Wereldbericht
Afrika
In Ivoorkust ontdekte een jonge scholiere, Edith genaamd, dat er op de dag dat ze gedoopt zou worden ook een tentamen gepland was. Moedig vroeg ze haar leraar toestemming om niet aanwezig te hoeven zijn bij het tentamen, en hij vond het goed. Haar medescholieren bespotten haar en noemden haar Maria, de moeder van Jezus. Een jongen maakte de leerlingen aan het lachen door te zeggen dat ze niet naar haar doop was gegaan maar naar een zwemwedstrijd. Edith reageerde daarop door hem een traktaat over de geloofsovertuiging van Jehovah’s Getuigen te geven.
Na het gelezen te hebben, maakte de jongen haar niet langer belachelijk en zei dat hij ook een Getuige wilde worden. Hij bestudeerde het boek Kennis die tot eeuwig leven leidt, en ondanks enige tegenstand van zijn familie werd hij gedoopt. Edith is blij dat ze haar opdracht aan Jehovah op de eerste plaats in haar leven heeft gesteld en dat dit op zijn beurt iemand anders heeft geholpen hetzelfde te doen.
Een zendeling in West-Afrika meldt: „Een van de zegeningen van Jehovah is deel uit te maken van een organisatie die een goede reputatie heeft, zelfs in de kleinste dorpen op aarde. Ik zag dit op een treffende manier gedemonstreerd hier in Ghana, waar Jehovah’s Getuigen welbekend zijn en gerespecteerd worden. We brachten de maandelijkse lectuurzending naar een paar gemeenten op het platteland. In een klein stadje konden we degene die gewoonlijk het lectuurpakket aannam, niet vinden. Ik vroeg de chauffeur wat we moesten doen. Hij keek me aan, glimlachte en zei: ’Geen probleem.’ Vervolgens stopte hij met de vrachtwagen bij een drukke markt, leunde uit het raam en riep een van de jonge meisjes die langs de kant van de weg vis verkochten. Hij gaf haar de doos lectuur en zei: ’Geef dit alsjeblieft aan Jehovah’s Getuigen.’ Zonder een woord te zeggen zette ze de doos op haar hoofd, draaide zich om en verdween in de menigte. Terwijl we naar de volgende plaats reden, vroeg ik de chauffeur of hij het meisje kende. Hij glimlachte weer en zei: ’Nee, maar zij kent ons.’ Ik vroeg me af of de broeders die lectuur ooit zouden krijgen. Ik had me geen zorgen hoeven te maken. Ze kregen de lectuur nog diezelfde dag.”
In het dorp Gbolobo (Liberia) schreven de broeders een brief aan de hoofdman van het dorp, waarin ze hem in kennis stelden van hun plannen om de belangrijkste religieuze bijeenkomst van het jaar in zijn dorp te houden. Hij gaf de broeders toestemming om het plaatselijke voetbalveld voor die gelegenheid te gebruiken en liet een mededeling versturen naar alle kerken in de zeven dorpen in zijn stamgebied. In de mededeling werden de mensen uitgenodigd om de Gedachtenisviering bij te wonen. Er kwam een grote groep Getuigen naar het dorp om midden op het voetbalveld een podium voor de Gedachtenisviering te bouwen. Ze werkten in een geest van liefde en vreugde samen. Dit maakte indruk op de dorpelingen. Hoewel er maar vijf verkondigers in Gbolobo zijn, bedroeg het aantal aanwezigen op de Gedachtenisviering 636!
Een jongen van tien jaar in het noorden van Rwanda bracht een geit groot totdat ze drie kleintjes kreeg. Onlangs stuurde hij een foto van zichzelf en de geit naar het bijkantoor. In een bijgaande brief schreef hij: „Jehovah heeft me heel erg gezegend, en daarom schenk ik deze geit aan het wereldwijde predikingswerk dat in Mattheüs 24:14 genoemd wordt.” Hij gaf de geit aan de ouderlingen van de gemeente met het verzoek haar te verkopen. Dat deden ze en ze stuurden het geld naar het bijkantoor.
Een speciale pionier in Nigeria stapte in een auto toen de chauffeur hem een lift aanbood. Terwijl een andere passagier opschoof om plaats voor hem te maken, zag de chauffeur De Wachttoren in de hand van de broeder. Hij beval de broeder uit de auto te stappen. De chauffeur weigerde uitleg te geven maar zei alleen dat hij uit moest stappen. Toen sommige omstanders de auto zonder de broeder zagen wegrijden, zeiden ze tegen hem dat zijn God hem had gered. „Die auto is van kidnappers!”, zeiden ze. Het „identiteitsbewijs” van de broeder had hem Jehovah’s bescherming gegeven.
Grant is een achtjarige verkondiger in de provincie Copperbelt in Zambia. Toen hij nog maar een peuter was, kon hij eenvoudige verhaaltjes vertellen over de plaatjes in het boek De grootste mens die ooit heeft geleefd. Grants ouders hadden hem voordat hij kon lezen aangemoedigd om bijbelgedeelten uit het hoofd te leren. Nu dient hij als een niet-gedoopte verkondiger. Grant leidt veel bijbelstudies — enkele aan de hand van de publicatie Mijn boek met bijbelverhalen en de overige met de brochure Wat verlangt God van ons? Omdat Grant zo ijverig is, noemen de plaatselijke kinderen hem shimapepo mukalamba, wat in het Cibemba „de hogepriester” betekent.
