan ik naar eer en geweten zeggen dat ik van elke dag heb genoten!
[Kader/Illustratie op blz. 88]
’Ze hebben me liefde voor Jehovah bijgebracht’
WALLACE PEDRO
GEBOREN 1935
GEDOOPT 1955
BIJZONDERHEDEN De eerste die in Amerikaans-Samoa gedoopt werd. Hij en zijn vrouw, Caroline, hebben gepionierd en later een gezin grootgebracht. Nu dienen ze in Seattle (Washington, VS).
TOEN ik Bijbelstudie kreeg en met prediken begon, zette mijn familie me op straat met niets dan de kleren die ik aanhad! Die nacht sliep ik noodgedwongen op het strand. Ik bad tot Jehovah om de moed hem te dienen wat er ook zou gebeuren.
Toen ik de volgende dag in de schoolbibliotheek was, kwam broeder Paul Evans onverwachts binnenlopen. Hij moet gemerkt hebben dat er iets niet in orde was, want hij zei: „Laten we naar het zendelingenhuis gaan en erover praten.” De zendelingen namen me liefdevol in huis, en later dat jaar werd ik gedoopt.
Na mijn eindexamen pionierde ik met de zendelingen. Ik trouwde naderhand met Caroline Hinsche, een ijverige Canadese pionierster die in Fiji had gediend, en we gingen in Amerikaans-Samoa in de speciale pioniersdienst.
De houding van mijn ouders werd geleidelijk milder. Mijn vader heeft voor zijn dood de Bijbel bestudeerd, en mijn moeder werd op haar 72ste gedoopt. Ik ben dankbaar voor het voorbeeld van die vroege zendelingen. Ze hebben me een liefde voor Jehovah bijgebracht waaruit ik tot op deze dag kracht put!
[Kader/Illustraties op blz. 91, 92]
Volharding werpt vruchten af
PAUL EVANS
GEBOREN 1917
GEDOOPT 1948
BIJZONDERHEDEN Hij en zijn vrouw, Frances, hebben ruim veertig jaar als zendelingen in Samoa en Amerikaans-Samoa gediend.
TOEN mijn vrouw en ik in 1957 met de kringdienst begonnen, was het niet makkelijk Samoa binnen te komen, omdat de regering probeerde te verhinderen dat de plaatselijke Getuigen hulp kregen van buitenaf. Bezoekers en toeristen moesten zelfs een verklaring ondertekenen waarin ze beloofden dat ze tijdens hun verblijf niemand zouden proberen te bekeren. Dus vroeg ik bij mijn eerste kringbezoek aan Samoa aan de immigratieambtenaar wat de regering onder ’proberen te bekeren’ verstond. Toen hij niet goed scheen te weten wat hij daarop moest antwoorden, vroeg ik:
„Stel dat u katholiek bent en in een ander land naar de kerk gaat. Zou u opstaan en een preek houden als u dat gevraagd werd?”
„Het zou iemand vrij moeten staan dat te doen”, antwoordde hij.
„Goed”, zei ik. „Nu weet u dat Jehovah’s Getuigen mensen thuis bezoeken met hun Bijbelse boodschap. Als mijn vrienden willen dat ik met hen meega tijdens dat werk, is dat dan toegestaan?”
„Ik denk wel dat dat oké is”, antwoordde hij.
„Maar als de huisbewoner me nu een vraag stelt?”, vroeg ik. „Mag ik dan iets terugzeggen?”
„Ik zie daar geen enkel probleem in”, zei hij.
„Prima”, concludeerde ik. „Dan weet ik tenminste waar ik aan toe ben.”
Toen ik na een geslaagd kringbezoek het land verliet, vroeg ik diezelfde ambtenaar of hij soms negatieve berichten over ons bezoek had gehoord.
„Nee, niets”, antwoordde hij. „Alles is in orde.”
„Mooi”, zei ik. „Hoe staat het met een inreisvergunning voor ons volgende bezoek?”
„Vraag het maar niet aan via de immigratiedienst”, was zijn advies. „Schrijf me gewoon een persoonlijke brief, dan zorg ik ervoor dat u een vergunning krijgt.”
Zo gezegd, zo gedaan.
Helaas bleken de ambtenaren die deze onbevooroordeelde man opvolgden, minder coöperatief en weigerden ze latere kringopzieners de toegang tot Samoa. Dat bleef zo tot 1974, toen de regering Frances en mij de status van zendeling gaf. Ons geduld en onze volharding werden uiteindelijk beloond.
[Illustratie]
Frances en Paul Evans
[Kader op blz. 97]
Een taal van redenaars
De Samoaanse taal heeft een zacht, zangerig accent dat prettig is om naar te luisteren. Maar „omdat veel woorden een samenraapsel van klinkers lijken,” merkt Fred Wegener op, „hebben zendelingen heel wat oefening (faata’ita’iga) en aanmoediging (faalaeiauina) nodig om de taal onder de knie te krijgen”.
