Mozambique
„LAAT het heel duidelijk zijn, Chilaule: Dit is Mozambique, en in dit land zullen jullie nooit wettelijk erkend worden. . . . Dat kun je wel vergeten!” Toen agenten van de thans niet meer bestaande Politie voor Onderzoek en Verdediging van de Staat (PIDE) dit woedend tegen een van Jehovah’s Getuigen zeiden, was het Portugese koloniale bewind in Mozambique op het toppunt van zijn macht. De oppermacht van de Rooms-Katholieke Kerk was onbetwist.
Toch hielden Jehovah’s Getuigen er niet mee op in het openbaar uiting te geven aan hun geloof in Jehovah, en ook hielden zij er niet mee op anderen over zijn liefdevolle voornemen te vertellen. Hun geschiedenis in Mozambique levert sprekende bewijzen van de kwaliteit van hun toewijding aan Jehovah. Zij werden gesterkt door hun vertrouwen in de liefde van God en van zijn Zoon, de soort van liefde die door de apostel Paulus werd beschreven in de woorden: „Wie zal ons scheiden van de liefde van de Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger of naaktheid of gevaar of zwaard? Zoals er staat geschreven: ’Om u worden wij de gehele dag ter dood gebracht, wij zijn gerekend als slachtschapen.’ . . . Ik ben ervan overtuigd dat noch dood noch leven, . . . noch regeringen, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, . . . noch hoogte noch diepte, noch enige andere schepping ons zal kunnen scheiden van Gods liefde, die in Christus Jezus, onze Heer, is.” — Rom. 8:35-39.
De geschiedenis van Jehovah’s dienstknechten in Mozambique is het relaas van een volk dat, zelfs toen zij van al hun materiële bezittingen beroofd waren, rijk was wegens hun diepgewortelde geloof. Zij zagen de bewijzen van Gods liefde voor hen, en zij hadden intense liefde voor elkaar. Maar laten wij, voordat wij ons in die geschiedenis verdiepen, een blik op het land zelf werpen.
Schoonheid en bijzonderheden van het land
Mozambique, met zijn bevolking van naar schatting 17.400.000 personen, ligt over zo’n 2500 kilometer uitgestrekt langs de kust van Zuidoost-Afrika. Het klimaat kan tropisch genoemd worden, en de voortbrengselen zijn tropisch — kokosnoten, ananas, cashewnoten, cassave en suikerriet. Ook voedsel uit zee neemt een voorname plaats in op het menu van de bevolking.
De Mozambiquanen zijn over het geheel genomen gelukkige, opgewekte mensen, die van het leven houden. Uit hun midden zijn wereldberoemde atleten voortgekomen. Natuurlijk zijn dat er niet zo veel. Maar er zijn meer dan 19.000 anderen die als winnaars te voorschijn komen uit een wedloop waar andere waarden bij betrokken zijn. Dat zijn Jehovah’s Getuigen, wier geschiedenis in Mozambique teruggaat tot 1925.
Waarheidszaden schieten wortel
In dat jaar hoorde Albino Mhelembe, een Mozambiquaan die in de mijnen van Johannesburg in Zuid-Afrika werkte, het goede nieuws van Gods koninkrijk. De zaden van Koninkrijkswaarheid schoten wortel in zijn hart, en al spoedig werd hij gedoopt. Toen hij weer thuiskwam, begon hij te prediken tot de leden van zijn vroegere kerk, de Zwitserse Zendingskerk, in Vila Luísa (thans Marracuene) in de zuidelijkste provincie van Mozambique. De pasgeïnteresseerde Afrikanen waren heel ijverig en reisden dikwijls wel dertig kilometer om naar de vergaderingen te gaan. Er werden nieuwe groepen opgericht, waaronder één in Lourenço Marques, dat nu Maputo heet.
Ongeveer in diezelfde tijd kwam verder naar het noorden het werk in verband met de prediking van de bijbelse boodschap op gang. Gresham Kwazizirah, een Afrikaan in Nyasaland (het huidige Malawi), had, geholpen door John en Esther Hudson uit Zuid-Afrika, het boek De Harp Gods bestudeerd. In 1927 verhuisde Gresham, vergezeld door Biliyati Kapacika, naar Mozambique op zoek naar werk. Zij kwamen het land binnen via het district Milange en trokken verder zuidwaarts naar Inhaminga in de provincie Sofala. Daar vonden zij beiden werk bij de Trans-Zambézia Spoorweg.
In Inhaminga vonden zij ook een gemeente van een zogeheten Watchtower-beweging en hun predikant, Robinson Kalitera. Toen Kalitera de bijbelse leringen hoorde die in De Harp Gods stonden, werden hem de ogen geopend. Daar hij inzag dat hij op een verkeerd spoor had gezeten, gingen hij en zijn hele gemeente ertoe over zich met Jehovah’s organisatie te verbinden.
Het Europese veld krijgt aandacht
In 1929 kwamen de eerste Europese Getuigen, Henry en Edith Myrdal, uit Zuid-Afrika in Lourenço Marques aan en begonnen tot de Portugese bevolking te prediken. Vier jaar later kregen zij gezelschap van het echtpaar De Jager. Als gevolg van hun verhuizing werden er veel bijbelse waarheidszaden uitgestrooid.
Vervolgens, in 1935, brachten nog twee pioniers, Fred Ludick en David Norman, een bezoek aan Lourenço Marques. Zij logeerden bij de familie Myrdal. Maar op hun vijfde dag in de dienst werden zij ten huize van de Myrdals plotseling door de geheime politie opgepakt, in de Zwarte Maria (een gevangenwagen) gezet en naar een hoge functionaris gebracht, een zekere heer Teixeira. Toen David vrijmoedig verklaarde dat hij wist dat de bisschop achter het hele complot zat, sprong de heer Teixeira overeind en bulderde: „Als jullie burgers van mij waren, liet ik jullie subiet naar het eiland Madeira verbannen, maar omdat jullie burgers van Zuid-Afrika zijn, laat ik jullie onmiddellijk het land uitzetten!” Diezelfde dag werden zij door twee auto’s vol zwaarbewapende politieagenten naar de grens geëscorteerd. Maar toen de broeders aan de grens kwamen, gaven zij hun politiebewakers getuigenis, verspreidden lectuur onder hen en drukten iedereen de hand voordat zij hun reis voortzetten.
Oog in oog met zware beproevingen
Janeiro Jone Dede, een nederige Afrikaanse boer, leerde in 1939 de waarheid kennen in Inhaminga. Toen hij weer thuiskwam in Mutarara, deelde hij de waarheid met zijn verwanten, die lid waren van een religieuze groepering die polygamie beoefende. Hij werd speciale pionier, en twee van zijn broers, Antonio en João, dienden als gewone pionier. Maar in 1946 werd Janeiro gearresteerd en naar Tete gestuurd, waar hij gedwongen werd vier jaar lang toiletten voor de Europeanen te reinigen. Toen werd hij overgeplaatst naar de centrale gevangenis in Beira, en vandaar werd hij op een zowel vreemde als onmenselijke manier naar Lourenço Marques vervoerd. Hij werd per schip verstuurd in een met zout water gevuld vat, waar alleen zijn hoofd bovenuit stak. Toen hij in Lourenço Marques arriveerde, kwam hij naakt te voorschijn; zijn kleren waren verteerd. Hij kreeg een zak om zich te bedekken. Bij zijn rechtszitting kreeg hij bevel zijn religie en zijn God de rug toe te keren, maar in de geest van de apostelen van Jezus Christus antwoordde hij: „Waar het op aankomt is God meer te gehoorzamen dan mensen.” — Hand. 5:29.
Na de rechtszitting werd Janeiro in een isoleercel geplaatst in een kleine houten kist met slechts een kleine opening waar dagelijks een paar vruchten doorheen geschoven werden. Toen hij er een week later uitgehaald werd, kon hij amper staan. Samen met zijn broers Antonio en João werd hij naar São Tomé e Príncipe gedeporteerd om een vonnis van zeven jaar uit te zitten. Gedurende deze tijd hielpen de gebroeders Dede met de oprichting van een gemeente op die strafeilanden. Toen Portugal Dede, die zich in Zuid-Afrika bevond, te weten kwam dat zijn broers gedeporteerd waren, keerde hij naar Mutarara terug om voor de gemeente te zorgen tot zij uit de strafkolonie werden vrijgelaten.
En hoe verging het die Getuigen in het zuiden? Onder wrede vervolging bewezen ook zij loyale Getuigen te zijn. Een van hen was Albino Mhelembe, die toen al op leeftijd was. In 1957 werden ook hij en anderen uit Lourenço Marques naar São Tomé gedeporteerd, maar zij bleven prediken. Sional Tomo werd, hoewel hij na twee jaar uit São Tomé werd teruggestuurd, opnieuw verbannen, ditmaal naar Meconta in de provincie Nampula. Daar is hij gestorven, maar als bewijs van zijn bediening liet hij een gemeente na.
„Ik word een herder van Gods kudde”
Dat was het antwoord dat Calvino Machiana gaf toen zijn onderwijzer de klas vroeg wat zij wilden worden als zij groot waren. Later, in Johannesburg, gaf een voormalige klasgenoot hem getuigenis. Maar pas toen hij in 1950 naar Lourenço Marques terugkeerde, verbrak hij eindelijk zijn banden met de Zwitserse Zendingskerk. Toen de koloniale politie, de PIDE, de meer ervaren leden van de groep arresteerde en deporteerde, bleven de anderen zonder opzicht achter.
Gelukkig liep het zo dat Nelli Muhlongo, een Zuid-Afrikaanse, in de buurt waar Machiana zat familie kwam opzoeken. Machiana hoorde dat zij een van Jehovah’s Getuigen was en vertelde haar over de geïnteresseerden in het gebied. Zij riep hen bij elkaar en begon een groepsbijbelstudie. Er waren zes deelnemers aan deze studiegroep. Zuster Muhlongo vroeg Machiana de leiding te nemen, maar hij weigerde en zei: „Ik ben niet gedoopt.” Zij antwoordde: „Ik ben hier alleen maar op bezoek. Als ik wegga, zul jij de leiding moeten nemen.” Zo kwam het dat Machiana eerder „een herder van Gods kudde” werd dan hij had verwacht.
’Ga terug naar je land, Zunguza’
In 1953 vertrok de jonge Francisco Zunguza uit Beira naar Kaapstad (Zuid-Afrika). Het was hem erom begonnen een beurs te krijgen om in Londen medicijnen te gaan studeren. In zijn bagage zat het boek Kinderen, dat hij van een vriend had gekregen. In Pretoria woonde hij bij een anglicaanse familie, en zij zagen hem op een dag in het boek lezen en vroegen of hij een van Jehovah’s Getuigen was. Hij antwoordde dat hij dat niet was, maar dat hij alleen maar het boek las. Maar het gezin was zo vriendelijk hem in contact te brengen met een van Jehovah’s Getuigen, die een studie met hem begon. Twee jaar nadat hij in Zuid-Afrika was gekomen, werd hij gedoopt.
Broeder Zunguza vertelt dat hij van rijpe broeders in de gemeente de volgende raad kreeg: „Het is het beste dat je naar je land, Mozambique, teruggaat om daar te werken, Zunguza. Je bent nu gedoopt. Waarom zou je nog andere dingen najagen? Het is de moeite niet waard.” (Vergelijk Romeinen 11:13; Filippenzen 3:7, 8; 1 Johannes 2:15-17.) Broeder Zunguza aanvaardde deze raad en keerde zonder aarzelen terug naar Lourenço Marques, waar hij zich bij het daar bestaande groepje aansloot. Na verloop van tijd trouwde hij en samen met zijn vrouw, Paulina, werd hij door Jehovah’s organisatie intensief gebruikt in het reizende werk in heel Mozambique. Zijn liefde voor God en zijn volharding zijn aan zware beproevingen blootgesteld. Ondanks zo’n veertien jaar in de gevangenis, in concentratiekampen en onder restricties van regeringswege is hij getrouw gebleven. Begrijpelijkerwijs is hij bij zijn Mozambiquaanse broeders geliefd en zeer gewaardeerd. Zoals broeder Zunguza zelf zegt: „Het was het beste dat ik naar mijn eigen land terugging.”
Pogingen om wettelijke erkenning te verkrijgen
Het bijkantoor in Zuid-Afrika stuurde uit bezorgdheid over de vervolging en de deportaties door de koloniale regering, in 1954 Milton Bartlett, een afgestudeerde van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead naar Mozambique. Tijdens een verblijf van slechts enkele dagen kon hij een onderhoud hebben met de Amerikaanse consul en met een hooggeplaatste Portugese ambtenaar, die hem aanraadde bij de gouverneur-generaal wettelijke erkenning aan te vragen. Deze ambtenaar zei echter dat wegens het concordaat van de regering met het Vaticaan Jehovah’s Getuigen, ook al zou hun een zekere mate van vrijheid worden verleend, nooit de vrijheid zouden hebben die de Rooms-Katholieke Kerk genoot.
Die kwestie kreeg het jaar daarop een vervolg, toen John Cooke, ook een afgestudeerde van Gilead, de Britse consul in Mozambique bezocht. Hoewel de consul hem vriendelijk te woord stond, vermeldde hij dat de katholieke kardinaal onlangs in de pers was uitgevaren tegen alle vormen van protestantisme. De consul voegde er nog aan toe dat de veiligheidspolitie Jehovah’s Getuigen als gevaarlijk beschouwde. Tot slot uitte hij de mening dat van alle „sekten”, om zijn uitdrukking te gebruiken, de Getuigen de minste kans maakten om wettelijke erkenning te krijgen.
Niettemin leverde het bezoek van broeder Cooke goede resultaten op. Hij kon een nabezoek brengen bij een geïnteresseerde jonge Portugees die Pascoal Oliveira heette. Pascoal had enige jaren tevoren in Lissabon contact gehad met de waarheid. Er werden regelingen getroffen voor een studie met hem en zijn ouders. Later heeft Pascoal zich aan Jehovah opgedragen.
In 1956 ging het bijkantoor in Nyasaland, dat toen het werk in Mozambique behartigde, ertoe over speciale pioniers de grens over te sturen om in de dorpen in het noorden te prediken. Ook anderen kwamen in Mozambique dienen waar er behoefte was, en vooral in de grensstreken was hun invloed merkbaar.
Ballingen keren terug
Na verloop van tijd keerden Janeiro Dede en zijn broers uit São Tomé terug. In São Tomé hadden zij vrijuit kunnen prediken, maar toen zij thuiskwamen, kregen zij een pak slaag en werd hun te verstaan gegeven dat zij iedere predikingsactiviteit moesten staken, anders zouden zij opnieuw gedeporteerd worden en nooit meer terugkomen. Wat een overeenkomst met de manier waarop de apostelen van Jezus Christus door het joodse Sanhedrin werden behandeld! — Hand. 5:40-42.