Een man in Senegal die de bijbel begon te bestuderen, las het verslag in de Ontwaakt! van 22 september 1999 over de Getuige en haar dochtertje in Canada die in een tweedehands tas die ze bij een ’yard sale’ hadden gekocht, $1000 hadden gevonden en die hadden teruggegeven. Kort nadat deze man het artikel had gelezen, vond hij op straat een portefeuille met daarin verscheidene identiteitsbewijzen, alsook geld ter waarde van meer dan $500. Hij dacht steeds aan het artikel dat hij had gelezen en kon die nacht niet goed slapen.
De volgende morgen om acht uur belde de man de eigenaar van de portefeuille op en sprak met hem af dat hij onmiddellijk naar hem toe zou komen om de portefeuille met al het geld erin terug te geven. De eigenaar was zo onder de indruk van de eerlijkheid van deze bijbelstudent dat hij hem de helft van het geld gaf dat in de portefeuille zat — $250! „Door die ene Ontwaakt!”, zei de bijbelstudent, „heb ik iets gedaan waar ik mijn hele leven trots op zal zijn!” Sindsdien neemt hij zijn bijbelstudie heel serieus.
De twaalfjarige Kandole in het Oost-Afrikaanse Oeganda zat altijd rustig en aandachtig te luisteren wanneer zijn moeder de bijbel met Jehovah’s Getuigen bestudeerde. Na verloop van tijd had de moeder geen belangstelling meer voor de studie, maar de jongen miste het luisteren naar Gods Woord en vroeg waar de Getuigen hun vergaderingen hielden. De eerstvolgende zondag liep hij de elf kilometer naar de Koninkrijkszaal en bezocht daarna geregeld de vergaderingen. Een pionier begon de bijbel te bestuderen met Kandole, die goede vorderingen maakte en op veertienjarige leeftijd gedoopt werd. Nu is hij zeventien en is onlangs gewone pionier geworden. Zijn doel is de speciale pioniersdienst. Zijn moeder heeft ten slotte de studie hervat en is nu een gedoopte zuster. Kandole hoeft niet meer naar de vergaderingen te lopen. Hij heeft nu een fiets, waarop hij zijn moeder een lift naar de Koninkrijkszaal geeft.
Amerika
Márcio in Brazilië kreeg een uitnodiging om op Bethel te dienen. Hij komt uit een arm deel van het land, en niemand van zijn familie is een Getuige. Om aan geld te komen voor de busreis naar Bethel verkocht hij zijn persoonlijke bezittingen, wat hem samen met het geld dat hij van plaatselijke Getuigen had gekregen in staat stelde de reis te maken. Na een tocht van drie dagen werd de bus door gewapende dieven tot stoppen gedwongen. De dieven doorzochten de bezittingen van iedereen en pakten alles wat ze maar wilden. Toen ze Márcio’s tas openden, zagen ze zijn bijbel en deden toen de tas weer dicht zonder er iets uit te nemen. Toen de bus in de volgende plaats aankwam hadden de passagiers honger, maar de meeste hadden geen geld meer om eten te kopen. Omdat Márcio’s portemonnee niet door de dieven was meegenomen, kocht hij eten voor de andere passagiers, en dit was een groot getuigenis.
Osvaldo in Chili, die met Jehovah’s Getuigen studeerde, kreeg op zijn werk te horen dat hij ’s zondags moest gaan werken. Hij zei tegen zijn chef dat hij volgens zijn contract van maandag tot vrijdag moest werken. Hij voegde eraan toe: „Ik ben pas getrouwd, en ik moet tijd aan mijn vrouw besteden. Bovendien heb ik de zondag gereserveerd om iets aan God te geven.” De chef zei dat Osvaldo aan het eind van de maand ontslagen zou worden. Osvaldo was de enige van de ongeveer 3000 werknemers die niet op zondag ging werken. In plaats daarvan bleef hij naar de vergaderingen gaan en stelde zijn vertrouwen op Jehovah.
Kort daarop kreeg het bedrijf bezoek van een hooggeplaatste manager uit Frankrijk. Hij kwam bij Osvaldo’s bureau staan om hem te feliciteren met zijn goede werk. De manager zei: „Jij bent de enige die geen spelletjes op zijn computer heeft, en je werkt ordelijk.” Osvaldo bedankte hem voor het compliment en voegde eraan toe dat hij binnenkort bij het bedrijf weg zou gaan. De manager vroeg: „Heb je een beter aanbod gekregen?” Osvaldo zei nee en legde de situatie uit.
Een paar dagen later kreeg hij een uitnodiging voor een bespreking met de chef en de manager. De sfeer was gespannen. De manager zei: „Osvaldo, je zult ’s zondags niet hoeven te werken, en je zult zelden op zaterdagen werken. Je krijgt ook meer verantwoordelijkheid in het bedrijf.” Diezelfde week werd Osvaldo gedoopt. Hij dient nu samen met zijn vrouw als hulppionier.
In Ecuador kreeg een jonge man die dit jaar gedoopt is, zijn eerste toewijzing voor een oefenlezing in de hoofdzaal. Hij vond het houden van de lezing zo’n voorrecht dat hij voor een nieuw kostuum begon te sparen. Tegen de tijd dat hij een tegenwaarde van $30 gespaard had, hoorde hij over een zuster in de gemeente die geen geld voor medicijnen had. Hij gaf de zuster het hele bedrag dat hij gespaard had en zei: „Jehovah zal net zoveel van me houden als ik die lezing in mijn oude kostuum houd als wanneer ik het in een nieuw kostuum zou doen!”