Kleurrijke retoriek en het gebruik van spreekwoorden spelen een belangrijke rol in de Samoaanse cultuur. Familiehoofden (matai) en sprekers (tulafale, hoofden die als openbaar spreker fungeren) citeren graag uit de Bijbel en bezigen bij officiële gelegenheden zeer bloemrijke taal. De traditionele hoffelijkheid van de Samoanen komt vooral tot uiting in hun strikte gebruik van formele en ceremoniële taal als dat vereist is. Het Samoaans kent een tot in de details uitgewerkte beleefdheidsvorm (de tautala lelei of taal voor hoofden) voor als je je tot God, de hoofden, gezagdragers of buitenlandse bezoekers richt of over hen spreekt. Bij alledaagse gesprekken, of als je over jezelf praat, gebruik je in het Samoaans echter een minder formele, meer ontspannen manier van spreken (de tautala leaga of omgangstaal).
De beleefdheidsvorm van het Samoaans kent speciale, waardige uitdrukkingen om geen aanstoot te geven als er officiële of ceremoniële zaken besproken worden of het gesprek over de Bijbel gaat. „Omdat beleefdheid en respect helemaal met de taal verweven zijn,” zegt Geoffrey Jackson, die als zendeling in Samoa heeft gediend en nu een lid is van het Besturende Lichaam, „is het als je Samoanen getuigenis geeft, belangrijk de ander met de hoffelijkheid aan te spreken die gewoonlijk voor leden van het koninklijk huis is weggelegd en tegelijkertijd de nederige gewoonte te volgen om alledaagse woorden te gebruiken als je het over jezelf hebt.”
[Kader/Illustratie op blz. 99]
’We hebben bij het afscheid heel wat traantjes gelaten’
ROBERT BOIES
GEBOREN 1942
GEDOOPT 1969
BIJZONDERHEDEN Hij en zijn vrouw, Elizabeth (Betty), hebben van 1978 tot 1986 als zendeling op de Samoa-eilanden gediend.
WE MERKTEN gelijk al bij aankomst dat de mensen uit Amerikaans-Samoa het waardeerden dat we Samoaans probeerden te leren en dat ze de vele fouten die we maakten, over het hoofd zagen. Bij één gelegenheid liet ik aan de hand van Openbaring 12:9 zien welke invloed Satan op de wereld heeft. Maar het Samoaanse woord voor duivel (tiapolo) en citroen (tipolo) klinken bijna hetzelfde. Ik haalde de woorden door elkaar en legde uit dat de ’citroen’ uit de hemel was geworpen en de hele bewoonde aarde misleidde. Maar, zei ik, Jehovah zal de ’citroen’ binnenkort verpletteren en er een eind aan maken. Natuurlijk moesten de huisbewoner en de zendeling die bij me was, hartelijk lachen.
Een andere keer zei ik bij een Samoaanse vrouw aan de deur een presentatie op die ik uit het hoofd had geleerd. Later hoorde ik dat het enige wat ze van de presentatie had begrepen, een korte verwijzing naar Openbaring 21:4 was. Omdat ze toch wel doorhad dat mijn boodschap belangrijk moest zijn, ging ze meteen naar binnen en las het vers in haar bijbel. Die ene tekst maakte zo’n diepe indruk op haar dat ze later een Bijbelstudie aanvaardde, en zij en haar kinderen zijn in de waarheid gekomen!
Gelukkig hebben we het Samoaans uiteindelijk onder de knie gekregen en hebben we heel wat leuke ervaringen opgedaan. Toen we ons door gezondheidsproblemen genoodzaakt zagen naar de Verenigde Staten terug te keren, hebben we bij het afscheid heel wat traantjes gelaten.
[Kader/Illustratie op blz. 101, 102]
„De hele stad was uitgelopen”
Een van de grootste begrafenissen die ooit in Apia is gehouden, was die van Fred Williams in de jaren vijftig. Fred, die als de Kapitein bekendstond, was een stoere zeeman in ruste. Zijn vrouw was een Getuige van Jehovah. Hij had de zeven zeeën bevaren en was in het hele Stille Zuidzeegebied bekend. Een van zijn staaltjes van zeemanskunst was dat hij zijn bemanning in een open reddingsboot en met amper voedsel veilig over een afstand van zo’n duizend zeemijl naar huis had geloodst nadat ze op een afgelegen rif schipbreuk hadden geleden.
De Kapitein was van mening dat de meeste uitingen van geloof onoprecht waren. Toch bestudeerde hij de Bijbel met Bill Moss en werd hij een ijverige Getuige. Tegen de tijd dat de Kapitein — eens een whisky drinkende, poker spelende zeeman — gedoopt werd, was hij nagenoeg blind en min of meer bedlegerig. Maar hij liet nooit na om met zijn talloze bezoekers, onder wie veel religieuze leiders, over zijn pas gevonden geloof te praten.