Janeiro en zijn broers lieten zich door deze dreigementen niet van hun dienst voor Jehovah afhouden. In maart 1957 werd Janeiro als speciale pionier aangesteld en later heeft hij meer dan tien jaar als kringopziener in vrijwel alle delen van het land gediend.
Nachtenlang getuigenis
Bij de groep in Lourenço Marques sloten zich voortdurend nieuwgeïnteresseerden aan. Een van de huizen waar een studie werd gehouden, was dat van Ernesto Chilaule, een Mozambiquaan. Antonio Langa woonde daar ook. Langa, die een katholieke achtergrond had, vocht leerstellige punten aan en eiste bewijzen, vooral betreffende de Drieëenheid. De groep was bang dat hij hen bij de PIDE (Polícia de Investigação e Defesa do Estado) zou aangeven. Maar Langa had oprechte belangstelling voor de waarheid en bleef buiten het huis, verscholen op de trap, naar de studie luisteren. Op grond van de dingen die hij hoorde, kwam hij tot de conclusie dat dit de waarheid was.
Op een dag gaf een broeder Langa het boek „God zij waarachtig” cadeau. Toen Langa de volgende dag thuiskwam van zijn werk, begon hij om twee uur ’s middags het boek te lezen en legde het pas neer toen hij het uit had, om twee uur ’s ochtends! Daarna begon hij geregeld de vergaderingen te bezoeken en stond hij erop dat zijn vriend Chilaule het boek ook las, opdat zij met de prediking konden beginnen.
Als hun gebied kozen zij de animistische ’Zionist Church’-groeperingen (Mazione) in de buitengebieden van Lourenço Marques. ’s Avonds, als deze groepen bij het geroffel van hun trommen bijeenwaren voor hun rituelen met dansen, drinken en muziek, gingen de broeders naar hen toe en hielden, nadat zij toestemming van de groepsleider hadden gekregen, een korte toespraak. Dikwijls keerden zij pas bij het aanbreken van de dag naar huis terug. Wat een ijver in het verbreiden van hun nieuwgevonden geloof!
De doop in Lourenço Marques
Toen de groep die bericht van velddienst instuurde, de 25 had bereikt, werd aan het Zuidafrikaanse bijkantoor een brief geschreven met het verzoek een vertegenwoordiger te sturen om de nieuwelingen te dopen. Het antwoord dat daarop kwam, behelsde dat broeder Zunguza daar zelf voor moest zorgen. Op 24 augustus 1958 werden tijdens een bijeenkomst op een onopvallende plaats dertien personen gedoopt — de eersten in Lourenço Marques. Tot deze groep behoorden Calvino Machiana, Ernesto Chilaule en Antonio Langa, alsook hun respectieve echtgenotes en Paulina Zunguza.
In 1959, nadat broeder Zunguza naar Beira was verhuisd, werd broeder Chilaule door de PIDE ontboden. Zij hadden zijn post onderschept en gelezen. Hij werd een hele ochtend lang ondervraagd. Die middag gingen agenten naar zijn huis en namen alle lectuur in beslag. De broeders en geïnteresseerden die de Land-Rover van de politie bij het huis van Chilaule zagen, vreesden dat zij allemaal gearresteerd zouden worden. Tot hun verrassing werden een week later alle boeken teruggegeven. Dat was de aanmoediging die de groep nodig had.
Bezoeken te rechter tijd voorzien in aanmoediging
Intussen kregen Pascoal Oliveira en het groepje Europeanen in Lourenço Marques opbouwende bezoeken van Halliday en Joyce Bentley, een zendelingenechtpaar dat door het bijkantoor in Nyasaland was uitgestuurd. Hun bezoeken, tweemaal per jaar, golden Beira, zo’n 720 kilometer ten noorden van de hoofdstad, alsook andere steden. Later bezocht ook Milton Henschel van het internationale hoofdbureau hen en moedigde hen aan ermee voort te gaan met Jehovah’s organisatie samen te werken.
De eerste gemeente van Mozambiquaanse Getuigen in de hoofdstad functioneerde al een aantal jaren toen daar in 1963 een gemeente voor de Europese verkondigers werd opgericht.
Moedig het goede nieuws verkondigen
Toen de koloniale politie, de PIDE, Ernesto Chilaule zijn lectuur had teruggegeven, verloor de Afrikaanse groep in Lourenço Marques alle vrees. ’s Zondags kwamen zij bijeen bij het drukke marktplein van Xipamanine, onder de schaduw van een boom. Met gebruikmaking van een geluidsinstallatie beschouwden zij de dagtekst. Daarna gingen zij twee aan twee de huizen en bedrijven rond de markt bezoeken. Om half twaalf ’s ochtends keerden zij naar hun oorspronkelijke vergaderpunt terug om wat te eten voordat zij op het middaguur met hun wijd en zijd aangekondigde openbare toespraak begonnen. Nu en dan, als sommige verkondigers niet op tijd van hun bediening terugkeerden, werden zij via de geluidsinstallatie opgeroepen: „Het is tijd . . . het is tijd. Laten wij teruggaan, want het is tijd . . .”
Dan begon zich een grote menigte te verzamelen. Behalve degenen die persoonlijk waren uitgenodigd en de broeders zelf, kwamen er altijd veel nieuwsgierige toeschouwers, aangetrokken door het versterkte geluid. Zij vormden dan een grote kring op die drukke plek, waarna de toespraak begon. Huisbewoners kwamen buiten op hun veranda’s meeluisteren, velen met hun bijbel in de hand om de schriftplaatsen te volgen die werden voorgelezen. De broeders gingen enige jaren met deze regeling voort, om beurten op de marktpleinen van Xipamanine en Chamanculo en op de Craveiro Lopes Avenue (thans Avenida Acordos de Lusaka). Dit heeft ertoe bijgedragen dat in de jaren zestig het aantal gemeenten groeide van een naar vier.
Zijn eerste kaart was een PIDE-kaart
Een van degenen met wie op deze wijze contact gelegd werd, was Micas Mbuluane. Toen hij het boek „God zij waarachtig” aanvaardde en om een bijbelstudie verzocht, vroeg hij: „Hoeveel moet ik hiervoor betalen?” Nu wordt er nooit iets berekend voor zulke studies, maar de broeders stelden hem voor de volgende zondag zijn huis beschikbaar te stellen voor het houden van een lezing. Daar stemde hij grif in toe. De spreker was Ernesto Chilaule, en er waren zo’n 400 aanwezigen. Een informant van de PIDE rapporteerde deze vergadering aan de politie. Het hoofd van politie ontbood Micas op zijn bureau. Micas maakte zich ongerust. In zijn eigen woorden: „Daar sta ik nu, een dubbele heiden, want ik heb pas één vergadering bijgewoond. Wat moet ik zeggen?” (Plaatselijk betekent „heiden” een ongelovige; met „dubbele heiden” benadrukte hij hoe onwaardig hij zich voelde.) Onmiddellijk belde hij de broeder die met hem studeerde om in de paar minuten voordat hij aan de oproep gehoor gaf nog een beetje opleiding te krijgen.
Toen Micas op het politiebureau kwam, werd hem gevraagd wat zijn religie was. Zonder aarzelen antwoordde hij: „Jehovah’s Getuige.” Toen vervolgde Mario Figueira, het hoofd van politie, zijn ondervraging: „Er is dus een grote bijeenkomst in je huis gehouden, met een buitenlandse invloed, achter gesloten deuren, en met de politie buitengesloten. Dat moet beslist iets met het Frelimo te maken gehad hebben.” Hij doelde op het Bevrijdingsfront voor Mozambique (Frente da Libertação de Moçambique), de beweging die in die tijd voor de onafhankelijkheid van Mozambique streed. Micas vroeg zich af hoe hij moest reageren; dit was bij zijn „opleiding” niet ter sprake gekomen. Diplomatiek probeerde hij de hele regeling die hij voor het eerst had gezien en meegemaakt uit te leggen.
„Goed, goed, Micas, zo is het wel genoeg”, onderbrak de heer Figueira hem. Hij sloeg zijn armen om Micas heen en vervolgde: „Wat jij zegt, is de waarheid. Vanaf het begin van de geschiedenis zijn Gods dienstknechten vervolgd omdat zij de waarheid spraken, net als met jullie gebeurd is. Ik vraag maar één ding. Als jullie weer eens zo’n grote bijeenkomst houden, laat het ons dan weten, zodat we daar geen moeilijkheden over krijgen. Ga in vrede. Maar kom morgen hier terug en breng twee foto’s mee zodat we een Jehovah’s Getuigen-kaart voor je kunnen aanleggen.” (In die tijd zat er voor alle verantwoordelijke personen in de gemeente een kaart in een systeem van de PIDE.) Micas vertelt graag onder geamuseerd gegrinnik: „Ik, een dubbele heiden, had een kaart bij de PIDE voordat ik er een in de gemeente had!” Helaas was deze sympathieke bejegening door functionarissen van de politie niet de gebruikelijke gang van zaken.
Gebeurtenissen in Malawi zijn gunstig voor het werk in het noorden
Drie van de „Maak discipelen”-districtsvergaderingen die in 1967 in Malawi werden gehouden, vonden plaats in de buurt van de grens met Mozambique, zodat het voor sommige Mozambiquaanse broeders gemakkelijker werd erheen te gaan. Maar in oktober verklaarde president H. Kamuzu Banda Jehovah’s Getuigen tot een verboden genootschap in Malawi. Er brak een barbaarse vervolging tegen hen los. In heel het land werden hun bezittingen verwoest, zij werden geslagen, sommigen werden gedood, en meer dan duizend christelijke vrouwen werden verkracht. In wanhoop zochten velen een toevlucht in Mozambique. In tegenstelling tot wat men had kunnen verwachten, ontvingen de Portugese autoriteiten hen gastvrij. In twee grote kampen bij Mocuba, in de provincie Zambézia, werd hun voedsel verstrekt. In een van deze kampen alleen al bevonden zich 2234 van onze broeders. Hun aanwezigheid heeft veel bijgedragen tot de verbreiding van de Koninkrijksboodschap in het noorden.
In Beira, de op één na grootste stad in het land, genoten de Mozambiquaanse Getuigen in deze periode grotere vrijheid dan die in de hoofdstad. Zij konden hun vergaderingen houden maar waren aan beperkingen onderworpen wat de van-huis-tot-huisprediking betrof, vooral in de Europese woonwijken.
Een controversiële aankondiging veroorzaakt verdeeldheid
In 1968 werden de ouderlingen in Lourenço Marques bij de PIDE ontboden. Zij kregen een „Aankondiging” voorgelegd waarin werd meegedeeld dat het Jehovah’s Getuigen verboden was proselieten te werven en dat zij alleen met leden van hun eigen familie mochten vergaderen. Deze „Aankondiging” moest bij wijze van ontvangstbevestiging worden ondertekend.
Daar de ouderlingen begrepen dat dit niets te maken had met een afzweren van hun geloof maar alleen de erkenning van ontvangst van een aankondiging inhield, tekenden zij. Zij waren echter vastbesloten te blijven gehoorzamen aan de bijbelse aansporingen om te vergaderen en te prediken, zij het omzichtig en in kleinere groepen (Matth. 10:16; 24:14; 28:18-20; Hebr. 10:24, 25). Ondanks hun goede bedoeling ontstond er verdeeldheid onder de broeders. Sommigen vonden dat de ouderlingen geschipperd hadden door dit document te ondertekenen.
In een poging om de dissidente groep te bewijzen dat zij niet uit vrees hadden gehandeld en dat er niet geschipperd was, vormden de ouderlingen een comité met Ernesto Chilaule als voorzitter. Zij benaderden de PIDE-autoriteiten om te informeren naar de reden voor het verbod. „Wat mankeert er aan Jehovah’s Getuigen?”, vroegen zij. Zij vernamen: „Wij hebben geen moeilijkheden met jullie, maar deze religie is in Mozambique verboden. Ook al doen jullie niets verkeerds, de regering geeft geen toestemming voor deze religie.” De ambtenaren voegden eraan toe dat indien iemand deze religie wilde beoefenen, hij maar naar een ander land moest gaan.
Het antwoord van broeder Chilaule en zijn metgezellen was krachtig: „Als de regering besluit dat het verkeerd is mensen te leren niet te stelen, niet te doden en geen slechte dingen te doen, laat ons dan maar arresteren. Wij zullen ermee doorgaan de waarheid te onderwijzen, en dat is precies wat wij gaan doen zodra wij hier de deur uitgaan.” Ook deze uitdrukkingen doen denken aan Jezus’ apostelen bij het Sanhedrin. — Hand. 4:19, 20.
Waren de dissidenten verzoend door deze moedige daad? Helaas niet. Ondanks alle hulp die hun werd aangeboden, met inbegrip van herhaalde bezoeken door een bijzondere vertegenwoordiger van het bijkantoor in Zuid-Afrika, bleven zij een onafhankelijke koers varen en noemden zich „Vrije getuigen van Jehovah”. Zij moesten wegens afvalligheid worden uitgesloten. Later schreef het Genootschap dat behoedzaam handelen ten overstaan van vervolging geen aanwijzing voor vrees is, maar in overeenstemming is met Jezus’ raad in Mattheüs 10:16.
De PIDE slaat hard toe
Minder dan een jaar na die opstand arresteerde de PIDE zestien broeders die verantwoordelijke posities hadden. Onder hen waren Ernesto Chilaule, Francisco Zunguza en Calvino Machiana. Het was bij deze gelegenheid dat agenten van de PIDE de woorden uit het begin van dit verslag tot broeder Chilaule richtten.
Er volgden meer arrestaties. Hoe kwam de PIDE aan de namen en adressen van de aangestelde dienaren? Bij een inval in het huis van broeder Chilaule hadden zij op een tafel een map gevonden waarin brieven van het Genootschap zaten met de namen van de aangestelde dienaren, evenals de handleiding In eenheid tezamen prediken. Met deze informatie in hun bezit kozen zij doelgericht de gemeentedienaar, de assistent-gemeentedienaar, de Wachttoren-studieleider, de gemeenteboekstudieleider en anderen uit. Dezen werden zonder vorm van proces in de gevangenis van Machava geworpen — veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf.
Het bijkantoor in Zuid-Afrika moedigde de broeders in de gevangenis aan en voorzag in hulp voor de gezinnen die van hen afhankelijk waren. Amnesty International spande zich in om zowel de broeders vrijgelaten te krijgen als hun berooide gezinnen enige steun te verlenen. De broeders in Mozambique die in vrijheid waren, troffen regelingen om de behoeftigen van voedsel te voorzien. Alita, de dochter van broeder Chilaule, zegt over deze regeling: „Het heeft ons nooit aan ons dagelijks voedsel ontbroken. Soms was het zelfs van betere kwaliteit dan wat wij gewend waren.”