Een zuster in Guatemala was straatwerk aan het doen. Ze zag een man op de stoep van een huis zitten, maar ze dacht dat ze beter niet tot hem kon prediken omdat het huis in het gebied van een andere gemeente stond. Ze liep hem voorbij, maar voelde zich toen gedrongen tot hem te prediken. Dus ging ze terug en sprak met hem over Jehovah’s koninkrijk. De man luisterde aandachtig. Toen zei hij: „Bedankt dat u met me bent komen praten, mevrouw, want ik ben hier om een man te doden die om kwart voor acht komt. Hij was op weg naar zijn graf en ik was op weg naar de gevangenis! Ik weet dat u hier niet uit uzelf gekomen bent; het was God die u naar me toe heeft gestuurd opdat ik zijn liefde kan leren kennen. Ik ga nu meteen naar binnen, zodat ik deze misdaad niet zal begaan. God zegene u!”
In december 2000 en januari 2001 organiseerde het bijkantoor in Colombia een veldtocht om in geïsoleerde gebieden te prediken. De Getuigen in dat land werden aangemoedigd om, afhankelijk van hun omstandigheden, voor een week of twee maanden naar die gebieden te gaan om te prediken en de belangstellenden verder te helpen.
Een jonge zuster uit Bogotá wilde hier graag aan meedoen en ging naar de plaats Guasca. De twee maanden die ze daar doorbracht maakten haar zo gelukkig dat ze Jehovah vroeg haar te helpen werk te vinden zodat ze kon blijven. Ze kocht kokosnoten, maakte kokoskoekjes en verkocht die op straat en aan winkels. Bovendien vond ze een baan — het wassen en strijken van kleren — en ze leerde zelfs koeien melken. Op die manier kon ze in haar onderhoud voorzien en is ze als gewone pionier in Guasca blijven dienen. Ze leidt 25 bijbelstudies.
Een zuster op Jamaica kreeg van een huisbewoonster te horen dat niemand haar ooit kon overtuigen een Getuige te worden. De zuster legde uit dat de reden van haar komst was dat ze de bijbelse boodschap wilde delen, met inbegrip van de hoop op eeuwig leven. Tijdens het gesprek merkte de zuster dat de vrouw diep respect voor de bijbel had. Ze merkte ook dat de hevige bezwaren die de vrouw tegen bepaalde punten had, overwonnen konden worden door toepasselijke schriftplaatsen uit de bijbel te lezen. Dit zette de zuster ertoe aan om wanneer ze deze vrouw bezocht en ook toen er later een bijbelstudie was opgericht, een intensief gebruik van de bijbel te maken. Na verloop van tijd begon de bijbelstudente vergaderingen bij te wonen, en uiteindelijk werd ze wat ze aanvankelijk gezegd had nooit te zullen worden — een opgedragen en gedoopte Getuige van Jehovah.
Carol, een zuster in Bolivia, studeerde met een man en zijn vrouw. Ze woonden in het huis van de moeder van de man — zij was trouw katholiek. Ze sloeg nooit een mis of religieuze processie over en haar huis stond vol met beelden, elk met een brandende kaars ervoor. Op een dag stormde de moeder tijdens de studie de kamer in, de katholieke bijbel in haar hand, en eiste van Carol onmiddellijk antwoord op de vraag: „Waar staat dat Maria nog meer kinderen had?” Carol liet haar Mattheüs 12:46-50 en 13:55 zien. Diep teleurgesteld ging de moeder de kamer uit. Een paar minuten later kwam ze trots terug met een andere bijbel, een grote vergulde bijbel met platen. Weer ging ze weg, nadat haar dezelfde teksten waren getoond. Al gauw kwam ze met weer een andere bijbel binnen, maar de teksten luidden hetzelfde. Ze wist niets meer te zeggen.
De daaropvolgende weken kwam ze vaker binnenlopen. Ze stelde vragen maar werd geleidelijk wat milder. De antwoorden begonnen haar te boeien. Het duurde niet lang of ze aanvaardde zelf een bijbelstudie. Haar vroegere ijver voor het katholicisme heeft zich ontwikkeld tot ijver voor de ware aanbidding. Ze begon haar vriendinnen mee te nemen naar de Koninkrijkszaal en is na verloop van tijd gedoopt.
Azië en het Midden-Oosten
Gary, die op Sri Lanka woont, bood de brochure U kunt Gods vriend zijn! aan een katholieke man en diens boeddhistische vrouw aan. De vrouw zei nadrukkelijk dat alleen haar man meer over de bijbel zou willen weten. Maar bij Gary’s volgende bezoek zei ze dat ook zij erin geïnteresseerd was te weten hoe je een vriend van God kunt worden. De week daarop werd er een studie begonnen uit de brochure en vroeg het echtpaar om een bijbel. De vrouw zei: „Ik denk dat we een bijbel nodig hebben als we vrienden van God willen worden.”