Toen de Kapitein stierf, stond er in zijn testament dat Jehovah’s Getuigen de begrafenisplechtigheid moesten leiden en dat hij op zee begraven wilde worden. „Het leek wel of de hele stad was uitlopen voor de begrafenis”, schrijft Girlie Moss. „Zijn overlijden werd op de radio bekendgemaakt, en bedrijven in Apia hesen de vlag halfstok als teken van respect.” Naast de Getuigen waren er advocaten, leerkrachten, vooraanstaande religieuze leiders en veel mensen uit de zakenwereld aanwezig.
Iedereen luisterde aandachtig toen de spreker, Bill Moss, aan de hand van een hele reeks Bijbelteksten de hoop van de Kapitein op een opstanding in een aards paradijs uiteenzette. „Ik voelde een diepe liefde voor de Kapitein opwellen,” zegt Girlie, „omdat hij ervoor gezorgd had dat er op zijn begrafenis zo’n getuigenis gegeven kon worden aan veel mensen die normaliter moeilijk te bereiken waren of met wie we aan de deur niet zo makkelijk in gesprek kwamen. Het deed me aan Abel denken, die ’nog spreekt, alhoewel hij gestorven is’ [Hebr. 11:4]. De Kapitein gaf op zijn sterfdag door zijn begrafenis een groots getuigenis.”
Na de begrafenislezing in het huis van de Kapitein begaf een stoet van meer dan vijftig auto’s zich naar de haven. „De kade was zo afgeladen met toeschouwers,” schrijft Girlie, „dat de politie de weg voor ons moest vrijmaken om bij de boot te komen. Daarna gingen we samen met de familie, de hoge commissaris en een aantal vooraanstaande burgers aan boord van het jacht Aolele (Vliegende wolk) en voeren weg.” De naam van het jacht was heel toepasselijk, want Bill moest zich aan de mast vastklampen terwijl het jacht als een kurk op de golven heen en weer deinde en de wind wild aan hem en zijn kleren trok en met de blaadjes van zijn bijbel speelde. Tot slot las Bill de Bijbelse belofte voor dat ’de zee de doden in haar opgaf’ en sprak hij een gebed uit (Openb. 20:13). Daarna gleed het in doeken gewikkelde en verzwaarde lichaam van de Kapitein het onstuimige water van zijn geliefde Grote Oceaan in. Er werd nog lang over die begrafenis gepraat, wat veel gelegenheden bood voor een verder getuigenis.
[Illustratie]
Fred Williams, alias de Kapitein, voor zijn doop
[Kader/Illustratie op blz. 109, 110]
’We zijn steeds teruggekomen’
FRED WEGENER
GEBOREN 1933
GEDOOPT 1952
BIJZONDERHEDEN Hij en zijn vrouw, Shirley, dienen op Bethel in Samoa. Fred is een lid van het landscomité.
WE VERHUISDEN in 1956 als pasgetrouwd stel van Australië naar Amerikaans-Samoa om daar als speciale pioniers te dienen. Onze eerste toewijzing was Lauli’i, een dorpje aan de oostelijke monding van de haven van Pago Pago. We betrokken er een vervallen hutje zonder deuren, ramen, een plafond of stromend water. Toen we het bewoonbaar hadden gemaakt, kregen we gelijk gezinsuitbreiding: Wallace Pedro, een inheemse jongen die door zijn ouders uit huis was gezet omdat ze tegen de waarheid gekant waren, kwam bij ons inwonen en ging samen met ons pionieren.
Twee jaar later bezochten we de Gileadschool en werden we als zendelingen naar Tahiti gestuurd. Maar ons verblijf daar was van korte duur. De regering wees onze aanvraag om als zendeling het land in te mogen af en lichtte ons er per brief beleefd over in dat we geacht werden met het eerstvolgende vliegtuig te vertrekken. We gingen terug naar Amerikaans-Samoa, waar we samen met Paul en Frances Evans en Ron en Dolly Sellars in het zendelingenhuis in Fagatogo bij Pago Pago dienden. Daar drukte ik op een oude stencilmachine die op de tafel in de eetkamer stond, De Wachttoren en Onze Koninkrijksdienst in het Samoaans. In 1962 werden Shirley en ik uitgenodigd voor de kringdienst. Onze eerste kring omvatte het grootste deel van de Stille Zuidzee, met inbegrip van Amerikaans-Samoa, de Cookeilanden, Fiji, Kiribati, Niue, Samoa, Tonga, Tuvalu en Vanuatu.
Na acht jaar werd onze zoon, Darryl, geboren en vestigden we ons in Amerikaans-Samoa. Ik diende als speciale pionier en Shirley besteedde het grootste deel van haar tijd aan het vertalen van Bijbelse lectuur in het Samoaans.
Omstreeks die tijd werkte ik met een broeder die zeeoorduiker was samen om wat bij te verdienen. De buitenboordmotor van zijn bootje begaf het en we dobberden vier dagen rond op zee. We raakten honderden mijlen uit de koers, overleefden een hevige storm, zagen 32 schepen langsvaren en werden bijna door een reusachtig containerschip overvaren voordat we ten slotte gered werden. Niet lang daarna kwamen Shirley en ik erachter dat er weer een baby op komst was, en dus besloten we in 1974 met tegenzin om naar Australië terug te keren, waar onze dochter, Tamari, geboren werd.