Het predikingswerk gaat door
Ondanks de „moeilijke tijd” kon Jehovah’s volk niet ophouden met hun levengevende werk, de prediking van het goede nieuws van het Koninkrijk (2 Tim. 4:1, 2). Fernando Muthemba, die een van de pilaren van het werk in dit land werd, herinnert zich dat in zijn gemeente zowel de gemeentedienaar als de assistent-gemeentedienaar gearresteerd werd. Aangezien hij de bijbelstudiedienaar was, moest hij noodgedwongen de leiding nemen. Het Genootschap gaf opdracht voor het houden van een serie lezingen gebaseerd op het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Met gepaste omzichtigheid trof hij regelingen om deze ’s avonds te laten houden, voor de boekstudiegroepen. Iedere spreker hield zijn lezing elke avond voor twee groepen. Zo ontvingen vele genodigden dit geestelijke voedsel, en hun waardering voor de waarheid groeide.
Nieuwelingen kregen een intensieve opleiding, zodat zij doeltreffend in hun bediening en moedig ten overstaan van vervolging zouden zijn. Filipe Matola beschrijft hoe hij voordeel trok van een vroegtijdige opleiding: „Wij werden erin opgeleid met anderen te delen wat wij leerden, en aan de hand van de bijbel alles wat wij onderwezen bekwaam te bewijzen. Na twee weken studie begonnen wij met informeel prediken. In de derde week begonnen wij dan andere geïnteresseerden mee te nemen zodat zij ook aan de studie konden deelnemen. In de vierde week begonnen wij van huis tot huis te prediken. Nieuwelingen werden aangemoedigd onder beproevingen en gevangenschap te volharden en onbevreesd te zijn. Er was in de gemeente nog maar één met verantwoordelijkheid beklede broeder op vrije voeten, en hij placht te zeggen: ’Ik weet niet wanneer ik de gevangenis in ga. Daarom dienen jullie allen te leren hoe je voor de gemeente moet zorgen.’” Toen ook broeder Matola naar de gevangenis van Machava werd gestuurd, bekoelde zijn ijver niet.
Prediken en vergaderen in de gevangenis
Zo snel mogelijk organiseerde de groep in de gevangenis van Machava alle vergaderingen, met het doel geestelijk sterk te blijven. Hoe kregen zij dat voor elkaar, want zij stonden toch onder bewaking? Dat ging zo, vertelde Filipe Matola: „Wij benutten de gelegenheden dat wij toegang hadden tot de binnenplaats van de gevangenis. Degene die de toewijzing had een toespraakje op de theocratische bedieningsschool te houden, liep dan met vier anderen op, alsof zij al wandelend een praatje maakten. Dan verliet hij dit groepje en deed hetzelfde met een tweede, enzovoort, tot hij zijn toespraakje voor alle groepjes gehouden had.”
Aanvankelijk probeerden zij de boekstudie in de cellen met behulp van een publikatie te houden, maar hun studie werd ontdekt en het werd hun belet ermee door te gaan. Zij veranderden van methode. Luis Bila, een van de andere gevangenen, vertelt daarover: „Wij bereidden ons ieder afzonderlijk voor en op een van tevoren afgesproken dag en uur liepen wij dan zonder een publikatie in de hand rond en gebruikten dezelfde methode als voor de theocratische bedieningsschool, waarbij ieder de hoofdpunten uit de stof naar voren bracht. Deze methode was bijzonder nuttig, want wij moesten de stof uit het hoofd leren, zodat we die nooit zouden vergeten.”
Familieleden die in vrijheid waren, hielpen door lectuur tussen het voedsel te verbergen en het telkens als zij op bezoek kwamen de gevangenis in te smokkelen. Op deze wijze werden de broeders lichamelijk en geestelijk gevoed.
Er waren ook gelegenheden waarbij andere gevangenen van de vergaderingen konden profiteren. Toen bij één gelegenheid drie broeders een vleugel van de gevangenis met zeventig andere gevangenen deelden, werd er een openbare toespraak gehouden. Eén broeder diende als voorzitter en de tweede sprak een gebed uit. Vervolgens zongen zij alle drie en werd de toespraak gehouden. Er waren in totaal 73 aanwezigen.
Ernesto Chilaule deelde zijn cel met een lid van het Frelimo, die door de PIDE was gearresteerd omdat hij voor onafhankelijkheid streed. Zij hadden samen vriendschappelijke gesprekken en er werd een getuigenis over de hoop op Gods koninkrijk gegeven. Zij zouden elkaar later onder andere omstandigheden weer ontmoeten.
Verlangend de waarheid te delen in Inhambane
Inhambane, een van de zuidelijke provincies, werd het toneel voor intensieve activiteiten van een nederige metselaar. Toen deze man, Arão Francisco, in 1967 in Lourenço Marques een lezing had gehoord, twijfelde hij er niet aan dat hij de waarheid had gevonden. Hij voelde zich gedrongen met de mensen thuis te delen wat hij gehoord had. En dat deed hij. Na zijn terugkeer naar Lourenço Marques werd hij in ongeveer dezelfde tijd dat de grote groep ouderlingen door de PIDE werd gearresteerd, gedoopt. Arão voelde zich verantwoordelijk voor de belangstelling die hij onder zijn eigen mensen had gewekt en vreesde dat hij gevangengenomen zou worden voordat hij hen verder kon helpen. Sommige van de broeders probeerden hem op andere gedachten te brengen en zeiden dat hij nog te nieuw in de waarheid was om er op eigen houtje op uit te gaan. Hij wachtte een paar maanden maar kon niet langer weerstand bieden aan een dringend verlangen om tot zijn mensen te prediken. Hij nam zijn vrouw en twee kinderen mee en zij begaven zich op de terugweg naar Inhambane. Beginnend met alleen zijn gezin hield hij alle vergaderingen.
Hij verbreidde de waarheidszaden in de stad Inhambane, in Maxixe, en in andere steden in die streek, en legde daarmee het fundament voor gemeenten die daar thans te vinden zijn. Toen een katholieke priester probeerde in te grijpen met de woorden „U kunt hier geen groepen stichten”, reageerde Arão moedig: „Er zijn geen grenzen voor het goede nieuws dat ik breng. Dat weet overal te komen.” En dat is, zoals uit Handelingen 1:8 blijkt, ook inderdaad wat er volgens Jezus zou gebeuren.
De plaatselijke priester riep een vergadering bijeen om te beslissen of Arão het gebied uitgezet moest worden. Arão hield staande dat hij niet zou vertrekken. Het wekt geen verbazing dat de priester de hulp inriep van zijn favoriete bondgenoot, de PIDE.
De PIDE maakt jacht op een prediker-bouwer
Op een zondag, toen Arão een bezoek bracht aan andere groepen verder weg, woonden vier PIDE-agenten de vergadering in Inhambane bij. Zij beweerden dat zij Jehovah’s Getuigen op doorreis waren. Maar aan het einde van de vergadering identificeerden zij zich en eisten Arão te spreken. Toen zij hem niet aantroffen, arresteerden zij acht van de aanwezige broeders.
Aangezien Arão een huis aan het bouwen was voor de bestuurder van Ngweni, gingen de agenten hem daar zoeken. Arão hoorde de bestuurder tegen hen zeggen: „Ik kan hem niet vanwege religieuze redenen laten gaan. Eerst moet hij het werk aan mijn huis afmaken.” Daarop vroegen de agenten: „Bedoelt u dat hij de man is die dit huis bouwt?” „Ja,” antwoordde de bestuurder, „en hij heeft ook het huis in Maxixe en vele andere gebouwd. Niemand anders hier in de omgeving heeft verstand van het werk dat hij aan mijn huis doet. Hij heeft het registratiebureau in Maxixe gebouwd en hij moet ook het logement nog bouwen.” Op het horen van dit overzichtje zeiden de agenten: „Wij komen terug om Arão op te halen voor de bouw van het huis voor de directeur van openbare werken.”
Arão werd gearresteerd en gebruikt voor de bouw van verschillende regeringsprojecten. Maar zelfs als gevangene had hij vele gelegenheden om getuigenis te geven.
Een functionaris van de PIDE placht Arão ’s avonds laat op zijn kantoor te ontbieden om hem te helpen het Waarheid-boek te bestuderen. Als er andere mensen kwamen, pakte de functionaris, de heer Neves, haastig een paar documenten en deed alsof hij een verhoor afnam. Op een dag zei hij: „Arão, door wat jij me geleerd hebt, ben ik bekeerd. Mijn hele leven, vanaf de tijd dat ik in Lissabon woonde tot nu toe, heb ik met Jehovah’s Getuigen gesproken. Als ik nu binnenkort met pensioen ga, word ik een van hen. Maar voordat ik vertrek, moet ik jou vrij zien te krijgen. Maak je huidige karwei maar af, en daarna zal ik de inspecteur-generaal in overweging geven een andere metselaar in dienst te nemen. Om problemen te voorkomen, ga ik niet terug naar Lissabon maar ik verkoop alles wat ik heb en ga naar Amerika. Hoor je dat, Arão? Spreek hier met niemand over.”
De heer Neves had zich vast voorgenomen zijn belofte gestand te doen en stelde zelfs de broeders die in Inhambane gevangenzaten in vrijheid. Maar Arão de vrijheid geven was niet zo eenvoudig. De PIDE was hem als hun bouwer gaan beschouwen. Intussen was de heer Neves al met pensioen, maar iedere dag zocht hij zijn vriend op en deed pogingen bij de inspecteur-generaal om Arão vrij te krijgen. Zoals de heer Neves beloofd had, ging hij pas weg nadat Arão vrijgelaten was. Wij vragen ons af waar de heer Neves nu is. Heeft hij de rest van zijn belofte gehouden? Dat hopen wij van harte.
Politieke veranderingen brengen tijdelijke verlichting
Op 1 mei 1974 was er in de hele gevangenis van Machava een vreugdegeroep te horen. De „Anjerrevolutie” (Revolução dos Cravos) van 25 april had een eind gemaakt aan de dictatuur in Portugal, hetgeen drastische veranderingen in haar overzeese koloniën teweegbracht. Op 1 mei werd alle politieke gevangenen amnestie verleend. Jehovah’s Getuigen, die wegens hun politieke neutraliteit gevangengezeten hadden, vielen onder deze amnestie. Mozambique trof nu voorbereidingen om een onafhankelijke natie te worden.
Na hun vrijlating voelden de broeders zich aangemoedigd toen zij zagen hoe Jehovah’s dienstknechten in aantal waren toegenomen. Ook waren zij aangenaam getroffen toen zij zagen hoe geestelijk sterk degenen waren die in vrijheid gebleven waren. (Vergelijk Filippenzen 1:13, 14.) Profiterend van hun nieuwe vrijheid hielden zij een grootse kringvergadering. Hun vreugde werd nog verhoogd door de aanwezigheid van twee Zuidafrikaanse broeders die hun heel dierbaar waren — Frans Muller, bijkantoorcoördinator van Zuid-Afrika, die een intense belangstelling had getoond voor het welzijn van de broeders in Mozambique, en Elias Mahenye, die vele jaren als kringopziener in het zuiden van Mozambique had gediend.
Op deze grote vergadering werden degenen die gevangengezeten hadden, aangemoedigd om in eenheid samen te werken met Jehovah’s snel opmarcherende organisatie. Broeder Mahenye gaf de broeders te bedenken: „De PIDE is verdwenen, maar zijn grootvader, Satan de Duivel, is er nog steeds. Maak je sterk en bouw moed op.” Hij vroeg degenen die in de gevangenis gezeten hadden op te staan. Dat waren er ettelijke tientallen. Toen vroeg hij degenen die tijdens de gevangenschap van de broeders in de waarheid gekomen waren op te staan. De helft van de ongeveer 2000 toehoorders stond op. Broeder Mahenye besloot: „Jullie hebben geen reden om bevreesd te zijn.”
Dat waren woorden van aanmoediging te rechter tijd. Donkere wolken vormden zich aan de horizon, en een uiterste beproeving op hun liefde voor Jehovah wachtte al Jehovah’s dienstknechten in Mozambique.
Het jaar 1974 vloog om. In de loop van dat jaar werden 1209 personen gedoopt; in 1975 waren dat er 2303. Velen die nu ouderling zijn, werden in die tijd gedoopt.
Maar het revolutionaire vuur nam bezit van het land. De leus „Viva Frelimo” (Leve het Frelimo) werd een symbool van de tienjarige strijd voor vrijheid en onafhankelijkheid. Er heerste een nationale euforie en voor de meerderheid leek het onvoorstelbaar dat iemand daar niet in zou delen. De heersende gevoelens stonden op het punt korte metten te maken met de kortstondige vrijheid van de broeders, en dat zou met ijzeren hand gebeuren.
Arrestatiebevelen
Toen de voorbereidingen voor 25 juni 1975, de onafhankelijkheidsdag, gestalte begonnen te krijgen, werd het neutrale standpunt van Jehovah’s Getuigen steeds duidelijker. Broeders die verantwoordelijkheid droegen, probeerden een onderhoud met de nieuwe regering te krijgen, maar tevergeefs. Het kwam vrijwel neer op een bevel, toen de kort daarvoor geïnstalleerde president tijdens een radiotoespraak schreeuwde: „Wij zullen voorgoed een eind maken aan die Jehovah’s Getuigen . . . Wij geloven dat het agenten zijn die door het Portugese kolonialisme zijn achtergelaten; het zijn vroegere PIDE-leden . . . Wij stellen het volk daarom voor hen onmiddellijk te arresteren.”
De storm was losgebarsten. In de wijken werden zogenoemde dynamiseringsgroepen op de been gebracht, met één gemeenschappelijk doel, namelijk alle Jehovah’s Getuigen te arresteren — op hun werk, in huis, hetzij overdag of ’s nachts, in het hele land. Iedereen was verplicht op wijkvergaderingen te verschijnen die op arbeidsplaatsen en openbaar terrein werden gehouden, en iedereen die niet met de menigte „Viva Frelimo” meeriep, werd als vijand geïdentificeerd. Dat is de geest die er heerst wanneer nationalistische hartstochten het kookpunt bereiken.