Tegen de tijd dat ze les 3 in de Gods vriend-brochure bestudeerden, was de vrouw enthousiast over de studie geworden. Die avond deed er nog iemand mee — een jonge man die bij hen in de kost was. Een paar dagen voor hun vierde studie bracht Gary hun een bijbel. Die werd prompt uitgestald bij hun brochures, die op tafel gerangschikt lagen. Op de avond van hun vierde studie pakten ze trots de bijbel, waar allemaal blauwe draadjes uitstaken. De man zei: „We hebben de les helemaal voorbereid.” Ze hadden alle in de les genoemde schriftplaatsen opgezocht en bij elke tekst een blauw draadje gelegd als bladwijzer.
Rowena, een alleenstaande moeder van begin twintig die op de Filippijnen woont, kreeg belangstelling voor de waarheid. Er werd een bijbelstudie met haar begonnen en ze ging al gauw de vergaderingen bijwonen. Wegens financiële problemen moest ze echter haar woonplaats verlaten om in een verafgelegen stad naar werk te zoeken. Daar kreeg ze een baan als dienstmeisje bij een vroom katholiek gezin. Ze vroeg waar de dichtstbijzijnde Koninkrijkszaal was, maar het gezin wilde haar niet helpen contact op te nemen met de Getuigen.
Er gingen maanden voorbij en Rowena bad vurig tot Jehovah of ze de Getuigen mocht ontmoeten om haar bijbelstudie voort te zetten. Op een morgen ging de telefoon, en zij nam op. De beller zei: „Hallo, is dit de Koninkrijkszaal?”
Rowena antwoordde onmiddellijk: „Ik ben op zoek naar de Koninkrijkszaal. Kunt u me helpen die te vinden?” Dat werd geregeld. Rowena hervatte haar bijbelstudie en is nu gedoopt.
Een twaalfjarig meisje stuurde een brief naar het bijkantoor in Rusland. Ze schreef: „Ik ben een eenvoudig meisje. Ik woon in de provincie Tjoemen in Siberië. Nog niet zo lang geleden kregen we in ons dorpje ver van de bewoonde wereld voor het eerst het tijdschrift De Wachttoren. Ik zag het in onze schoolbibliotheek. Ik besloot het mee naar huis te nemen om het te lezen. Door dit tijdschrift ben ik veel nieuwe en interessante dingen te weten gekomen. Ik vond het al heel leuk om gewoon de plaatjes te bekijken. Ik zou graag meer informatie ontvangen. Ik zou graag het boek Openbaring en de bijbel bestuderen en ik zou graag meer over uw organisatie willen weten.” Er zijn regelingen getroffen om haar te helpen.
Twee Getuigen in Libanon die van huis tot huis predikten, klopten bij een huis aan. Nadat ze hadden geklopt, zagen ze een sticker waarop stond dat Jehovah’s Getuigen niet welkom waren. Er kwam een man aan de deur. De zusters begonnen een gesprek met hem, en hij nodigde hen binnen. Toen hij hoorde dat ze Getuigen waren, vroeg hij of ze de sticker op de deur gelezen hadden. „Ja,” antwoordden ze, „maar toen hadden we al geklopt.” Daarop legde hij uit dat dit het huis van zijn ouders was, die een hekel aan Jehovah’s Getuigen hadden. Maar hij wilde meer weten en was vooral nieuwsgierig wegens de deurstickers, die in dat gebied veel voorkwamen.
De zusters zorgden ervoor dat de man thuis bezocht werd. Er werd een bijbelstudie met hem en zijn vrouw begonnen, en al gauw gingen ze de vergaderingen bijwonen en bijbelse beginselen toepassen. De man zegt dat hij nog nooit de bijbel had opengeslagen, maar dat de Getuigen hem hebben geholpen de bijbel te lezen én te begrijpen.
Een zuster met een schoonheidssalon in Korea heeft in haar salon de bijbel en andere door Jehovah’s Getuigen uitgegeven publicaties uitgestald. Ook speelt ze vaak de audiocassettes van het boek De grootste mens die ooit heeft geleefd. Een vrouw die de bandopname hoorde, vroeg om een exemplaar en er werd een bijbelstudie met haar begonnen. Ook de vrouw van een predikant stelde vragen over de bandopname en zei dat ze nog nooit zulke tot nadenken stemmende dingen in haar kerk had gehoord. Ze vroeg ook naar de cassettes en begon met de Getuigen te studeren. Door de lectuuruitstalling heeft ook een boeddhiste belangstelling gekregen en ze bestudeert nu de bijbel. Om voor de geestelijke behoeften zorg te dragen van degenen met wie ze door middel van informeel getuigenis contact heeft gelegd, is de zuster in de gewone pioniersdienst gegaan.
Een echtpaar in de speciale pioniersdienst in Maleisië gaf getuigenis aan een man die langs de weg liep. De man had veel vragen, en dus nodigde hij het echtpaar bij zich thuis uit. Ze liepen met hem mee naar zijn huis en hadden een interessant gesprek. Toen ze weggingen om de gemeenteboekstudie bij te wonen, nodigden ze hem uit om mee te gaan, en dat deed hij. Hij genoot van de vergadering. Na de vergadering gaven ze hem een Verlangt-brochure en spraken af hem de volgende dag te bezoeken. Bij hun komst vertelde hij hun dat hij de vorige avond na de vergadering was thuisgekomen en tot vier uur ’s morgens was opgebleven om te lezen en te bidden.