De daaropvolgende jaren dachten we er dikwijls over terug te gaan naar onze geliefde zendingstoewijzing. Je kunt je dan ook voorstellen hoe blij we waren toen ons in 1995 gevraagd werd of we naar Samoa wilden terugkeren om er samen met Tamari op Bethel te dienen! Een jaar later kregen Shirley en ik de uitnodiging om de kringdienst te hervatten — en dat na 26 jaar! Het was heerlijk de vele oude getrouwen terug te zien met wie we jaren daarvoor in Samoa, Amerikaans-Samoa en Tonga hadden samengewerkt (3 Joh. 4).
Tegenwoordig dienen Shirley en ik samen met Tamari en haar man, Hideyuki Motoi, op Bethel in Samoa. We zijn echt blij dat we steeds zijn teruggekomen!
[Kader/Illustratie op blz. 113, 114]
’Jehovah heeft mijn gebeden verhoord’
FAIGAAI TU
GEBOREN 1932
GEDOOPT 1964
BIJZONDERHEDEN Ze pionierde van 1965 tot 1980 op de eilanden Upolu en Savai’i. Nu woont ze op Savai’i.
IK BEN geboren met klompvoeten. Mijn voetzolen krullen sterk naar achteren tot onder mijn hielen, waardoor ik heel moeilijk kan lopen.
Toen ik voor het eerst over de waarheid hoorde, had die een diepe uitwerking op me. Ik wilde graag naar de gemeentevergaderingen, maar achtte het uitgesloten dat ik daar over de harde, rotsige weg heen kon lopen. Uiteindelijk werd ik er heel handig in van rubberen sandalen schoenen voor mezelf te maken. Met die schoenen ging het lopen beter.
Ik ging kort na mijn doop in de pioniersdienst. Na negen jaar op het eiland Upolu gepionierd te hebben, verhuisde ik met mijn zus en haar man naar Savai’i, waar behoefte aan Koninkrijkspredikers bestond. Daar diende ik samen met mijn nicht, Kumi Falema’a, als speciale pionier.
Kumi en ik reisden elke week met de bus van Faga naar Lata, een dorpje aan de westkust van Savai’i. Nadat we met een vrouw in Lata de Bijbel hadden bestudeerd, liepen we acht kilometer naar het dorp Taga om met een andere vrouw te studeren. We overnachtten dan bij die vrouw en haar gezin en gingen de volgende ochtend met de bus terug naar Faga. Dat deden we een jaar of twee. Tot onze vreugde zijn die twee vrouwen en hun gezinnen later actieve Getuigen geworden.
Toen mijn familie Savai’i verliet, bleef ik achter om voor een groepje zusters en geïnteresseerde vrouwen in Faga te zorgen. Ik leidde de wekelijkse Wachttoren-studie en de gemeenteboekstudie en nam de zusters mee in de huis-aan-huisprediking. Eén keer per maand kwam er een ouderling uit Apia om de vergadering op zondag te leiden. Omdat het dorpshoofd ons verboden had op onze vergaderingen Koninkrijksliederen te zingen, lazen we gewoon de tekst van de liederen hardop. Vijf jaar later kwam er een zendelingenechtpaar, Leva en Tenisia Faai’u, uit Nieuw-Zeeland om ons groepje te helpen. Anderen volgden. Nu heeft Savai’i twee bloeiende gemeenten, één in Faga en de ander in Taga.
Ik ben weliswaar nooit getrouwd, maar ik hou van kinderen en kan goed met ze opschieten. Sommige kinderen hebben zelfs een tijdje bij me gewoond. Het maakt me blij als ik zie dat mijn geestelijke kinderen vorderingen maken en hun standpunt voor Jehovah innemen.
Nu ik oud ben, kan ik niet meer van huis tot huis gaan. Ik leid Bijbelstudies bij mij thuis en geef getuigenis aan mensen die ik in het plaatselijke ziekenhuis ontmoet. Omdat het me desondanks frustreerde dat ik zo weinig kon doen, bad ik tot Jehovah om hulp. De zendelingen in mijn gemeente lieten me toen zien hoe ik telefoongetuigenis kan geven. Als ik terugkijk op mijn leven, besef ik dat Jehovah mijn gebeden echt verhoord heeft.
[Kader/Diagram op blz. 118]
Gisteren, vandaag en morgen
De klokken van de inwoners van Samoa en Tonga geven dezelfde tijd aan, maar de kalender van Tonga loopt een dag voor! Hoe komt dat? Dat komt doordat Samoa en Tonga aan weerskanten van de internationale datumgrens liggen: Tonga ligt ten westen ervan en Samoa ten oosten. Hoewel de twee dicht bij elkaar liggen, is Tonga daarom een van de eerste landen in de wereld waar de jaarlijkse herdenking van Christus’ dood wordt gehouden en Samoa een van de laatste.