Toch is het alom bekend dat Jehovah’s Getuigen, hoewel zij in politieke aangelegenheden neutraal zijn, wet en orde hoog houden, ambtenaren met respect bejegenen, eerlijk zijn en gewetensvol hun belastingen betalen. Door de jaren heen zou de Mozambiquaanse regering dat bevestigen. Intussen bleek de situatie van Jehovah’s Getuigen in Mozambique veel weg te hebben van die van de eerste christenen die in de Romeinse arena’s ter dood gebracht werden omdat zij weigerden wierook voor de keizer te branden, en van die van hun broeders in Duitsland die in concentratiekampen geworpen werden omdat zij weigerden „Heil Hitler” te roepen. In de hele wereld staan Jehovah’s Getuigen bekend om hun weigering te schipperen ten aanzien van hun gehoorzaamheid aan Jehovah en aan Jezus Christus, die over zijn volgelingen zei: „Zij zijn geen deel van de wereld, evenals ik geen deel van de wereld ben.” — Joh. 17:16.
Massale deportatie — Waarheen?
Binnen de kortste keren raakten de gevangenissen in Mozambique overvol met duizenden Jehovah’s Getuigen. Veel gezinsleden werden gescheiden. De intense propaganda riep zoveel vijandigheid jegens de Getuigen op dat velen, hoewel de ouderlingen het niet aanmoedigden, verkozen zich aan te geven, omdat zij zich bij hun broeders en verwanten die al in de gevangenis zaten veiliger voelden.
Vanaf oktober 1975 kwam op de bijkantoren van Zimbabwe (toen Rhodesië) en Zuid-Afrika een vloed van berichten van kringopzieners, diverse verantwoordelijke comités en afzonderlijke broeders binnen, waaruit zich een somber beeld aftekende. Deze berichten werden weer doorgegeven aan het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen. Zodra de internationale broederschap het nieuws van de ellendige situatie van de broeders in Mozambique ontving, werden er uit alle delen van de aarde onophoudelijk gebeden opgezonden ten behoeve van deze vervolgde broeders, in overeenstemming met de raad in Hebreeën 13:3. Alleen Jehovah kon hen schragen, en dat deed hij, op zijn eigen wijze.
Naar alle waarschijnlijkheid was het niet de bedoeling van de hogere regeringsautoriteiten om Jehovah’s Getuigen de wrede behandeling aan te doen die zij in de praktijk ondergingen. Maar sommige van de lagere overheden trachtten, in een verbeten poging om diepgewortelde gewetensovertuigingen te veranderen, met gewelddadige middelen een „Viva” uit de mensen te persen. Een van de vele voorbeelden daarvan is Julião Cossa uit Vilanculos, die drie uur lang geslagen werd in een poging hem ten aanzien van zijn geloof te laten schipperen, maar zonder resultaat. Als deze beulen er af en toe in slaagden iemand een „Viva” af te dwingen, waren zij daarmee nog niet tevreden. Zij eisten dan dat de Getuige ook „Weg met Jehovah” en „Weg met Jezus Christus” riep. De wreedheden waaraan onze broeders werden blootgesteld, zijn te talrijk om op te noemen en te verschrikkelijk om te beschrijven. (Zie de Ontwaakt! van 22 maart 1976, blz. 16-26.) Zij wisten echter dat, zoals de apostel Paulus aan de eerste-eeuwse christenen in Filippi schreef, hun moedige standpunt onder verdrukking en vervolging een bewijs van de diepte van hun liefde voor God was en de verzekering in zich droeg dat Hij hen met redding zou belonen. — Fil. 1:15-29.
De verstikkende omstandigheden die het gevolg waren van de overbevolking in de gevangenissen, nog verergerd door vuil en voedselgebrek, veroorzaakten in een tijd van vier maanden de dood van meer dan zestig kinderen in de gevangenissen van Maputo (voorheen Lourenço Marques). De broeders die nog op vrije voeten waren, deden hun best om hun broeders in de gevangenis bij te staan. In de laatste maanden van 1975 verkochten sommige Getuigen hun bezittingen om hun gevangengezette broeders van voedsel te blijven voorzien. Maar zich met degenen die in de gevangenis zaten te identificeren, betekende hun eigen vrijheid in gevaar brengen, en velen werden gearresteerd terwijl zij in de behoeften van hun broeders voorzagen. Dit was de soort van liefde die volgens Jezus zijn ware volgelingen voor elkaar zouden hebben. — Joh. 13:34, 35; 15:12, 13.
Het was paradoxaal dat gedurende deze zelfde periode sommige Getuigen in de provincie Sofala heel anders behandeld werden. Na hun arrestatie werden zij naar het luxueuze Grande Hotel in de stad Beira gebracht en kregen te eten in afwachting van vervoer naar hun uiteindelijke bestemming.
Wat was die bestemming? Dat was een mysterie, zelfs voor de chauffeurs van de vele bussen en vrachtwagens die hen zouden vervoeren.
Bestemming — Carico, district Milange
Tussen september 1975 en februari 1976 werden al Jehovah’s Getuigen die in hechtenis zaten, hetzij in gevangenissen of in de openlucht, overgeplaatst. De niet-bekendgemaakte bestemming was nog een wapen dat door de politie en andere plaatselijke autoriteiten werd gehanteerd om te proberen de broeders te intimideren. „Jullie worden door wilde beesten opgevreten”, kregen zij te horen. „Het is een onbekende plaats in het noorden, waar jullie nooit meer van terugkomen.” Ongelovige familieleden hieven een koor van geween en geweeklaag aan en drongen er bij de gelovigen op aan zich gewonnen te geven. Er waren er echter maar heel weinig die schipperden. Zelfs pasgeïnteresseerden verbonden moedig hun lot aan dat van Jehovah’s Getuigen. Dat was bijvoorbeeld het geval met Eugênio Macitela, een verwoed aanhanger van politieke idealen. Zijn belangstelling was gewekt toen hij hoorde dat de gevangenissen vol Jehovah’s Getuigen zaten. Om erachter te komen wie zij waren, had hij om een bijbelstudie gevraagd, met het gevolg dat hij een week later werd gearresteerd en gedeporteerd. Hij was een van de eersten die in de concentratiekampen gedoopt werden, en nu dient hij als kringopziener.
De Getuigen gaven geen teken van vrees of ongerustheid toen zij uit de gevangenissen werden gehaald en in bussen, vrachtwagens en zelfs vliegtuigen werden geladen. Een van de meest indrukwekkende karavanen vertrok op 13 november 1975 uit Maputo. Het waren veertien bussen of machibombos zoals ze hier genoemd worden. De schijnbaar onverklaarbare vreugde van de broeders bewoog de soldaten die de leiding hadden ertoe te vragen: „Hoe kunnen jullie zo blij zijn als je niet eens weet waar je heengaat? Waar jullie heengaan, is het helemaal niet goed.” Maar de vreugde van de broeders werd niet getemperd. Terwijl ongelovige verwanten huilden uit vrees voor de toekomst van hun dierbaren, zongen de Getuigen Koninkrijksliederen zoals dat met de titel „Moedig vooruit”.
Bij elke stad waar zij langskwamen, telefoneerden de chauffeurs met hun meerderen om hun bestemming te vernemen, en kregen zij bevel naar de volgende halteplaats te rijden. Sommige chauffeurs verdwaalden. Maar uiteindelijk arriveerden zij in Milange, een districtshoofdstad in de provincie Zambézia, 1800 kilometer van Maputo. Daar werden de broeders door de bestuurder ontvangen met een „welkomsttoespraak”, een schimprede vol dreigementen.
Vervolgens werden zij dertig kilometer verder naar het oosten gebracht, naar een plek aan de oevers van de rivier de Munduzi, het gebied dat als Carico bekendstaat, nog in het district Milange. Duizenden Jehovah’s Getuigen uit Malawi, die een golf van vervolging in hun eigen land ontvlucht waren, woonden daar sinds 1972 als vluchtelingen. De onverwachte komst van de Mozambiquaanse broeders was een verrassing voor de Malawianen. En voor de Mozambiquanen was het een verrassing te worden verwelkomd door broeders die een vreemde taal spraken. Maar het was een hoogst aangename verrassing, en de Malawiaanse broeders ontvingen de Mozambiquaanse Getuigen met zoveel hartelijke gastvrijheid dat de chauffeurs onder de indruk kwamen. — Vergelijk Hebreeën 13:1, 2.
De districtsbestuurder was de man die jaren tevoren met de broeders in de gevangenis van Machava had gezeten. Bij iedere groep die hij ontving, vroeg hij: „Waar zijn Chilaule en Zunguza? Ik weet dat zij komen.” Toen broeder Chilaule ten slotte inderdaad kwam, zei de bestuurder tegen hem: „Chilaule, ik weet werkelijk niet hoe ik je moet ontvangen. Wij zitten nu in verschillende kampen.” Hij hield vast aan zijn ideologieën en maakte het zijn vroegere celgenoten in geen enkel opzicht gemakkelijker. Hij was, zoals hij over zichzelf zei, „een bok die regeerde te midden van de schapen”.
Liefdevolle ondersteuning door de internationale broederschap
De internationale broederschap van Jehovah’s Getuigen gaf uiting aan haar liefdevolle bezorgdheid voor de broeders in Mozambique. Zij overstroomden de posterijen van het land met boodschappen waarin een beroep op de Mozambiquaanse autoriteiten werd gedaan. Collega’s bij een telecommunicatiebedrijf plachten de spot te drijven met Augusto Novela, een Getuige, en te zeggen dat Jehovah’s Getuigen maar een plaatselijke sekte waren. De mond werd hun echter gesnoerd toen over de telexen boodschappen uit de hele wereld begonnen binnen te komen. De overweldigende reactie legde getuigenis af van het feit dat Jehovah’s volk werkelijk door liefde verenigd is.
Na ongeveer tien maanden erkende een minister tijdens een inspectiebezoek aan de kampen dat de broeders op valse beschuldigingen gevangen waren gezet. Het was echter nog te vroeg om vrijlating te verwachten.
De uitdagingen van een nieuw leven
Er was een nieuw hoofdstuk geopend in de geschiedenis van Jehovah’s volk in Mozambique. De Malawiaanse broeders in het gebied hadden zich in acht dorpen georganiseerd. Zij hadden veel ervaring opgedaan met aanpassing aan een nieuwe levensstijl in de rimboe en hadden bekwaamheid ontwikkeld in het bouwen van huizen, Koninkrijkszalen en zelfs congreshallen. Degenen die geen eerdere ervaring in de landbouw hadden, leerden ook het nodige van dat soort werk. Veel van de Mozambiquanen, die nog nooit een machamba (akker) hadden beplant, stonden op het punt voor het eerst kennis te maken met het zware werk op het land. In de eerste paar maanden profiteerden de nieuw aangekomenen van de liefdevolle gastvrijheid van hun Malawiaanse broeders, die hen in hun huizen opnamen en hun voedsel met hen deelden. Maar nu werd het tijd dat de Mozambiquaanse broeders hun eigen dorpen gingen bouwen.
Dat was geen eenvoudige opgave. Het regenseizoen was begonnen en het gebied werd als nooit tevoren rijkelijk gezegend met hemelwater. Toen echter de Munduzi, die midden door het kamp stroomde, in een normaliter door droogte geteisterd gebied buiten haar oevers trad, zagen de broeders dit als een symbool van de wijze waarop Jehovah voor hen zou zorgen. En werkelijk, de rivier is in de twaalf daaropvolgende jaren niet eenmaal opgedroogd zoals voorheen. Aan de andere kant „vormde het terrein, dat als gevolg van het regenweer natuurlijk modderig en glibberig was geworden, een extra uitdaging voor voormalige stedelingen”, zoals broeder Muthemba verhaalt. Bovendien was het voor de vrouwen niet gemakkelijk de rivier over te steken, balancerend op geïmproviseerde bruggen die niet veel meer waren dan boomstammen. „Voor ons mannen die een kantoor gewend waren, was het een uitdaging de dichte bossen in te gaan en bomen te vellen om onze huizen mee te bouwen”, weet Xavier Dengo te vertellen. Deze omstandigheden bleken een beproeving te zijn waarop sommigen niet waren voorbereid.
Wij herinneren ons dat in de dagen van Mozes het geklaag begon onder „de gemengde schare” die de Israëlieten uit Egypte naar de wildernis vergezelde en dat het zich vervolgens tot de Israëlieten zelf uitbreidde (Num. 11:4). Op soortgelijke wijze trad van meet af aan onder degenen die geen gedoopte Getuigen waren een groep klagers aan het licht, en enkelen van de gedoopten sloten zich bij hen aan. Zij benaderden de bestuurder en gaven hem te verstaan dat zij bereid waren iedere prijs te betalen om zo snel mogelijk naar huis teruggestuurd te worden. Dit leidde echter niet, zoals zij hadden gehoopt, tot een prompte reis naar huis. Zij werden in Milange vastgehouden en velen van hen werden voor de getrouwen als een steentje in de schoen. Zij kwamen bekend te staan als „de rebellen”. Zij woonden te midden van de getrouwe broeders maar waren er altijd als de kippen bij om hen te verraden. Hun liefde voor God had onder beproeving geen stand gehouden.
Waarom de hallen instortten
De Malawiaanse broeders in de kampen hadden aanzienlijke vrijheid van aanbidding genoten. Toen de Mozambiquaanse broeders arriveerden, profiteerden zij daar aanvankelijk van. Iedere dag kwamen zij in een van de grote congreshallen bijeen voor een beschouwing van de dagtekst. Dikwijls was een Malawiaanse kringopziener de voorzitter. „Het was versterkend”, vertelt Filipe Matola, „om na maanden van gevangenschap en reizen geestelijke aansporingen te horen in gezelschap van zoveel broeders.” Deze betrekkelijke vrijheid was echter niet van lange duur.
Op 28 januari 1976 gingen regeringsautoriteiten in gezelschap van soldaten de dorpen door om bekend te maken: „Het is jullie verboden in deze hallen of ergens anders in de dorpen te aanbidden of te bidden. De hallen worden genationaliseerd om door de regering naar believen te worden gebruikt.” Zij bevalen de broeders al hun boeken te komen brengen en vervolgens namen zij die in beslag. Natuurlijk verstopten de broeders wat zij maar konden. Daarna werden voor elke hal vlaggen gehesen en er werden soldaten op wacht gezet om te zorgen dat het decreet nageleefd werd.
Hoewel de hallen van palen waren gebouwd en een landelijk aanzien boden, waren ze behoorlijk sterk. Maar in betrekkelijk korte tijd begonnen ze allemaal in te storten. Xavier Dengo herinnert zich dat bij één gelegenheid hij en de bestuurder juist in een van de dorpen waren aangekomen toen de hal letterlijk in elkaar begon te zakken, hoewel het niet regende of waaide. De bestuurder riep uit: „Wat is er aan de hand? Jullie zijn slechte mensen. Nu wij de hallen genationaliseerd hebben, storten ze allemaal in!” Bij een latere gelegenheid zei de bestuurder tegen een van de ouderlingen: „Jullie moeten hebben gebeden voor het instorten van de hallen, . . . en jullie God heeft ze laten instorten.”