Deze man was predikant in een kerk van de christenheid. Hoewel hij jaren theologieonderwijs had gevolgd, had hij de Drie-eenheid nooit kunnen begrijpen. De Verlangt-brochure had hem op bijbelverzen gewezen die de waarheid omtrent deze onschriftuurlijke leerstelling onthulden. Dolgelukkig te weten wie God werkelijk is, zei hij tegen het echtpaar: „Ik geloof niet meer in de Drie-eenheid.” Vanaf die tijd weigerde hij in zijn kerk te preken. In plaats daarvan ging hij naar de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen.
De man bestudeerde de bijbelse lectuur die hij van de Getuigen kreeg en vergeleek wat hij leerde met zijn theologieaantekeningen. Na twee weken besloot hij een radicale verandering in zijn leven aan te brengen. Hij was uit India gekomen om theologie te studeren aan het Trinity [Drie-eenheid] College in Singapore. Maar hij zei: „Hoe kan ik naar dat college gaan? Zelfs de naam is Drie-eenheid!” Hij ging terug naar het land waar hij woonde en zag er vurig naar uit om contact te leggen met de Getuigen daar. Met een dankbaar hart zei hij: „Ik heb de waarheid gevonden!”
Een inheemse zuster in Kazachstan was heel bang om tot andere Kazachen te prediken. Toen ze begon te pionieren, werkte ze in gebied waar mensen van andere etnische groepen woonden. Maar op een dag ontmoette ze in haar gebied een Kazachse vrouw. Ze bood haar een Ontwaakt! aan en de vrouw accepteerde die. Het duurde twee weken voordat de zuster de moed had verzameld om een nabezoek te brengen. Tot haar verrassing ontdekte ze dat de vrouw verontwaardigd was omdat ze niet eerder was gekomen. De vrouw trok de zuster letterlijk haar flat in, liet haar een Kennis-boek zien en zei: „Laten we de bijbel bestuderen!” Na enige tijd zijn de vrouw en haar oudste zoon op een kringvergadering gedoopt. Nu is ook haar jongste zoon een niet-gedoopte verkondiger, en haar dochter, een volle nicht en een tantezegger bestuderen de bijbel.
In een land in het Midden-Oosten kwam een speciale pionier in contact met een man, meneer John, die zijn abonnement op De Wachttoren en Ontwaakt! wilde hernieuwen. Meneer John vertelde dat zijn grootvader, die in India woont, al heel lang een Getuige is. Meneer John had in India de vergaderingen bijgewoond maar woonde daar nu al negentien jaar niet meer. Hij wist niet hoe hij met de plaatselijke Getuigen in contact moest komen.
Toen de pionier hem aanmoedigde een vergadering bij te wonen, antwoordde meneer John dat hij op datzelfde tijdstip een vergadering in zijn eigen huis hield, en voegde eraan toe dat de vergadering bedoeld was om „de bijbel te bestuderen en te bidden”. Aan de hand van De Wachttoren en het Kennis-boek bestudeerde meneer John de bijbel met wel 25 mede-Indiërs. Ze hielden al enige jaren wekelijkse vergaderingen. Ondertussen bestaat de Engelse groep daar uit maar twaalf verkondigers. De Indiase groep werd bezocht, en er worden stappen ondernomen om geestelijk zorg te dragen voor deze geïnteresseerden.
In Nepal woonde een meisje in een weeshuis dat door Koreaanse vrijwilligers werd geleid. Terwijl ze lessen volgde op de school van het weeshuis, beweerde een van haar leraressen dat ze „echte christenen” had gevonden. Dit vaderloze meisje had altijd geloofd dat ze zelf een ware christen was. Omdat de mensen die het weeshuis leidden ook beweerden christenen te zijn, was ze verwonderd over die uitlating. Om haar nieuwsgierigheid te bevredigen wilde ze die „echte christenen” ontmoeten. Het geval wilde dat haar lerares met Jehovah’s Getuigen studeerde en geregeld de vergaderingen bijwoonde. Het meisje sprak haar lerares aan en bezocht een vergadering met haar. Ze was zo onder de indruk van wat ze zag dat ze onmiddellijk een bijbelstudie aanvaardde. Ze maakte snel vorderingen en werd binnen vier maanden gedoopt. Na haar doop ging ze in de hulppioniersdienst.
Europa
Elk jaar wordt er in Groot-Brittannië, in Londen, een tentoonstelling georganiseerd om de dovengemeenschap informatie te geven. Jehovah’s Getuigen zetten een stand op met bijbels en lectuur, waaronder de videopresentatie Wat verlangt God van ons? in Britse Gebarentaal. Een dove vrouw die dolblij was de stand te zien, kwam naderbij en zei dat ze overal naar dove Getuigen gezocht had. Ze legde uit dat een dove Getuige geregeld met haar gesproken had toen ze in Mongolië woonde. Maar pas toen haar vader stierf, kreeg ze waardering voor de opstandingshoop en begon de bijbel te bestuderen. Na zes maanden verhuisde ze naar Groot-Brittannië, en hoewel ze een Koninkrijkszaal vond, begreep ze de vergadering niet en vertelde ze niet dat ze doof was. Ze bad tot Jehovah of ze dove Getuigen van Jehovah mocht vinden, en ze vond ze. Nu bestuderen zij en haar dochter de bijbel en wonen vergaderingen in gebarentaal bij.