[Diagram]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
\
\
\
\
\ SAMOA
| woensdag
| 19.00 uur
|
|
|
|
|
TONGA |
donderdag | STILLE ZUIDZEE
19.00 uur |
|
|
internationale | datumgrens
|
| NIUE
|
|
|
|
|
|
|
|
[Kader/Illustraties op blz. 123, 124]
Een Bijbelvertaling die Gods naam eert
In 1884 produceerden zendelingen van de christenheid een Bijbelvertaling in het Samoaans waarin overal in de Hebreeuwse Geschriften de naam Jehovah werd gebruikt. Ook kwam Gods naam in de verkorte vorm vier keer in de christelijke Griekse Geschriften voor in het woord Aleluia, wat „Looft Jah” betekent (Openb. 19:1-6). Maar in de herziene uitgave van 1969 van die vertaling is de naam Jehovah uit elk vers verwijderd, op één na — kennelijk hadden de vertalers even niet opgelet! (Ex. 33:14) Kerkbestuurders hebben Gods naam ook uit hun gezangboeken geschrapt en hun kerkleden ontmoedigd die naam te gebruiken.
In november 2007 ontvingen liefhebbers van de Bijbel in Samoa echter tot hun grote blijdschap de Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften in het Samoaans. In die nauwkeurige, makkelijk te begrijpen vertaling is Gods naam in de geïnspireerde tekst in ere hersteld. Geoffrey Jackson, die vroeger zendeling was in Samoa en nu een lid is van het Besturende Lichaam, maakte op een speciaal congres voor de eilanden in Apia (Samoa) bekend dat de nieuwe Bijbelvertaling beschikbaar was.
Doordat die bekendmaking op tv werd uitgezonden, ontstond er veel belangstelling. Sommige mensen belden naar Bethel en vroegen om een Nieuwe-Wereldvertaling. Een hooggeplaatste regeringsambtenaar wilde er graag tien hebben voor zijn personeel. Het hoofd van een school vroeg er vijf om ze aan het eind van het schooljaar als beloning aan zijn beste leerlingen te kunnen geven.
Veel mensen hebben zich positief uitgelaten over de zorgvuldige weergave in de nieuwe vertaling, die veel bijdraagt tot een goed begrip van de grondtekst. Dankzij de Nieuwe-Wereldvertaling gaan Samoanen weer beseffen hoe belangrijk het is Gods naam te gebruiken. Finau Finau, een speciale pionier in Vailele (Upolu), gebruikte Jezus’ modelgebed om hier met een vrouw over te redeneren.
Nadat hij Mattheüs 6:9 had voorgelezen, vroeg hij: „Wat denkt u, wiens naam moet geheiligd worden?”
„Die van de Heer”, gaf ze ten antwoord.
„Maar 1 Korinthiërs 8:5 zegt dat er vele ’goden’ en vele ’heren’ zijn”, redeneerde Finau. „Hoe kan Gods naam nu Heer zijn als er heel wat valse goden met dezelfde naam zijn?”
Daarna liet hij haar de naam Jehovah zien en legde hij uit dat de christenheid die naam uit hun Bijbelvertalingen had verwijderd. Om het punt waar het om ging, duidelijk te maken, voegde hij eraan toe: „Stelt u zich eens voor dat iemand probeerde de erenaam of titel (matai) van uw familie af te pakken of die te veranderen. Wat zou u daarvan vinden?”
„We zouden heel boos zijn”, antwoordde de vrouw.
„Precies,” antwoordde Finau, „en zo ervaart Jehovah het ook als iemand probeert zijn naam uit zijn Woord te verwijderen.”
[Illustratie]
De „Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften” in het Samoaans
[Kader/Illustraties op blz. 126, 127]
’Jehovah heeft me honderdvoudig gezegend’
LUMEPA YOUNG
GEBOREN 1950
GEDOOPT 1989
BIJZONDERHEDEN Deze dochter van een voormalig premier is gewone pionier in Apia.
IK BEN op het eiland Savai’i opgegroeid als de dochter van een succesvol zakenman en politicus. Omdat mijn vader eigenaar was van een grote cacaoplantage en zo’n tweehonderd mensen in dienst had, noemden Samoaanse kranten hem de Cacaobaron, en een aantal jaren was hij premier van Samoa.
We waren thuis met elf kinderen. Mijn vader was niet erg gelovig, maar mijn moeder bracht ons de grondbeginselen van de Bijbel bij. Toen ze stierf, miste ik haar enorm. Dus toen Judy Pritchard, een zendelinge, met me over de opstandingshoop sprak, was ik opgetogen bij de gedachte mijn moeder terug te zien.
Ik bestookte Judy met vragen en ze beantwoordde ze allemaal aan de hand van de Bijbel. Al snel bestudeerden we samen de Bijbel. Later begon ik de vergaderingen te bezoeken.