Organisatie in de dorpen
Er verrezen negen Mozambiquaanse dorpen evenwijdig aan en tegenover de acht bestaande Malawiaanse dorpen. Deze twee groepen, verenigd door de „zuivere taal”, zouden de volgende twaalf jaar samenleven (Zef. 3:9). Het gebied van elk van de dorpen was in blokken verdeeld, begrensd door goed onderhouden straten, en elk blok bestond uit acht erven van zo’n 25 bij 35 meter. De gemeenten waren volgens blokken gegroepeerd. Nadat in de kampen het verbod van kracht was geworden, konden zij geen in het oog lopende Koninkrijkszalen bouwen. In plaats daarvan bouwden zij daarom speciale L-vormige huizen voor dat doel. Daar woonde dan een weduwe of andere ongehuwde zodat het er als een woning uitzag. Als dan de vergaderingen werden gehouden, ging de spreker in de hoek van de „L” staan en kon op die manier de toehoorders aan beide kanten zien.
Rond de buitenrand van elk van de dorpen lagen de bijbehorende machambas. Elke gemeente verzorgde ook een „gemeente-machamba”, waaraan allen meewerkten als bijdrage voor de behoeften van de gemeente.
De omvang van elk dorp wisselde naar gelang van de bevolking. Een telling uit 1979 gaf aan dat het Mozambiquaanse Dorp nr. 7 het kleinst was, met slechts 122 verkondigers en 2 gemeenten, terwijl nr. 9, het grootste en meest afgelegen dorp, 1228 verkondigers en 34 gemeenten had. Het gehele kamp telde 11 kringen. Dit hele kamp, bestaande uit de Malawiaanse en Mozambiquaanse dorpen en daarvan afhankelijke gebieden, kwam onder de broeders bekend te staan als de Kring van Carico. De laatstgenoteerde telling die wij hebben, is die van 1981, toen de bevolking van de hele Kring van Carico 22.529 bedroeg, waarvan er 9000 actieve verkondigers waren. Later was er nog meer groei. (De toenmalige president, Samora Machel, verklaarde dat de bevolking 40.000 bedroeg, volgens de brochure Consolidemos Aquilo Que nos Une [Consolideren wat ons verenigt], blz. 38, 39.)
Het Chingo-tijdperk — Een moeilijke tijd
Natuurlijk waren Jehovah’s Getuigen niet alleen maar naar Milange gebracht om een landbouwkolonie te worden. Niet zonder reden noemde de regering het kamp Heropvoedingscentrum Carico, zoals blijkt uit het bestuurscentrum in het hart van het Malawiaanse Kamp nr. 4, bemand door regeringspersoneel, met kantoren en woongebouwen. Er waren ook een kampcommandant, zijn soldaten en een gevangenis waar veel broeders voor langere of kortere perioden werden opgesloten, op grond van de beslissingen van de commandant.
De beruchtste commandant van allemaal was Chingo. Zijn tweejarige periode als commandant kwam bekend te staan als het Chingo-tijdperk. Vastbesloten het onwankelbare standpunt van Jehovah’s Getuigen te breken en hen te „heropvoeden” nam hij iedere psychologische tactiek die hij kende en ook geweld te baat om zijn doel te bereiken. Hoewel hij vrijwel geen schoolonderwijs had genoten, was hij een vloeiend en overtuigend spreker, die zich graag van illustraties bediende. Hij gebruikte zijn gave om te proberen de broeders te indoctrineren met zijn politieke filosofie en hun liefde voor God te verzwakken. Een van zijn projecten was ’het vijfdaagse seminar’.
’Het vijfdaagse seminar’
De commandant maakte bekend dat er een „vijfdaags seminar” op het programma stond en dat de Getuigen de bekwaamste mannen uit de dorpen moesten kiezen, mannen die in staat waren om belangwekkende inlichtingen door te geven. Dezen zouden naar een seminar gestuurd worden dat in een verafgelegen oord gehouden zou worden. De broeders weigerden, omdat zij aan zijn bedoelingen twijfelden. Maar „de rebellen” die erbij waren, wezen de broeders met verantwoordelijke posities aan, waaronder de kringopzieners. Tot hen behoorden Francisco Zunguza, Xavier Dengo en Luis Bila. Een vrachtwagen vertrok met 21 mannen en 5 vrouwen. Zij reisden honderden kilometers naar het noorden, naar een streek ten noorden van Lichinga in de provincie Niassa. Daar werden de mannen in een „heropvoedingskamp” met misdadigers geworpen, terwijl de vrouwen naar een kamp voor prostituées werden gebracht.
Hier werden zij aan zware martelingen onderworpen, waaronder een methode die hun beulen „à la Christus” noemden. De armen van het slachtoffer werden zijwaarts gestrekt, als aan een kruis, en dan werd er een paal langs de armen gelegd. Vervolgens werd er strak om de armen en de paal heen over de hele lengte van beide armen, van de vingertoppen van de ene hand tot de vingertoppen van de andere, nylontouw gewikkeld. Terwijl de bloedsomloop in handen, armen en schouders volledig afgesneden werd, liet men het slachtoffer een hele tijd in die houding staan in een ijdele poging een „Viva Frelimo” uit hem te persen. Door deze onmenselijk wrede behandeling kreeg Luis Bila, een getrouwe ouderling, een hartaanval en overleed.
De zusters werden onderworpen aan een behandeling bestaande uit „oefeningen”, die vereisten dat zij vrijwel eindeloos hardliepen, soms het water in en uit; zonder onderbreking bergop, bergaf kopjeduikelden; en aan talloze andere onwaardigheden werden onderworpen. Wat een seminar! Wat een „heropvoeding”!
Ondanks deze wrede behandeling bewaarde de meerderheid van deze broeders hun rechtschapenheid; slechts twee schipperden. Een van de broeders zag kans een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken in Maputo te sturen, waarin hij deze behandeling aan de kaak stelde. Dat had effect. De gouverneur van Niassa kwam persoonlijk per helikopter. Onmiddellijk ontnam hij de commandant en zijn assistenten alle autoriteit en verklaarde: „Dezen kunnen zich beschouwen als onder arrest staande wegens het bedrijven van daden die het Frelimo nooit heeft bedoeld.” Toen de andere gevangenen, die een soortgelijke behandeling hadden verduurd, dit vernamen, juichten zij van vreugde en zeiden: „Dank zij jullie zijn wij bevrijd”, waarop de broeders antwoordden: „Bedank liever Jehovah.”
Na enige tijd werden zij naar andere kampen overgeplaatst, waar de behandeling alleen maar uit dwangarbeid bestond. In totaal duurde het bijna twee jaar voordat zij naar Carico werden teruggestuurd — en daar stond Chingo klaar om hen te ontvangen. Hij bleef vergeefse pogingen doen om hun loyaliteit jegens Jehovah te verzwakken door meer van dergelijke „seminars” te houden. Toen hij ten slotte op het punt stond uit Carico te vertrekken, hield hij een redevoering in zijn karakteristieke illustratieve stijl. Hij erkende zijn nederlaag en zei: „Een man brengt een boom vele slagen toe, en als er niet veel meer nodig is om hem te vellen, wordt hij door een ander vervangen die met maar één slag het karwei afmaakt. Ik heb vele slagen uitgedeeld maar het niet kunnen afmaken. Na mij zullen anderen komen. Zij zullen andere methoden gebruiken. Geef niet toe. . . . Blijf krachtig bij je standpunt. . . . Zo niet, dan gaan zij met alle eer strijken.” Maar door hun liefde voor Jehovah sterk te houden, probeerden de broeders ervoor te zorgen dat alleen Jehovah de eer zou ontvangen. — Openb. 4:11.
Zij die in de steden bleven
Zaten in deze tijd alle Mozambiquaanse Getuigen in de gevangenis of in de interneringskampen? Hoewel hun vijanden met een fijne stofkam naar hen zochten op arbeidsplaatsen en in vrijwel iedere wijk, waren er toch enkelen die de dans ontsprongen. Niet iedereen was erop gebrand dat zij naar de gevangenis gestuurd of op andere wijze gestraft werden. Maar de Getuigen liepen voortdurend gevaar gepakt te worden. Alledaagse bezigheden zoals eten kopen of water halen bij een openbare kraan waren riskant.
Lisete Maienda, die in Beira bleef, vertelt over die tijd: „Ik kreeg geen kaart om voedsel te kunnen kopen omdat ik niet naar de verplichte politieke bijeenkomsten ging. Gelukkig was er een vriendelijke winkelier die mij geregeld in het geheim liet komen en mij dan een paar kilo meel verkocht.” (Vergelijk Openbaring 13:16, 17.) Broeder Maienda werd zesmaal ontslagen uit zijn baan aan de haven in Beira, maar telkens kwamen zijn werkgevers hem weer opzoeken omdat zijn beroepsbekwaamheden voor zijn bedrijf zo waardevol waren.
Hoewel prediken en samen vergaderen hoogst riskante aangelegenheden waren, ging in geen van de voornaamste steden van het land het licht uit. De familie Maienda in Beira kreeg gezelschap van een groep jongeren in de wijk Esturro, die moedig waren en naar de waarheid dorstten. Samen hielden zij in de hoofdstad van de provincie Sofala het licht schijnende. De ijver van de groep in Beira was zo groot dat zij ondanks het gevaar geregeld de grens naar Rhodesië (thans Zimbabwe) overstaken om geestelijk voedsel te halen.
Het bijkantoor in Salisbury (thans Harare) werkte onverschrokken en onvermoeibaar om voor alle broeders die in het noordelijke gebied verstrooid zaten te zorgen. Toen er bericht kwam dat er in Tete nog steeds een groep vergaderde, stuurde het bijkantoor dan ook twee broeders uit om aandacht te besteden aan de behoeften van die groep aangezien zij, net als Epafroditus, een medewerker van de apostel Paulus, ernaar verlangden de broeders te zien (Fil. 2:25-30). Een van deze broeders was de zeer geliefde Redson Zulu, die in het hele noorden bekendstond om zijn bezielende toespraken in het Chichewa. Met groot risico reisden hij en zijn metgezel per fiets door de rimboe om hun geïsoleerde Mozambiquaanse broeders te bezoeken.
In de provincie Nampula bleef het waarheidslicht eveneens branden. Daar zat nog een groep ongedoopten die op hun eigen manier vergaderingen bleven houden. Eerst waren er acht aanwezigen, maar al gauw groeide dat aantal uit tot vijftig. Toen er een broeder uit Carico naar het ziekenhuis in Nampula werd gestuurd, kwam hij in contact met een lid van die groep ongedoopten, iemand die in het ziekenhuis werkte. De broeder meldde dit aan het Genootschap en het bijkantoor gaf hem opdracht met de groep te studeren om degenen die eraan toe waren op de doop voor te bereiden. Vijf werden er gedoopt. Zij kregen verdere hulp toen een Getuige uit Nederland, die voor zijn werk in Nampula was, zijn huis openstelde voor de vergaderingen. Mettertijd kwamen sommigen van die groep in aanmerking om de verantwoordelijkheid van ouderling op zich te nemen.
Verlichting in de centrale gevangenis
In 1975 werd de ene groep gevangenen na de andere uit de gevangenissen van Maputo naar het noorden gestuurd, terwijl er steeds anderen bleven komen die hun plaats innamen. Toen, tegen het eind van februari 1976, besloot de regering te stoppen met haar onafgebroken transporten van gevangengehouden Getuigen.
Enkele maanden later bracht president Samora Machel een bezoek aan de centrale gevangenis van Maputo. Zuster Celeste Muthemba, een van de gevangenen, greep de gelegenheid aan om de president getuigenis te geven. Hij luisterde vriendelijk, maar na zijn vertrek werd de zuster door de gevangenisautoriteiten krachtig de les gelezen. Een week later kwam er echter bevel om haar vrij te laten, vergezeld van een document dat haar bescherming tegen verdere hinder om politieke redenen en het recht op haar vroegere werk in het centrale ziekenhuis garandeerde. Bovendien werd opdracht gegeven al Jehovah’s Getuigen in die gevangenis in vrijheid te stellen.
Degenen die in Maputo waren, organiseerden zich in gemeenten. Het duurde niet lang of 24 gemeenten werden samengevoegd tot een kring die zich vanaf Maputo noordoostwaarts uitstrekte tot aan Inhambane. Fidelino Dengo werd aangesteld om hen te bezoeken. Bovendien stelde het bijkantoor in Zuid-Afrika een ouderlingencomité aan dat in de geestelijke behoeften van deze groepen moest voorzien. Zij ontwikkelden behoedzame methoden voor de informele prediking. Zij troffen regelingen voor de broeders om congressen in het aangrenzende Swaziland te bezoeken. En in Mozambique zelf hielden de broeders, als er weer enkelen uit Carico terugkwamen, grote vergaderingen onder het mom van „welkom thuis”-feestjes.
En in Carico? Wat waren daar de regelingen voor geestelijke activiteiten?
„O.N.”-comité voert het opzicht over de kampen
De Malawiaanse broeders, onder opzicht van het bijkantoor in Zimbabwe, hadden een speciaal comité gevormd ter behartiging van de geestelijke behoeften in de kampen. Toen de broeders uit het zuiden van Mozambique naar Carico werden gebracht, profiteerden ook zij van de regeling die daar al in werking was. Twee van de broeders uit het zuiden, Fernando Muthemba en Filipe Matola, werden aan het comité toegevoegd.
Het O.N.-comité (Ofisi ya Ntchito: Dienstbureau, in het Chichewa) correspondeerde met het Genootschap en organiseerde grote vergaderingen en congressen. Zij stelden voor het hele kamp de berichten samen en vergaderden van tijd tot tijd met de ouderlingen in de dorpen. Ook voerden zij het opzicht over het werk van de elf kringen. Zij droegen een zware verantwoordelijkheid, vooral wegens de precaire verhouding van de broeders met de regeringsautoriteiten.
In de kampen prediken en discipelen maken
Een aanzienlijk aantal geïnteresseerden en bijbelstudenten die de broeders in 1975 naar Milange vergezelden, werd in november 1976 gedoopt.
Velen die gewone pionier waren geweest, bleven gedurende hun hele gevangenschap en overplaatsing naar de kampen prediken. Maar tot wie predikten zij? In het begin studeerden zij met degenen die nog niet gedoopt waren, met inbegrip van kinderen van de broeders. Een gezin met veel kinderen werd als een „goed gebied” beschouwd. De ouders studeerden met een paar van de kinderen en de overige werden onder de ongehuwde verkondigers verdeeld. Op die manier bleven velen actief in het maken van discipelen.