Andreia, een achtjarige Getuige in Portugal, merkte dat een schoolvriendinnetje heel verdrietig was omdat haar ouders uit elkaar waren gegaan. Een paar dagen later ontving Andreia de Ontwaakt! van 8 januari 2001, met de omslagserie „Kunnen we ons huwelijk redden?” Opgewonden legde ze haar moeder uit dat de artikelen goed zouden zijn voor de ouders van haar schoolvriendinnetje. Daarop zorgde Andreia ervoor dat er een exemplaar van het tijdschrift naar de vader en een naar de moeder van het meisje werd gebracht.
Kort daarna zei Andreia’s schoolvriendinnetje tegen haar: „Mijn ouders wonen weer bij elkaar, en mijn vader zei dat ik tegen jou moest zeggen dat we nu weer samen zijn dankzij dat tijdschrift dat je ons gegeven hebt!” Daarna gaf Andreia het gezin het boek Het geheim van gezinsgeluk. Andreia’s moeder leidt nu een bijbelstudie bij de moeder van het meisje.
Twee Getuigen in Italië ontmoetten in de velddienst een bejaarde man en boden hem De Wachttoren en Ontwaakt! aan. De man zei dat hij niet kon lezen. Hij legde uit dat hij op zevenjarige leeftijd herder was geworden. Daarna had hij vijftien jaar in de bergen gewoond, met als enig gezelschap zijn schapen. Hij was nooit naar school geweest. Terwijl hij zijn schapen hoedde, bad hij altijd vurig of hij God beter mocht leren kennen. Hij zei tegen de broeders die hem bezochten: „Kon ik jullie tijdschriften maar lezen, dan zou er een droom in vervulling gaan!”
Een van de broeders zei: „Het is niet te laat om lezen te leren.” De volgende dag ging de herder naar de Koninkrijkszaal. Met hulp van de Getuigen leerde hij lezen en schrijven. Nu is deze bejaarde man een geregelde bijbellezer en een onvermoeibare verkondiger van het goede nieuws.
Groenland, dat we in dit verslag tot Europa rekenen, is het grootste eiland ter wereld, hoewel de hele bevolking slechts zo’n 56.000 mensen telt. Er zijn zeven gemeenten in het land, waarvan sommige erg klein zijn.
Harald is een vijftienjarige niet-gedoopte verkondiger in een van die gemeenten. Toen zijn klas op schoolreis ging, ging Harald niet mee. In plaats daarvan zat hij bij een andere klas, waar de leerlingen de opdracht hadden gekregen om over hun godsdienst te spreken. Hoewel ze ongeveer twee maanden de tijd hadden gekregen om zich voor te bereiden, hadden weinig leerlingen iets te zeggen, en degenen die wel iets te zeggen hadden, spraken maar een paar minuten. Omdat er nog een half uur over was, vroeg de lerares: „Hoe gaan we de rest van het lesuur gebruiken?” Harald — de bezoeker — stak zijn hand op en zei dat hij hun graag iets over zijn godsdienst wilde vertellen.
De lerares zei: „Weet je dat zeker? Je hebt geen tijd gehad om je voor te bereiden.” Harald zei dat hij voorbereid was, en hij begon de klas een voortreffelijk getuigenis te geven. Toen de leraar van Haralds eigen klas te weten kwam wat hij had gedaan, vroeg hij Harald hetzelfde in zijn eigen klas te doen. Ditmaal kreeg hij een week om zich voor te bereiden. Hij nam wat bijbelse publicaties mee om die aan zijn klasgenoten en aan zijn leraar te laten zien.
Pia, die in Denemarken woont, wilde haar pasgeboren baby in de kerk laten dopen. Haar man geloofde niet in de kinderdoop, en dus hadden ze er een woordenwisseling over. Uiteindelijk besloten ze de kwestie met hun predikant te bespreken. De geestelijke vertelde hun dat de kinderdoop onschriftuurlijk is. Pia was boos op de kerk en de geestelijken omdat ze 32 jaar geleerd had iets te geloven dat niet waar is. Ze zette het idee om de baby te laten dopen van zich af en besloot zelf de bijbel te gaan lezen om te ontdekken wat goed en wat fout is.
In mei 2000 kwam er een Getuige bij Pia aan de deur, en ze aanvaardde een bijbelstudie. Na het districtscongres te hebben bijgewoond zei ze: „Ik begrijp nog niet alles, maar nu weet ik dat de volkskerk niet de waarheid heeft.” Ze is nu een niet-gedoopte verkondigster en maakt snel vorderingen in de richting van de doop.
Een broeder in Slovenië zocht met zijn zoon wat ontspanning in een park en merkte een studente op die zich van een groep medestudenten had afgezonderd. Hij begon een gesprek met haar over geestelijke onderwerpen. Later begonnen de broeder en zijn vrouw een bijbelstudie met de studente, die Silvia heet. Ze bracht haar vriend mee naar de bijbelstudie, en nu bestudeert ook hij de bijbel. Silvia sprak over de waarheid met haar moeder, die eveneens begon te studeren. Nu bezoeken ze alle drie geregeld de vergaderingen in de Koninkrijkszaal. Silvia is een niet-gedoopte verkondigster. Interessant is dat Silvia zich herinnert dat ze op de dag dat ze de broeder in het park ontmoette, tot God had gebeden om haar te helpen begrijpen waarom deze wereld zo zinloos is.