Mijn man, Steve, een vooraanstaand diaken in onze dorpskerk, was er aanvankelijk op tegen dat ik de Bijbel bestudeerde. Hij nam me mee naar verschillende geestelijken die me uit het hoofd probeerden te praten de vergaderingen te bezoeken. Maar ik legde hun advies naast me neer. Toen nam hij me mee naar mijn vader, die me alleen aanraadde niet thuis maar ergens anders te studeren. Mijn broers en zussen waren niet zo coulant; ze bespotten me omdat ik van religie wilde veranderen. Maar ik bleef Bijbelse waarheden tot me nemen.
Toen ik er ten slotte voor in aanmerking kwam een Koninkrijksverkondiger te worden, kwam ik als eerste bij een minister uit mijn vaders kabinet aan de deur. Hij had vaak politieke bijeenkomsten bij mijn vader thuis bezocht en kende me goed. Ik was zo zenuwachtig dat ik me achter de rug van mijn partner verschool! De mensen reageerden geschokt als ze me zagen prediken en vroegen: „Wat zegt je vader ervan?” Maar mijn vader was een redelijke man die mijn pas gevonden geloof verdedigde. Bovendien las hij inmiddels zelf graag De Wachttoren en Ontwaakt!
Uiteindelijk overwon ik mijn mensenvrees en werd ik gewone pionier. Ik vind het heerlijk om Bijbelstudies te leiden, en ik heb een lijst achter de hand met de namen van zo’n vijftig mensen met wie ik wil gaan studeren zodra ik een gaatje in mijn schema heb. Maar ik ben vooral blij dat ik mijn vier kinderen in de waarheid heb kunnen onderwijzen. Mijn dochter Fotuosamoa en mijn zoon Stephen en hun huwelijkspartners, Andrew en Ana, dienen nu op Bethel in Samoa. Ik heb ook mijn zus Manu geholpen de waarheid te aanvaarden. Zelfs mijn man, Steve, die eerst tegenstand bood, heeft nu Bijbelstudie en bezoekt de vergaderingen. Jehovah heeft me echt honderdvoudig gezegend.
[Illustraties]
Links: Fotuosamoa en Andrew Coe; rechts: Ana en Stephen Young
[Kader/Illustratie op blz. 129, 130]
Ik moest kiezen: Jehovah of professioneel golf
LUSI LAFAITELE
GEBOREN 1938
GEDOOPT 1960
BIJZONDERHEDEN Hij besloot te gaan pionieren in plaats van een carrière als golfprof na te streven.
IK WAS achttien toen ik hoorde dat het gezin aan de overkant van de straat zich had aangesloten bij een religie met de naam Jehovah’s Getuigen. Nieuwsgierig stelde ik de vader, Siemu Taase, vragen over de manier waarop ze Gods naam, Jehovah, gebruikten. Zijn vriendelijkheid en redenaties aan de hand van de Bijbel maakten indruk op me. Dus nam ik zijn aanbod van een Bijbelstudie aan en begon ik de vergaderingen te bezoeken. Toen mijn vader daarachter kwam, had je de poppen aan het dansen. Ik smeekte hem me naar de vergaderingen te laten gaan, maar hij stond erop dat ik elk contact met de Getuigen verbrak. Verrassend genoeg was hij de volgende dag van gedachten veranderd. Mijn tante vertelde me later dat ik in mijn slaap steeds maar had geroepen: „Jehovah, help me alstublieft!” Ik moet gedroomd en in mijn slaap gepraat hebben. Gelukkig was mijn vaders hart daardoor week geworden.
Aan de overkant van onze straat lag ook de enige golfbaan van Samoa, waar ik een zakcentje verdiende door zoekgeraakte ballen te verzamelen en te verkopen. Later was ik caddie voor koning Malietoa, het toenmalige staatshoofd van Samoa. De koning vond dat ik talent had voor golfen en gaf me zijn oude golfclubs. Hij zorgde er ook voor dat twee plaatselijke zakenlieden me sponsorden als golfprof. Hij geloofde dat mijn talent als golfer ’Samoa op de kaart zou zetten’. Ik was opgetogen! Maar golfen bracht me er al gauw toe minder te doen in Jehovah’s dienst, en dat bezwaarde mijn geweten.
Het kwam tot een climax toen ik het open kampioenschap van Samoa won, waaraan heel veel internationale golfprofs deelnamen. De koning was in zijn nopjes en wilde dat ik tijdens het officiële diner die avond een belangrijke Amerikaanse golfspeler zou ontmoeten. Maar ik voelde me ongemakkelijk. Ik wist dat ik nu een keus moest maken: golf of Jehovah. Die avond bezocht ik de repetities voor de kringvergadering in plaats van het diner.
Het spreekt vanzelf dat de koning woedend was. Toen mijn vader om tekst en uitleg vroeg, had ik een lang gesprek met hem en kon ik hem aan de hand van de Bijbel uitleggen waarom het dienen van Jehovah zo belangrijk voor me was. Tot mijn verbazing begon hij te huilen. Daarna vertelde hij me: „Toen je vijf was, werd je ernstig ziek en werd je dood verklaard. Op het moment dat we je in je graf lieten zakken, werd je door een bij in je gezicht gestoken. Plotseling gaf je een gil en begon je te huilen — net op tijd! Ik geloof nu dat je gered werd om een getuige voor Jehovah God te worden.” Hij heeft me nooit meer iets in de weg gelegd.