Voor degenen die echt de evangelisatiegeest bezaten, was dit echter niet genoeg. Een ijverige pionier begon gebied buiten de kampen te verkennen. Natuurlijk had dat zo zijn risico’s wegens de beperkingen die door de kampautoriteiten waren opgelegd. Hij besefte dat hij een voorwendsel zou moeten vinden om de kampen te verlaten. Wat kon hij daarvoor gebruiken? Nadat hij om Jehovah’s leiding had gebeden, besloot hij zout en andere consumptiegoederen aan mensen buiten de kampen te gaan verkopen. Hij vroeg daar een heel hoge prijs voor om te zorgen dat hij nooit iets verkocht, terwijl dat wel een opening schiep voor een getuigenis. De methode sloeg aan. Na verloop van tijd waren er heel wat van deze „venters” te zien die buiten de kampen hun waren aanboden. Het verspreid liggende gebied bewerken, betekende lange afstanden afleggen, bij het aanbreken van de dag vertrekken en ’s avonds in het donker thuiskomen. Het was een schaarse „plantengroei” voor zoveel „sprinkhanen”. Maar op deze manier leerden velen die in het gebied woonden de waarheid kennen.
„Produktiecentrum Zambézia”
Vanwege het ijverige werk van deze vlijtige „heropvoedingsstudenten” en de gezegende regens die het gebied bevloeiden, ontstond er een bloeiende landbouwproduktie. De Getuigen in de kampen begonnen overvloedige oogsten binnen te halen aan maïs, rijst, maniok, gierst, bataten, suikerriet, bonen en plaatselijke vruchten zoals mafura. De graansilo’s van de Kring van Carico puilden uit. Het houden van gevogelte en kleinvee zoals kippen, eenden, duiven, konijnen en varkens verrijkte hun dieet met eiwit. De honger die zij aanvankelijk geleden hadden, ging tot het verleden behoren. In tegenstelling hiermee beleefde de rest van het land het grootste voedseltekort in haar geschiedenis. — Vergelijk Amos 4:7.
De regering erkende dit agrarische succesverhaal door het gebied van deze kampen het „Produktiecentrum Zambézia” te noemen. Met inkomsten uit de verkoop van overtollige opbrengsten konden de broeders kleding en zelfs enkele radio’s en fietsen aanschaffen. Hoewel zij gevangenzaten, waren zij dank zij hun ijver goed toegerust. Gewetensvol voldeden zij aan de belastingvoorschriften van de regering; zij behoorden zelfs tot de grootste belastingbetalers in het gebied. In overeenstemming met bijbelse maatstaven was het gewetensvol betalen van belastingen zelfs onder deze omstandigheden een van de vereisten voor een ieder die in aanmerking wilde komen voor voorrechten in de gemeente. — Rom. 13:7; 1 Tim. 3:1, 8, 9.
Culturele uitwisseling
In Carico vond een wederzijdse uitwisseling van vaardigheden en cultuur plaats. Velen leerden nieuwe vaardigheden, zoals metselen, timmeren en houtsnijden. Samen ontwikkelden zij talenten in het vervaardigen van gereedschap, het werken met gietijzer, het maken van kwaliteitsmeubelen en nog veel meer. Behalve dat zij persoonlijk hun voordeel deden met vaardigheden die zij leerden of verfijnden, werd hun door deze activiteit een extra bron van inkomsten verschaft.
De grootste uitdaging bij de culturele uitwisseling betrof de taal. De Mozambiquanen leerden Chichewa, dat door de Malawianen werd gesproken. Dit werd de voornaamste voertaal in de kampen, en ook de meeste beschikbare lectuur was in het Chichewa. Langzaam en met gratie leerden de Malawianen ook Tsonga en de variaties daarop die in het zuiden van Mozambique worden gesproken. Velen leerden tevens Engels en Portugees, wat later waardevol voor hen zou blijken te zijn bij speciale dienstvoorrechten. Een ouderling weet nog te vertellen: „Je kon een broeder of zuster tegenkomen die jouw taal vloeiend sprak, en je wist niet of hij een Mozambiquaan of een Malawiaan was.”
Hoe kwam geestelijk voedsel de kampen binnen?
Het kwam via Malawi uit Zambia. Op welke manier? Een kringopziener antwoordde: „Dat weet alleen Jehovah.” In de kampen wees het O.N.-comité jonge Malawianen aan, onder wie vele pioniers, om per fiets de grens over te steken en op een van tevoren bepaalde plaats degenen te treffen die uitgestuurd waren om correspondentie en lectuur te bezorgen. Op deze wijze werden de gemeenten bevoorraad met actueel geestelijk voedsel.
Bovendien staken de O.N.-comitéleden regelmatig de grens naar Zambia of Zimbabwe over om profijt te trekken van de jaarlijkse bezoeken van zoneopzieners die door het Besturende Lichaam werden uitgezonden. Op deze en andere manieren onderhielden de broeders in Carico sterke banden met Jehovah’s zichtbare organisatie en bleven aldus verenigd in zijn aanbidding.
De gemeentevergaderingen vereisten bijzondere regelingen. Omdat de broeders voortdurend in de gaten werden gehouden, werden veel van de vergaderingen bij het aanbreken van de dag of nog vroeger gehouden. De aanwezigen kwamen buiten bij elkaar, alsof zij op het erf pap zaten te eten, terwijl de spreker zelf zich in het huis opstelde. Sommige vergaderingen werden in rivierbeddingen of in kratervormige holten gehouden. Maar bij de voorbereidingen voor een congres was veel meer werk betrokken.
Congressen — Hoe ze georganiseerd werden
Nadat het O.N.-comité alle stof voor het programma had ontvangen, trok het zich verscheidene weken terug in Dorp nr. 9. In deze betrekkelijk afgelegen plaats werkten zij onder het licht van een lantaarn ’s nachts door om lezingenschema’s te vertalen, drama’s op te nemen en sprekers aan te stellen. Bijzonder nuttig was een handstencilapparaat dat zij uit Zimbabwe gekregen hadden. Hun werk hield pas op als het hele programma voor de reeks van zes congressen compleet was.
Bovendien werd er een team aangewezen om een geschikte plek voor een congresterrein te zoeken en in gereedheid te brengen. Dit kon op een heuvelhelling of in de bossen zijn, maar niet minder dan tien kilometer van de kampen vandaan. Alles moest buiten medeweten van de autoriteiten of „de rebellen” worden gedaan. Er werden draagbare radiootjes geleend en daarmee werd een geluidsinstallatie voor een publiek van meer dan 3000 toehoorders opgesteld. Er was altijd wel een riviertje in de buurt waar een doopgelegenheid kon worden gecreëerd door een dam te bouwen. Podium, zaal, reiniging en onderhoud werden allemaal van tevoren geregeld. Ten slotte was het congresterrein dan klaar — elk jaar op een andere plek.
Er werd een regeling uitgewerkt waardoor allen die in de dorpen woonden aanwezig konden zijn. Die functioneerde goed omdat de broeders een fantastische geest van samenwerking aan de dag legden. Zij konden niet allemaal tegelijk aanwezig zijn; een verlaten dorp zou de aandacht van de autoriteiten hebben getrokken. Daarom gingen buren om de beurt — het ene gezin de ene dag, het andere de volgende. Het achtergebleven gezin scharrelde dan wat rond in het huis van de buren; zo merkte niemand dat het gezin afwezig was. Betekende dit dat sommigen gedeelten van het congres moesten missen? Nee, want het programma van iedere dag werd tweemaal gehouden. Op die manier duurde een driedaags congres zes dagen; en een tweedaagse kringvergadering vier dagen.
Een netwerk van alerte dienstverleners zorgde voor een communicatieketen. Deze reikte helemaal van het bestuurscentrum van het kamp tot het congresterrein, met om de 500 meter een man geposteerd. Iedere verdachte beweging die een bedreiging voor het congres zou kunnen vormen, zette deze communicatielijn in werking, zodat binnen een half uur een boodschap over een afstand van dertig of veertig kilometer doorgegeven kon zijn. Dit bood het congresbestuur voldoende tijd om een beslissing te nemen. Het zou kunnen betekenen dat de vergadering werd opgebroken en zij zich in de bossen moesten verbergen.
José Bana, een ouderling uit Beira, vertelt hierover: „Bij één gelegenheid waarschuwde een politieagent ons de avond van tevoren dat zij al op de hoogte waren van onze grote vergadering en dat zij die zouden komen opbreken. De kwestie werd aan de verantwoordelijke broeders voorgelegd. Dienden zij de vergadering af te gelasten? Zij baden tot Jehovah en besloten tot de volgende ochtend te wachten. Het antwoord kwam — een nachtelijke stortbui deed de Munduzi buiten haar oevers treden en veranderde haar in een zee. Aangezien de politie zich aan de andere kant van de rivier bevond, kon iedereen de grote vergadering bijwonen, zonder dat er iemand hoefde achter te blijven en zonder dat de menselijke communicatieketen nodig was. Wij zongen naar hartelust Koninkrijksliederen.”
Afvalligheid en Dorp nr. 10
Een beweging die veel moeilijkheden veroorzaakte, werd begonnen door een afvallige groep die zich „de gezalfden” noemde. Deze groep, die voornamelijk uit de Malawiaanse dorpen stamde, beweerde dat de „tijd van de ouderlingen” in 1975 geëindigd was en dat zij, als „de gezalfden”, de leiding dienden te nemen. Het materiaal in het door het Genootschap uitgegeven boek Eeuwig leven — in de vrijheid van de zonen Gods heeft er veel toe bijgedragen sommigen die twijfelden te helpen begrijpen wat er bij de ware zalving betrokken was. Maar de invloed van de afvalligen breidde zich uit, en velen die naar hen luisterden werden van de wijs gebracht. Als onderdeel van hun leer zeiden zij dat het niet nodig was berichten naar het Genootschap te sturen. Die gooiden zij na het uitspreken van een gebed eenvoudigweg in de lucht.
Naar schatting rond de 500 personen werden als gevolg van deze afvallige invloed uitgesloten. Zij besloten uit eigen beweging en met toestemming van de autoriteiten hun eigen dorp te bouwen. Dit werd Dorp nr. 10. Later werd de leider van de beweging bediend door een stoet jonge vrouwen, van wie velen hem kinderen schonken.
Dorp nr. 10 en zijn groep bleven gedurende de hele verdere periode van het kampleven bestaan. Zij bezorgden de getrouwe broeders heel wat moeilijkheden. Sommigen die zich aanvankelijk hadden laten overhalen zich bij de groep aan te sluiten, kregen later berouw en keerden tot Jehovah’s organisatie terug. De afvallige gemeenschap werd ten slotte ontbonden toen er een eind aan het kampleven kwam.
„Het kamp is onze gevangenis, en de huizen zijn onze cellen”
Tot begin 1983 leek het leven in de kampen nog tot op zekere hoogte normaal. Maar onze broeders vergaten niet dat zij gevangenen waren. Het is waar dat sommigen er op eigen houtje in slaagden naar hun steden terug te keren. Anderen kwamen en gingen. Maar de gemeenschap als geheel bleef. Het was alleen maar natuurlijk dat zij terugverlangden naar hun vroegere woonplaatsen. Zij voerden correspondentie, hetzij via de post of via enkele broeders die zo moedig waren de kampen te bezoeken om verwanten en oude vrienden op te zoeken — hoewel sommige van deze broeders gepakt en gevangengezet werden.
Xavier Dengo placht peinzend te zeggen: „Jullie Malawianen zijn vluchtelingen, maar wij zijn gevangenen. Het kamp is onze gevangenis, en de huizen zijn onze cellen.” Maar in feite was de situatie van onze Malawiaanse broeders vrijwel hetzelfde. Hoe normaal de dorpen ook mochten lijken, daaraan zou abrupt een einde komen.
Gewapende invasie zaait paniek en dood
Begin 1983 drongen gewapende leden van de verzetsbeweging het gebied van Carico binnen, waardoor de commandant van het bestuurscentrum zich genoodzaakt zag een veilig heenkomen te zoeken in de districtszetel Milange, dertig kilometer verderop. Gedurende een betrekkelijk korte periode leken de broeders verlicht adem te kunnen halen, hoewel zij nog onder enige bewaking van overheidswege stonden.
Maar op 7 oktober 1984, terwijl de laatste voorbereidingen voor het districtscongres werden getroffen, sloeg een tragedie toe. Uit het oosten naderde een gewapende groep. Toen zij door Dorp nr. 9 trokken, lieten zij een spoor van paniek, bloed en dood achter. Nadat zij in het Malawiaanse Dorp nr. 7 broeder Mutola hadden gedood, brachten zij in het Mozambiquaanse Dorp nr. 4 Augusto Novela om het leven. In het Mozambiquaanse Dorp nr. 5 werd broeder Muthemba opgeschrikt door het geluid van geweervuur. Toen hij het lichaam van een broeder op de grond zag liggen, riep hij luid tot Jehovah om hulp. De gewapende mannen verbrandden en plunderden huizen. Mannen, vrouwen en kinderen stoven alle kanten op, wanhopig dekking zoekend. Deze gewelddadige aanval was slechts een voorspel van wat er nog komen zou. Nadat zij door de kampen getrokken waren, koos de groep een terrein even ten noorden van Dorp nr. 1 voor hun basis.
De daaropvolgende dagen drongen zij dagelijks de kampen binnen — om te roven, huizen plat te branden en te moorden. Bij een van deze gelegenheden doodden zij zes Malawiaanse Getuigen, onder wie de vrouw van Fideli Ndalama, een kringopziener.
Anderen werden als gevangenen meegenomen naar de basis van de groep. Met name jonge mannen werden het doelwit van pogingen hen te dwingen dienst te nemen in hun gemilitariseerde beweging. Veel jonge mannen vluchtten uit de dorpen om zich in de machambas (de velden die zij bebouwden) te verbergen, en familieleden voorzagen hen daar van voedsel. Jonge vrouwen werden geronseld als kokkin, maar vervolgens probeerden de overvallers hen te dwingen als „minnaressen” te dienen. Hilda Banze was een van degenen die zich tegen dergelijke druk teweerstelde, en daarom werd zij zo vreselijk geslagen dat zij voor dood bleef liggen. Gelukkig kunnen wij zeggen dat zij herstelde.