De afgelopen jaren zijn er grote aantallen immigranten uit Zuid- en Midden-Amerika naar Spanje gekomen. Een pionierster die van huis tot huis predikte, gaf getuigenis aan een vrouw uit Colombia. De vrouw luisterde aandachtig en aanvaardde een bijbelstudie. Bij het volgende bezoek bood de pionierster anderen die in hetzelfde appartement woonden een bijbelstudie aan. Verschillenden van hen namen het aanbod aan. Omdat de bewoners van het appartement voortdurend verhuisden, gaf de zuster getuigenis aan iedereen die ze daar maar ontmoette. Tot nu toe heeft ze twintig bijbelstudies opgericht. Sommigen van hen zijn verhuisd, en het is niet bekend of ze de studie hebben voortgezet. Maar tien studies worden nu geregeld geleid, en sommige studenten bezoeken de vergaderingen al.
Een 82-jarige vrouw op Kreta luistert al veertig jaar naar de boodschap, maar ze is pas onlangs een niet-gedoopte verkondigster geworden. De persoonlijke belangstelling die een speciale pionierster voor haar toonde, moedigde haar aan om vorderingen te gaan maken, en ze werd gedoopt.
Anderen in haar familie hebben het voorbeeld van deze bejaarde vrouw gevolgd. Haar 86-jarige man, die al zestig jaar rookte, begon de bijbel te bestuderen, stopte met het gebruik van tabak en werd een niet-gedoopte verkondiger. De 55-jarige dochter van het echtpaar maakt ook fijne vorderingen met haar studie. Ze bezoekt de vergaderingen en is gestopt met roken. Ten slotte is een van de achterkleinzoons van het echtpaar de bijbel gaan bestuderen en heeft de wens geuit zich op de theocratische bedieningsschool te laten inschrijven.
Een zendelinge in Estland was in een flatgebouw naast het hare aan het prediken, toen ze een vrouw ontmoette die haar vroeg of ze een goede man had. De zuster antwoordde bevestigend. De vrouw vroeg toen waar ze woonde. De zuster zei dat ze in het aangrenzende flatgebouw woonde. Daarop werd de vrouw opgewonden en zei: „O, dan bent u het — u moet het zijn. U eet vaak op uw balkon, is het niet?”
De zuster antwoordde: „Ja, met mijn man.”
De vrouw zei: „Nou, ik kijk vaak naar jullie. Uw man draagt een schort, en hij zet vaak het eten op tafel. O, ik kan zien dat jullie een heel goed huwelijk hebben! Vanuit mijn flat kan ik jullie niet zien, maar ik ga altijd naar het balkon van mijn vriendin om naar jullie te kijken. We hebben gemerkt dat jullie altijd bidden voordat jullie beginnen te eten. Het is zo prachtig om te zien. Wilt u alstublieft binnenkomen?” Sindsdien is de vrouw een geregeld nabezoek.
Oceanië
Dit deel van de aarde omvat de eilanden in het zuiden, westen en midden van de Grote Oceaan, met inbegrip van Melanesië, Micronesië en Polynesië. In dit verslag zijn ook Australië, Nieuw-Zeeland, de Maleise archipel en de Hawaiiaanse eilanden opgenomen.
Twee zusters in Nieuw-Zeeland zagen op een dag een vrouw in haar tuin aan het werk. Ze stopten om haar te helpen wat bamboeplanten uit de grond te trekken. Verbaasd over hun vriendelijkheid bood ze hun koffie aan, en zij gaven haar getuigenis. Ze schreef aan de plaatselijke krant wat er was gebeurd. De krant nam contact op met de gemeente om te zeggen dat ze een prachtige bos bloemen hadden gewonnen voor hun vriendelijkheid.
In het artikel stond: „Toen Jehovah’s Getuigen lastige bamboeplanten van een weduwe uitgroeven, deden ze gewoon wat ze altijd zouden doen — ze hielpen iemand in nood. Hun vriendelijkheid maakte haar dag goed. Die Persoon was zo dankbaar dat ze alles aan ons vertelde. Dit verhaal werd gekozen als de winnaar van het augustusboeket. We hopen dat het boeket evenveel genoegen zal schenken als hun vriendelijkheid dat deed.”
Op een van de eilanden van Vanuatu gaven twee pioniersters getuigenis aan een jong meisje dat in een winkel werkte. Ze nam een Verlangt-brochure en aanvaardde een bijbelstudie. Haar vader was daar sterk op tegen en wilde niet dat zijn dochter met de Getuigen studeerde. Hij vernielde haar bijbelse lectuur, sloeg haar hevig en zei haar ten slotte dat ze het huis uit moest. Intussen kreeg het meisje meer kennis, bezocht de vergaderingen en kweekte de vruchten van de geest aan (Gal. 5:22, 23). Haar van respect getuigende gedrag maakte uiteindelijk indruk op haar vader, die kalmeerde en haar uitnodigde weer thuis te komen wonen. Ze liet zich op de theocratische bedieningsschool inschrijven en woonde haar eerste kringvergadering bij, op het nabijgelegen eiland Santo. Toen haar werd gevraagd hoe ze het zich kon veroorloven te reizen, antwoordde ze met een glimlach: „Mijn vader heeft de ticket betaald.”
Clarence was een vriendelijke man op Hawaii die altijd de tijdschriften nam wanneer de verkondigers bij hem aan de deur kwamen. Een pionier die hem op een dag trof, merkte dat Clarence het boek U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven had en bood hem een bijbelstudie aan. Clarence nam dat aanbod graag aan en zei dat hij altijd al meer over de bijbel had willen weten. Clarence bereidde zich goed op zijn bijbelstudie voor en ging al gauw de gemeentevergaderingen bezoeken.