Nadat ik naar Nieuw-Zeeland was verhuisd, heb ik tien jaar als gewone pionier en daarna als speciale pionier gediend. Ik trouwde met Robyn, die ook in de speciale pioniersdienst was. Na verloop van tijd kregen we drie kinderen en verhuisden we naar Australië. De daaropvolgende dertig jaar had ik een fulltimebaan om voor mijn gezin te zorgen. Ondertussen hielpen we veel familieleden van ons om in de waarheid te komen. Ik bad Jehovah vaak of hij me wilde helpen weer te kunnen pionieren. Wat heerlijk dat ik in 2004, na mijn pensionering, eindelijk mijn doel bereikt heb. Ik ben echt blij dat ik ervoor gekozen heb Jehovah te dienen in plaats van een professioneel golfer te worden.
[Kader/Illustratie op blz. 135]
Een goede opvoeding werpt resultaat af
PANAPA LUI
GEBOREN 1967
GEDOOPT 1985
BIJZONDERHEDEN Hij en zijn vrouw, Mareta, dienen als speciale pioniers in Samoa.
TOEN we onze zoon, Sopa, lieten inschrijven voor de basisschool, gaf ik het schoolhoofd de brochure Jehovah’s Getuigen en het onderwijs en legde hem uit hoe wij tegenover religieuze en nationalistische activiteiten staan.
Maar de volgende dag vertelde Sopa ons dat het schoolhoofd de brochure voor het oog van alle kinderen en leraren verscheurd had en van de Getuigenkinderen geëist had dat ze een kerklied zongen. Toen ze dat weigerden, had hij hen naar voren laten komen en geëist dat ze voor de hele menigte een van hun eigen religieuze liederen zouden zingen. Hij had verwacht dat ze uit angst alsnog dat kerklied zouden zingen. Maar Sopa had tot de andere kinderen gezegd: „Laten we ’Heb dank, o Jehovah!’ zingen”, en hij was ze bij het zingen voorgegaan.
Het schoolhoofd was onder de indruk geweest en had Sopa een compliment gemaakt vanwege zijn moed. Hij en enkele andere leerkrachten toonden later belangstelling voor de waarheid. Als dit schoolhoofd ons ziet, informeert hij altijd naar Sopa en geeft hij ons de groeten mee. Sopa bleef goede geestelijke vorderingen maken en werd in 2005 gedoopt.
[Kader/Illustratie op blz. 138, 139]
’Het is niet te ver lopen naar de vergaderingen’
VALU LOTONUU
GEBOREN 1949
GEDOOPT 1995
BIJZONDERHEDEN Ze liep met haar zes kinderen ruim 22 kilometer over een bergkam om de vergaderingen bij te wonen.
IN 1993 kwamen Jehovah’s Getuigen in Lefaga bij me aan de deur, en ik aanvaardde een Bijbelstudie. Niet lang daarna begon ik met mijn kinderen de vergaderingen te bezoeken in Faleasi’u, ruim 22 kilometer bij ons vandaan aan de andere kant van het eiland.
Op doordeweekse vergaderavonden haalde ik de kinderen eerder van school. Sommige leerkrachten dreigden de kinderen van school te sturen, totdat ik uitlegde dat de vergaderingen voor ons geloof enorm belangrijk waren. Elk kind droeg een plastic zak met zijn of haar kleren voor de vergadering, een bijbel, een liederenbundel en de studiepublicatie. Soms kwam er een bus langs en kregen we een lift, maar meestal liepen we het hele eind.
Als we eindelijk bij de Koninkrijkszaal in Faleasi’u aankwamen, werden we hartelijk begroet door de plaatselijke Getuigen, die ons iets te eten gaven. We mochten bij hen ook douchen en onze schone kleren aantrekken voor de vergadering. Na de vergadering begon de lange wandeling naar huis. Boven op de bergketen die dwars over het eiland loopt, lasten we een pauze in zodat de kinderen een dutje konden doen. Ik bleef op de uitkijk staan voor het geval er een wagen langskwam die ons een lift naar huis kon geven. Gewoonlijk kwamen we ver na middernacht thuis. De volgende ochtend was ik om vijf uur alweer op, zodat ik met de eerste de beste bus weer naar Faleasi’u kon gaan om er te prediken.
Op een keer moest ik voor een vergadering van dorpsmatai verschijnen, die werd voorgezeten door het dorpshoofd. Ze wilden weten waarom ik helemaal naar Faleasi’u ging en niet naar een kerk in ons eigen dorp, in het bijzonder de kerk die door mijn grootvader was gesticht. Uiteindelijk verboden ze me om nog langer naar de vergaderingen in Faleasi’u te gaan. Maar ik liet me door niets of niemand tegenhouden. Ik was vastbesloten God meer te gehoorzamen dan mensen (Hand. 5:29).