De gewapende groep eiste dat de bevolking in hun levensonderhoud voorzag en hun uitrusting droeg. De broeders achtten deze eis onverenigbaar met hun houding van christelijke neutraliteit en weigerden daarom. Hun weigering werd met woede ontvangen. Voor neutraliteit en mensenrechten was geen plaats in een geïsoleerde wereld waar slaag en wapens de enige erkende wet waren. In deze turbulente periode zijn zo’n dertig broeders omgekomen. Een van hen was Alberto Chissano, die alle medewerking weigerde en probeerde uit te leggen: „Ik doe niet aan politiek, en dat is de reden waarom ik uit Maputo hierheen gebracht ben. In het verleden heb ik geweigerd, en dat zal nu niet anders zijn.” (Vergelijk Johannes 18:36.) Dat was de onderdrukkers te machtig, en woedend sleurden zij hem weg. Wetend wat er onvermijdelijk te gebeuren stond, nam broeder Chissano met een houding van onwrikbaar geloof afscheid van de broeders. „Tot in de nieuwe wereld”, waren zijn laatste woorden voordat hij verschrikkelijk geslagen en dodelijk gewond werd. De broeders van het medisch team probeerden nog hem te redden, maar tevergeefs. Het zou inderdaad „tot in de nieuwe wereld” zijn, want zelfs bedreiging met de dood kon zijn geloof niet breken. — Hand. 24:15.
Uit een brandende vuuroven verlost
Er moest iets gedaan worden om de ondraaglijke druk te verlichten. Het O.N.-comité vergaderde met de ouderlingen en dienaren in de bediening om te bespreken hoe er geprobeerd zou kunnen worden met de verzetsbeweging in dialoog te komen. Maar mannen van de verzetsbeweging hadden aan allen in het gebied al een uitnodiging gestuurd om naar hun basis te komen. De ouderlingen besloten te gaan, samen met een flinke groep vrijwilligers. Twee broeders kregen de opdracht namens alle dorpen te spreken. Isaque Maruli, een van de aangewezen woordvoerders, ging langs zijn huis om zijn jonge vrouw in te lichten en afscheid te nemen. Verontrust over wat er zou kunnen gebeuren, probeerde zij hem ervan af te brengen. Hij sprak haar vertroostend toe en vroeg: „Denk je dat wij tot nu toe dank zij onze eigen slimheid hebben overleefd? En denk je dat wij belangrijker zijn dan de andere broeders?” Zwijgend gaf zij haar instemming te kennen. Zij baden samen en namen daarop afscheid.
Op die bijeenkomst waren niet alleen de Getuigen aanwezig, maar ook niet-Getuigen die bereid waren de gewapende beweging te steunen. Maar de broeders, zo’n 300 in getal, vormden de meerderheid. Het was een verhitte vergadering, waar mensen politieke leuzen schreeuwden en militaire liederen zongen. Er werd een bekendmaking gedaan: „Vandaag roepen wij ’Viva Renamo’ [Resistência Nacional de Moçambique (Nationaal Verzet van Mozambique), de beweging die tegen het Frelimo-bewind streed] tot de bladeren van deze bomen vallen.” De commandant, de soldaten en de aanwezige niet-Getuigen werden ongeduldig over het zwijgen van de broeders. Een politiek commissaris die de bijeenkomst voorzat, zette de ideologie van zijn beweging uiteen. Hij vertelde van het vaste besluit van het oppercommando om de dorpen te ontmantelen en iedereen zich te laten verspreiden om tussen de machambas te gaan wonen. Vervolgens gaf hij de aanwezigen de gelegenheid zich te uiten. Onze broeders zetten hun neutrale standpunt uiteen. Zij hoopten dat de redenen waarom zij geen aandeel konden hebben aan het verschaffen van voedsel, het dragen van de uitrusting, enzovoort, begrip zouden oogsten. Wat het zich verspreiden uit de dorpen betrof, daartoe waren zij al gedwongen.
De commandant was helemaal niet blij met het moedige antwoord van de broeders, maar gelukkig had de commissaris meer begrip. Hij kalmeerde de commandant en liet de broeders in vrede gaan. Zo kwamen zij levend te voorschijn uit wat zij een „brandende vuuroven” noemden. (Vergelijk Daniël 3:26, 27.) Maar de vrede was niet verzekerd. Het meest schokkende voorval zou enkele dagen later komen.
De massamoord in Dorp nr. 7
Hoewel de zon scheen, bleek zondag 14 oktober 1984 een donkere dag in Carico te zijn. Vroeg op de dag hadden de broeders hun gemeentevergadering gehouden, waarna sommigen de dorpen bezochten om achtergebleven voorraden op te halen voordat zij snel naar hun nieuwe woningen in de velden terugkeerden. Zonder waarschuwing vertrok een gewapende groep uit hun basis en begaf zich in de richting van het Mozambiquaanse Dorp nr. 7. Zij pakten een broeder aan de rand van Dorp nr. 5 op en verlangden: „Wijs ons de weg naar Dorp nr. 7; we zullen je eens laten zien wat oorlog is.” Bij aankomst in het dorp dreven zij allen bijeen die daar toevallig waren. Zij dwongen hen in een kring te gaan zitten, in de volgorde van hun dorpnummers. Toen begon de ondervraging.
„Wie is het die onze mudjiba [een ongewapende wachter of informant] heeft geslagen en beroofd?”, vroegen zij. De broeders, die niet wisten waar de mannen het over hadden, antwoordden dat zij het niet wisten. „Nou, als niemand zijn mond opendoet, zullen wij deze man hier vooraan ten voorbeeld stellen.” En zonder omhaal schoten zij een broeder door het voorhoofd. Iedereen was ontzet. De vraag werd telkens en telkens herhaald, en iedere keer wachtte een nieuw slachtoffer de kogel. Vrouwen met hun baby in de armen werden gedwongen de barbaarse terechtstelling van hun echtgenoot aan te zien, zoals zuster Salomina, die haar man Bernardino zag sterven. Ook vrouwen werden vermoord. Leia Bila, de vrouw van Luis Bila, die in het kamp bij Lichinga aan een hartaanval was gestorven, was een van hen, en zo werden haar kleine kinderen weesjes. Ook werden bij de terechtstellingen de jongeren niet gespaard, zoals Fernando Timbane, die zelfs nadat hij de kogel gekregen had nog tot Jehovah bad en probeerde de anderen aan te moedigen.
Toen er aldus tien slachtoffers meedogenloos waren terechtgesteld, ontstond er onenigheid tussen de terechtstellers, waardoor er een eind aan de nachtmerrie kwam. Op hun bevel stond broeder Nguenha, die het elfde slachtoffer had zullen worden, op van de „zetel des doods”. Hij vertelt: „Ik had tot Jehovah gebeden om zich over mijn achterblijvende gezin te ontfermen, want mijn laatste uur had geslagen. Toen stond ik op en voelde een ongewone moed. Pas later voelde ik de emotionele schok.”
Vervolgens werden de overlevenden gedwongen de resterende huizen in de dorpen plat te branden. Voordat de gewapende mannen vertrokken, waarschuwden zij: „Wij kwamen met het bevel vijftig van jullie te doden, maar zo is het wel genoeg. Zij mogen niet begraven worden. Wij blijven de wacht houden, en als er een lijk verdwijnt, zullen er tien sterven voor elk ontbrekend lijk.” Wat een bizar en afgrijselijk bevel!
Toen het geluid van de schoten door het gebied weergalmde en het nieuws zich verspreidde onder hen die erin geslaagd waren te ontsnappen, sloeg een nieuwe golf van paniek over de dorpen. In wanhoop vluchtten de broeders naar de bossen en de bergen. Pas later werd ontdekt dat de beschuldigende vragen die de aanleiding voor het bloedbad waren geweest, waren ingegeven door een uitgesloten persoon die zich bij de verzetsbeweging wilde aansluiten. Hij was ook een dief geworden. Hij had de valse beschuldigingen tegen de broeders in zijn eigen dorp uitgebracht in een poging de gunst en het vertrouwen van de groep te winnen. Toen de groep later ontdekte dat zij om de tuin geleid waren, grepen zij de bedenker van deze leugens en brachten hem op een uiterst wrede wijze ter dood.
De verstrooiing begint
De hele Kring van Carico was in de rouw en van streek. De ouderlingen, zelf ook in tranen, trachtten de gezinnen te troosten die het verlies van geliefden in de massaslachting betreurden. De gedachte in het gebied te blijven, was ondraaglijk. Zo kwam er een natuurlijke verstrooiing op gang. Hele gemeenten zochten afgelegen plekken op, tot wel dertig kilometer ver weg, waar zij zich veiliger zouden kunnen voelen. Sommigen besloten bij de machambas te blijven. Zo kregen de ouderlingen in het O.N.-comité eens zoveel werk. Zij moesten vele kilometers lopen om ervoor te zorgen dat de eenheid en de fysieke en geestelijke veiligheid van de kudde in alle ver uiteengelegen gemeenten bewaard bleven.
Het nieuws van deze droevige en netelige situatie bereikte het bijkantoor in Zimbabwe, dat vervolgens regelingen trof om leden van het bijkantoor de broeders te laten bezoeken en opbouwen. Zij raadpleegden ook het Besturende Lichaam in Brooklyn over de behoefte aan voedsel, kleding en medicijnen in de kampen van Milange. Diep bezorgd over het welzijn van de broeders gaf het Besturende Lichaam opdracht de beschikbare financiële middelen te gebruiken om in hun behoeften te voorzien en tevens, indien dat raadzaam werd geacht, voorzieningen voor hen te treffen om het gebied van Milange te verlaten en naar hun woongebieden terug te keren. Dat leek inderdaad een zeer raadzaam alternatief.
Tegen begin 1985 vertrokken leden van het O.N.-comité, zoals zij elk jaar hadden gedaan, uit Milange voor een ontmoeting met de zoneopziener die door het Besturende Lichaam was uitgezonden. Don Adams was er uit Brooklyn. In een vergadering waarbij tevens de bijkantoorcomités van Zambia en Zimbabwe aanwezig waren, zetten de leden van het O.N.-comité hun zorgen in verband met de Kring van Carico uiteen. Zij kregen de raad te overwegen of het wel verstandig was in Carico te blijven. De aandacht werd gevestigd op het in Spreuken 22:3 vermelde beginsel: „Schrander is degene die de rampspoed heeft gezien en zich vervolgens verbergt.” Met dit in gedachten keerden zij naar de kampen terug.
Vertrekken? Hoe? En waarheen?
De raad werd onmiddellijk aan de gemeenten overgebracht. Sommigen gingen prompt tot handelen over, zoals João José, een ongehuwde broeder die later heeft meegeholpen aan de bouw van de bijkantoorfaciliteiten van Zambia en van Mozambique. Met een groep anderen stak hij zonder veel grote problemen de grens over naar Malawi en vervolgens naar Zambia.
Voor anderen was de situatie echter niet zo eenvoudig. Veel gezinnen hadden rekening te houden met kleine kinderen. Leden van de verzetsbeweging hielden de wegen voortdurend in het oog, en ieder die daarop reisde kon overvallen worden. De grens met Malawi bood nog een uitdaging, vooral voor de Malawiaanse broeders, omdat Jehovah’s Getuigen daar nog steeds veracht en opgejaagd werden. De verbijsterende vragen waren dan ook: Hoe zouden zij vertrekken? Waarheen zouden zij gaan? Hoe konden zij, na al die jaren in de rimboe te hebben gewoond en zonder documenten, grenzen oversteken? „Dat weten wij ook niet”, was het antwoord van de leden van het O.N.-comité tijdens een vergadering met alle ouderlingen waar de spanningen hoog bleken op te lopen. „Eén ding staat vast — we moeten ons verspreiden”, beklemtoonden zij. Zij besloten: „Laat ieder een gebed opzenden, zijn plan trekken en handelen.” — Vergelijk 2 Kronieken 20:12.
In de daaropvolgende maanden werd dit het voornaamste thema van de vergaderingen. De meeste ouderlingen steunden het idee om te vertrekken en moedigden de broeders aan er gevolg aan te geven. Anderen besloten te blijven. Uiteindelijk kwam er een druppelsgewijze uittocht op gang. Malawiaanse broeders die een poging deden naar huis te gaan, werden om de oude redenen aan de grens tegengehouden en moesten terugkeren. Dit zette een domper op het enthousiasme van degenen die besloten hadden weg te gaan en versterkte de redenatie van degenen die er voorstander van waren te blijven. Voor de meesten bleek ten slotte een „uitnodiging” voor nog een „belangrijke bijeenkomst” op de militaire basis de doorslag te geven.
Massale uittocht
Op 13 september 1985, slechts twee dagen voor de aangekondigde bijeenkomst, hielden de broeders Muthemba, Matola en Chicomo, de drie overgebleven leden van het O.N.-comité, nog een vergadering. Wat dienden zij de broeders betreffende de „uitnodiging” aan te bevelen? Die vergadering duurde de hele nacht. Na veel bidden en wikken en wegen, besloten zij: „Wij moeten morgenavond vluchten.” Onmiddellijk verspreidden zij voor zover mogelijk zowel het nieuws over deze beslissing als over de tijd en plaats van samenkomst. De gemeenten die ermee instemden te vertrekken, kwamen daarheen. Het was de laatste daad van het O.N.-comité in de kampen.
Na het opzenden van een gebed begonnen de broeders die avond om half negen aan een uittocht volgens een tijdschema. Hun uittocht was een voor de soldaten en „de rebellen” goed bewaard geheim. Betrapt worden zou een ramp betekend hebben. Onder dekking van de duisternis had elke gemeente vijftien minuten om te verdwijnen, en per gezin waren daar twee minuten voor uitgetrokken. De lange enkele rij kronkelde geruisloos door de rimboe, zonder dat iemand wist wat het aanbreken van de dag bij de grens met Malawi zou brengen, áls zij die tenminste haalden. De geestelijke herders van het O.N.-comité vertrokken als laatsten, om één uur ’s ochtends. — Hand. 20:28.
Na zo’n veertig kilometer lopen werd Filipe Matola, die al twee dagen achtereen geen slaap had gehad, door uitputting overmand. Hij dommelde naast het pad totdat de laatste bejaarden voorbij zouden komen. Wij kunnen ons alleen maar voorstellen wat een vreugde hij gevoeld moet hebben toen zijn „neef”, Ernesto Muchanga, van de kop van de rij teruggehold kwam met het goede nieuws: „’Oompje’, de broeders worden in Malawi toegelaten!” „Dit is een voorbeeld”, riep Matola uit, „van de manier waarop Jehovah de weg opent als er geen uitweg lijkt te zijn, net als bij de Rode Zee.” — Ex. 14:21, 22; zie Psalm 31:21-24.
Gedurende de volgende maanden ondervonden zij, voordat zij naar Mozambique en hun eigen steden terugkeerden, wat het was om in vluchtelingenkampen in Malawi en Zambia te wonen. Maar wat gebeurde er met degenen die in het gebied van Carico gebleven waren?