Maar Clarence moest veranderingen aanbrengen. Als veteraan uit de Tweede Wereldoorlog marcheerde hij op feestdagen altijd trots mee in parades met andere veteranen. En met Kerstmis bood hij zich altijd aan om de bel te luiden bij de kerstcollecte van het Leger des Heils. Het kostte hem enige tijd om te beseffen wat het betekent geen deel van Satans wereld te zijn. Maar uiteindelijk kwam hij ervoor in aanmerking aan de bediening deel te nemen.
Clarence werd op 85-jarige leeftijd gedoopt en heeft nog steeds een actief aandeel aan de bediening. Hij houdt oefenlezingen op de theocratische bedieningsschool. Onlangs heeft hij geleerd met een computer om te gaan, zodat hij nazoekwerk kan doen met behulp van de Watchtower Library op cd-rom. Vol overtuiging zei Clarence: „Niets kan me van het dienen van Jehovah afbrengen nu ik de waarheid gevonden heb.”
Een zuster in Australië vroeg tijdens het geven van telefoongetuigenis aan een man of hij vijftien minuten per week opzij kon zetten voor een bijbelbespreking. Hij zei dat hij dat onmogelijk kon. De zuster vroeg: „Vijf minuten dan?” Aarzelend stemde hij daarmee in. De week daarop begonnen ze met hun vijfminutenstudies. Al gauw begon hij doordachte vragen te stellen. Omdat de zuster de studie tot slechts vijf minuten beperkte, zei ze altijd: „Tja, dat is een goede vraag, maar onze tijd is om, dus daar zullen we de volgende les over praten. Dag.”
Toen de man vroeg hoe hij kon weten wat de juiste religie is, werd dat tot het onderwerp voor de volgende les gemaakt. Na die les zei hij: „Jehovah’s Getuigen moeten de juiste religie hebben, maar ik kan niet gewoon gaan geloven en me bekeren. Ik denk dat ik meer kennis moet krijgen.” Naarmate hij meer belangstelling kreeg, nam de lengte van de studies geleidelijk toe van vijf naar dertig minuten.
Toen ze de Verlangt-brochure uit hadden, vroeg de zuster of zij en haar man hem thuis konden bezoeken om te bespreken wat hij tot dusver had geleerd. Dat vond hij goed. Ze bezochten hem, zeiden dat ze het een voorrecht hadden gevonden hem de afgelopen zes maanden te helpen en moedigden hem aan om door te gaan. Nu gaat de man van de zuster elke week naar het huis van de student om de studie te leiden.
Er zijn nog steeds veel delen van Papoea Nieuw-Guinea waar het goede nieuws nog niet is gepredikt, omdat de dorpen moeilijk te bereiken zijn. Over het algemeen is de enige manier om met de mensen uit deze dorpen in contact te komen, hen te benaderen wanneer ze naar de stad komen om spullen te kopen. Op deze manier kwam een man uit een afgelegen dorp in het bezit van een Wachttoren. Na die gelezen te hebben, schreef hij naar het bijkantoor om meer informatie. Een zendeling werd gevraagd contact met hem te zoeken. De enige manier om dat te doen was per brief, en als gevolg daarvan werden er per brief veel studies met geïnteresseerde mensen geleid.
Vastbesloten om dat gebied te bezoeken, gingen enkele zendelingen op pad in een auto met vierwielaandrijving. Het was een tocht van zes uur, grotendeels over een gevaarlijke, slingerende weg door de rimboe, via nauwe bergpassen en dwars door rivieren. Op een bepaald punt was de „weg” een rivierbedding. Toen ze op hun bestemming aankwamen, troffen ze een prachtige laagvlakte aan van tien tot twaalf vierkante kilometer, omgeven door rijkelijk beboste bergen met hun top in de wolken. Het was alsof de tijd had stilgestaan. De huizen waren van bamboe, zoals dat al eeuwen het geval was. Toen de mensen hoorden dat de zendelingen waren gearriveerd, kwamen ze opgewonden bij elkaar. Hoewel velen nog nooit Jehovah’s Getuigen hadden ontmoet, bestudeerden ze al tweemaal per week De Wachttoren, en bijna allemaal hadden ze de Lutherse Kerk verlaten.
De zendelingen lieten zien hoe een vergadering geleid moet worden en maakten ook bekend dat er de dag daarop om acht uur ’s morgens een openbare lezing zou zijn. De volgende dag stonden sommige mannen om half vijf op en gingen naar nabijgelegen dorpen om de mensen voor de lezing uit te nodigen. De andere dorpelingen bouwden een zaal voor de vergadering. Grote takken deden dienst als banken, en bladerrijke takken zorgden voor schaduw. Van bamboe werd een katheder gemaakt. Iedereen was opgewonden. Er waren 44 aanwezigen op de vergadering, en 11 nieuwelingen gaven hun naam op voor een studie per brief. De zendelingen gingen doodmoe maar uiterst tevreden over wat er bereikt was, weer naar huis.
[Illustratie op blz. 45]
De achtjarige Grant uit Zambia leidt veel bijbelstudies
[Illustratie op blz. 57]
De stand die in Engeland op tentoonstellingen voor de doven wordt gebruikt