Het kwam al gauw tot een climax. Toen ik verstek liet gaan bij een toonai (een kerkfeest op zondag dat door de voorganger van de kerk, de diakenen en de dorpsmatai werd bijgewoond), legde de dorpsraad me een boete van vijf grote varkens op. Dat was voor mij als alleenstaande moeder met zes jonge kinderen een zware financiële last. Toch betaalde ik de boete uiteindelijk met varkens uit mijn eigen kudde. Gelukkig kregen de dorpelingen na verloop van tijd respect voor ons vastberaden standpunt en boden ze ons geen tegenstand meer.
Het was al die jaren een hele opgave om naar de vergaderingen te gaan. Maar het is de moeite waard geweest. Al mijn kinderen zijn actieve Getuigen, en één zoon is dienaar in de bediening.
Mijn kinderen en ik lopen nog steeds naar de vergaderingen. Nee, niet meer de ruim 22 kilometer naar Faleasi’u, maar gewoon een stukje onze straat door. In 2001 is er in ons dorp namelijk een prachtige nieuwe Koninkrijkszaal gebouwd. Daar vergadert nu een bloeiende gemeente. Het is dus ook nu niet te ver lopen naar de vergaderingen!
[Tabel/Grafiek op blz. 132, 133]
TIJDBALK — Samoa
1930
1931 Het goede nieuws bereikt Samoa.
1940
1940 Harold Gill verspreidt de brochure „Waar zijn de doden?”, de eerste publicatie in het Samoaans.
1950
1953 In Apia wordt de eerste gemeente opgericht.
1955 Gileadzendelingen arriveren in Amerikaans-Samoa.
1955 De film De Nieuwe-Wereldmaatschappij in actie wordt in heel Amerikaans-Samoa vertoond.
1957 Eerste kringvergadering in Amerikaans-Samoa.
1958 De Wachttoren wordt vanaf nu in het Samoaans vertaald.
1959 Eerste kringvergadering in Samoa.
1960
1970
1974 Zendelingen arriveren in Samoa. In Tokelau wordt voor het eerst gepredikt.
1980
1984 Er wordt een bijkantoor opgericht in het zendelingenhuis in Sinamoga bij Apia.
1990
1991 Cycloon Val richt verwoestingen aan op de eilanden.
1993 De Samoaanse Wachttoren verschijnt simultaan met de Engelse. Congreshal en nieuw Bethelhuis ingewijd.
1996 Wekelijks radioprogramma „Antwoorden op uw Bijbelse vragen” op FM uitgezonden.
1999 De bouw van Koninkrijkszalen wordt versneld.
2000
2007 Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften in het Samoaans uitgegeven.
2010
[Grafiek]
(Zie publicatie)
Aantal verkondigers
Aantal pioniers
700
400
100
1930 1940 1950 1960 1970 1980 1990 2000 2010
[Illustratie]
Frances en Paul Evans
[Kaarten op blz. 73]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
HAWAII
AUSTRALIË
NIEUW-ZEELAND
TOKELAU
Swain’s Island
SAMOA
AMERIKAANS-SAMOA
Manua Islands
Rose Island
STILLE ZUIDZEE
NIUE
internationale datumgrens woensdag
‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐
donderdag
TONGA
AMERIKAANS-SAMOA
Tutuila
PAGO PAGO
Petesa
Tafuna
Fagatogo
Lauli’i
Aunu’u
SAMOA
Savai’i
Aopo
Lata
Taga
Faga
Salimu
Fogapoa
Upolu
APIA
Faleasi’u
Siusega
Vailele
Lefaga
Vavau
APIA
Vaiala
Faatoia
Sinamoga
[Paginagrote illustratie op blz. 66]
[Illustratie op blz. 74]
Pele en Ailua Fuaiupolu waren de eerste Samoanen die hun leven aan Jehovah opdroegen
[Illustratie op blz. 81]
Ron en Dolly Sellars verhuisden in 1953 naar Samoa om te dienen waar de behoefte groter was
[Illustratie op blz. 84]
Richard en Gloria Jenkins op hun trouwdag (januari 1955)
[Illustratie op blz. 85]
Girlie en Bill Moss op weg naar Samoa
[Illustratie op blz. 95]
Een typisch Samoaans huis
[Illustratie op blz. 100]
Deze Koninkrijkszaal in Apia was de eerste die in Samoa gebouwd werd
[Illustratie op blz. 107]
De oorspronkelijke Koninkrijkszaal in Tafuna (Amerikaans-Samoa)
[Illustratie op blz. 115]
Metusela Neru
[Illustratie op blz. 116]
Saumalu Taua’anae
[Illustratie op blz. 131]
Ane Ropati (nu Gauld) nam als jongere haar standpunt voor Jehovah in
[Illustraties op blz. 141]
Bethelhuis en kantoor in Samoa
Het Samoaanse landscomité: Hideyuki Motoi, Fred Wegener, Sio Taua en Leva Faai’u