De achtergeblevenen
De beslissing van het O.N.-comité bereikte niet alle ver uiteenliggende gemeenten voordat de uittocht begon. Sommige enkelingen die de aankondiging wel hoorden, besloten te blijven en naar de bijeenkomst op de militaire basis te gaan. De Gemeente Maxaquene had net als sommige anderen de aankondiging niet gehoord, maar had al besloten te vluchten. Voordat deze broeders naar de bijeenkomst gingen, hadden zij hun gezinnen in gereedheid gebracht voor de vlucht. Er kwamen zo’n 500 broeders naar de bijeenkomst. Die was kort en ter zake. De commandant zei: „Door onze meerderen is besloten dat allen die hier aanwezig zijn naar ons regionale hoofdkwartier moeten. Het wordt een lange reis. Daar zullen jullie maximaal drie maanden blijven.” En die tocht begon direct.
Gebruik makend van de nonchalante bewaking door de soldaten glipten broeders die besloten hadden te vluchten weg. Zij voegden zich bij hun gezinnen en ontsnapten op alle mogelijke manieren naar de grens van Malawi. Anderen, hetzij gevolg gevend aan de bevelen van de gewapende beweging of bij gebrek aan gelegenheid, begonnen de trek naar het zuidwesten, naar het hoofdkwartier in Morrumbala, waar zij verscheidene dagen later aankwamen. Eenmaal daar werden zij opnieuw onder druk gezet om de beweging te steunen. Hun weigering resulteerde in zware martelingen en ontelbare afranselingen, waaronder minstens één broeder gestorven is. Drie maanden later mochten zij eindelijk naar huis terug.
Velen bleven in het gebied van Carico wonen, dat geheel beheerst werd door de verzetsbeweging. De zeven jaren daarna bleken zij van de rest van Jehovah’s organisatie afgesneden te zijn. Het was een flinke groep, bestaande uit zo’n veertig gemeenten. Hebben zij het geestelijk overleefd? Zou hun liefde voor God sterk genoeg zijn om hen niet aan wanhoop te laten bezwijken? Wij komen straks op hen terug.
Vluchtelingenkampen in Malawi en Zambia
Niet allen die uit Carico vluchtten, werden vlot in Malawi toegelaten. De Gemeente Maxaquene werd, toen zij wat uitrustten nadat zij de grens overgestoken waren, door de Malawiaanse politie ontdekt en kreeg bevel terug te gaan. De broeders bepleitten hun zaak bij de politie en legden uit dat zij vluchtten voor de oorlog in het gebied waar zij gewoond hadden. De politie was onvermurwbaar. Schijnbaar zonder enige keus en in wanhoop riep iemand: „We gaan huilen, broeders!” Zo gezegd zo gedaan, en wel zo luidkeels dat de aandacht van de buurt erdoor getrokken werd. In verlegenheid gebracht smeekte de politie hen op te houden. Een zuster pleitte: „Laat ons dan ten minste wat eten voor de kinderen klaarmaken.” De politie willigde haar verzoek in en zei dat zij later terug zouden komen. Gelukkig zijn zij nooit meer komen opdagen. Later kwam een gezagdrager de Getuigen te hulp door hun voedsel te brengen en de weg te wijzen naar het vluchtelingenkamp waar de overige broeders waren ondergebracht.
De vluchtelingenkampen in Malawi werden nu overstroomd door Mozambiquaanse getuigen van Jehovah. De Malawiaanse regering ontving hen als oorlogsvluchtelingen. Het Internationale Rode Kruis verleende bijstand en bracht goederen om het ongerief en de moeilijkheden die werden veroorzaakt door de barre omstandigheden in de openluchtkampen te verlichten. Sommigen gingen door naar Zambia, waar zij naar andere vluchtelingenkampen werden gestuurd. Filipe Matola en Fernando Muthemba werkten nu samen met leden van het landscomité van Malawi, op zoek naar Mozambiquaanse broeders in deze kampen om geestelijke vertroosting te bieden en hen te voorzien van de financiële hulp waarvoor het Besturende Lichaam machtiging verleend had.
Op 12 januari 1986 schonk A. D. Schroeder, lid van het Besturende Lichaam, die broeders zowel geestelijke aanmoediging als een uiting van hartelijke liefde van het Besturende Lichaam. Hoewel hij de kampen niet in mocht, hield hij in Zambia een toespraak die in het Chichewa werd vertaald, op de band werd gezet en vervolgens naar de kampen werd gebracht waar zich de Mozambiquaanse broeders bevonden.
Geleidelijk werden zij geholpen hun volgende verblijfplaats te bereiken — in Mozambique. Voor velen was dit Moatize in de provincie Tete. Ja, in Mozambique voltrok zich een verandering in de houding van de regering jegens Jehovah’s Getuigen, hoewel niet alle plaatselijke ambtenaren die al weerspiegelden.
Terug naar Mozambique
Langzaam begon de ene groep na de andere de woonoorden aan de oostkant van de stad Tete te overstromen. Verlaten treinstellen, die voorheen als openbare toiletten waren gebruikt, werden nu gebruikt om hen te huisvesten. Vele daarvan werden na een reinigingsbeurt als vergaderplaatsen gebruikt voor de Gedachtenisviering van Christus’ dood, die op 24 maart 1986 werd gehouden.
Broeders uit heel Mozambique wachtten daar maandenlang zonder te weten hoe zij naar hun plaatsen van herkomst zouden worden teruggebracht. Dit wachten leverde ook de nodige beproevingen op. Zij probeerden de een of andere vorm van werkgelegenheid te bedenken om tot hun levensonderhoud bij te dragen of om wat geld te sparen voor een vliegticket, maar zonder veel succes. Als gevolg van de oorlog was reizen over de weg niet mogelijk. Zij werden niet altijd even vriendelijk bejegend door de plaatselijke autoriteiten, die nog steeds probeerden hen te dwingen politieke leuzen na te zeggen. Hierop antwoordden de broeders dan vrijmoedig: „Vanwege deze strijdvraag zijn wij naar Carico gebracht. Daar hebben wij onze straf uitgediend en zijn wij aan de genade van gewapende overvallers overgeleverd. Wij zijn op eigen kracht ontsnapt. Wat wilt u nu nog van ons?” Na deze reactie werden zij met rust gelaten. Maar men bleef de jongeren lastig vallen en gevangenzetten in een poging hen te ronselen voor het regeringsleger om de nog steeds voortdurende gewapende opstand in het gebied te bestrijden. Veel jonge broeders wisten door allerlei listen weg te komen en zich te verbergen.
Het comité in Malawi besloot dat Fernando Muthemba naar Tete zou gaan om de broeders daar bij te staan. Toen broeder Muthemba in Moatize aankwam, besloten de autoriteiten zijn bagage te inspecteren. Op het nippertje wisten de broeders de lectuur die hij in zijn bezit had te redden. Dus wat vond de politie toen zij zijn tassen doorzochten? „Alleen maar wat vodden”, zegt hij. Teleurgesteld vroeg de politie: „Is dat alles?” Ja, dat was alles. Dat was de hele bagage van een man die in de kampen zulke zware verantwoordelijkheden gedragen had. Net als alle anderen was hij totaal berooid teruggekomen. Eerlijk gezegd was de fysieke verschijning van de broeders op dat moment allesbehalve aantrekkelijk — vuil, in lompen gekleed, hongerig, en duidelijk slecht behandeld. Zij beantwoordden goed aan de geïnspireerde beschrijving die van veel dienstknechten van God uit het verleden is gegeven: „Zij zwierven rond in schapevachten, in geitevellen, terwijl zij gebrek leden, . . . en slecht behandeld werden; en de wereld was hun niet waardig. Zij doolden rond in woestijnen en . . . in grotten en holen der aarde.” — Hebr. 11:37, 38.
Eindelijk vervoer naar Maputo
In Maputo ging een door het Genootschap aangesteld comité ertoe over contact op te nemen met verscheidene overheids- en niet-overheidsinstellingen om te proberen voor de broeders in Tete en in Zambia vervoer te vinden. Hoe gelukkig voelden Isaque Malate en Francisco Zunguza zich toen zij naar het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de VN gingen en daar te horen kregen: „Er zijn al meer dan vijftig vluchten toegewezen om Jehovah’s Getuigen terug te brengen”! Zij waren dankbaar dat de regering die beschikking had getroffen.
Niet op de hoogte van deze regeling gingen de broeders in Tete, die zich allen in kampen bij het vliegveld bevonden, iedere dag naar het vliegveld in de hoop dat een vrachtvliegtuig althans enkelen van hen zou meenemen. Aangedaan spreekt Fernando Muthemba over 16 mei 1987: „Het was half acht ’s ochtends. Toen ik naar het vliegveld keek, zag ik twee grote Boeings, die een begin zouden maken met de ’luchtbrug’-vluchten om alle Jehovah’s Getuigen naar Maputo te evacueren.” Wat een bezielend vooruitzicht! Na twaalf jaar — terug naar hun steden!
Helaas zagen zij er allesbehalve toonbaar uit. Emídio Mathe, een ouderling in de Gemeente Maxaquene, leende een broek van iemand die er meer dan een had, zodat hij redelijk gekleed in Maputo zou kunnen verschijnen. De broeders die in Maputo op hun aankomst wachtten, namen ook kleren mee naar de vliegtuigen zodat de vluchtelingen met enige waardigheid van boord konden gaan. Schaamden zij zich? „Nee,” antwoordt Emídio, „hoewel wij materieel berooid waren, hadden wij de hoop dat Jehovah ons op een dag zou gebruiken om zijn naam te verhogen. Wij bekommerden ons niet om materiële goederen; wij schaamden ons niet. Wij liepen rond in lompen, maar ons geloof in Jehovah was ongeslagen.” De broeders in Zuid-Afrika en Zimbabwe brachten verheugd tonnen voedsel en kleding bijeen voor hun teruggekeerde Mozambiquaanse broeders.
Voor de Getuigen die terugkeerden naar andere provincies werd door de regering eveneens transport verschaft. Degenen die naar de provincie Sofala terugkeerden, naar het gebied dat bekendstaat als de Beira Corridor (vanwege de bescherming die door Zimbabweaanse soldaten werd verschaft) wachtten echter nog meer moeilijkheden. Achttien van hen, onder wie één ouderling, werden gevangengenomen en naar een basis van de verzetsbeweging gevoerd.
’Jehovah is groot, Jehovah is groot!’
Toen de commandant van de basis hen had ondervraagd en tot het besef was gekomen dat zij Jehovah’s Getuigen waren, ontbood hij een religieuze leider van een kerk in het gebied dat door de verzetsbeweging werd beheerst. Hij zei tegen die man: „Dit zijn Jehovah’s Getuigen, en nu gaan zij met u bidden. Behandel hen goed.” Tot verbazing van de broeders schudde deze geestelijke, die enige tijd tevoren in Zimbabwe enkele Wachttoren-publikaties had gekregen, zijn hoofd en riep uit: „Jehovah is groot . . . Jehovah is groot!” Hij vervolgde: „Wij hadden tot Jehovah gebeden om ons ten minste één persoon te sturen die ons kon onderwijzen.”
De volgende dag riep hij zijn kerk van 62 leden bijeen en vroeg de ouderling hen toe te spreken. De broeder begon met te zeggen dat al hun beelden verwijderd moesten worden (Deut. 7:25; 1 Joh. 5:21). Prompt gaven zij daaraan gevolg. Hij maakte ook duidelijk dat Jehovah het uitwerpen van demonen door zijn dienstknechten in deze tijd niet goedkeurt en hen daar niet toe machtigt, en dat het om rituele redenen op trommen slaan geen deel uitmaakt van de ware aanbidding zoals die in de bijbel wordt beschreven (Matth. 7:22, 23; 1 Kor. 13:8-13). Aan het slot stond de leider van de groep op en zei: „Met ingang van heden zijn mijn gezin en ik Jehovah’s Getuigen.” De hele gemeenschap op één echtpaar na gaf dezelfde wens te kennen.
Gedurende de vier maanden dat de broeders daar verbleven, hielden zij geregeld vergaderingen. Toen voor hen de tijd van vertrekken aanbrak, namen zij een flink aantal van deze groep mee, van wie er velen vroeger actieve leden van de vechtende partijen waren geweest.
Velen sloten zich in deze periode bij Jehovah’s volk aan, want ondanks hun moeilijke leefomstandigheden lieten de broeders nooit na het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken en discipelen te maken. — Matth. 24:14; 28:19, 20.
Terug naar het leven in de steden
De broeders waren dankbaar dat zij naar de steden konden terugkeren. Maar zonder documenten, woongelegenheid of werelds werk bleef het leven hard voor hen. Het was een nieuwe fase in hun bestaan, dat al zo rijk aan uitdagingen was. De natie zelf maakte tijden van heftige beroering door, gegeseld door burgeroorlog, honger, droogte en werkloosheid. Zou Jehovah’s volk zich temidden van zulke barre omstandigheden weten op te werken?
De regering kwam hun te hulp door een Ministerie van Maatschappelijke Reïntegratie in het leven te roepen. Veel Getuigen kregen hun vroegere baan terug en bekleedden belangrijke functies in bedrijven in de openbare of particuliere sector. Anderen begonnen voor zichzelf.
Velen konden naar hun vroegere woningen terugkeren omdat die nog steeds door verwanten werden bewoond. Maar voor anderen lag het minder eenvoudig. Hun huizen waren door vreemden of vijandig gezinde verwanten in bezit genomen of waren genationaliseerd. De terugkerende Getuigen legden zachtmoedigheid aan de dag en verkozen geen opschudding te veroorzaken, in tegenstelling tot wat de regering wellicht had gevreesd. Getuigen die niet naar de kampen gestuurd waren, stelden hun huis open om hun dakloze broeders op te nemen. Geleidelijk aan vonden of bouwden zij woongelegenheden voor zichzelf. Met Jehovah’s zegen op hun ijver hebben velen van hen nu een goed huis, tot verbazing van degenen die hadden gadegeslagen in wat voor een deerniswekkende toestand zij teruggekomen waren. Het is opmerkelijk dat te midden van de alom heersende armoede niet één van Jehovah’s Getuigen zijn toevlucht tot bedelen hoefde te nemen. Toen na enkele jaren mensen in de gelegenheid werden gesteld hun huis in eigendom te verkrijgen door het van de staat te kopen, was de eerste in het hele land die dat deed een van Jehovah’s Getuigen die in Carico had gezeten. Het lectuurdepot van Maputo opereert op het ogenblik vanuit deze locatie.
Maar voor de broeders was het vinden van een huis of het verkrijgen van andere materiële voordelen niet de eerste zorg. Het was belangrijker plaatsen te vinden waar zij de vergaderingen voor hun aanbidding konden houden. Was dat tenslotte niet de voornaamste reden waarom Jehovah hen veilig had thuisgebracht? Daar waren de broeders rotsvast van overtuigd. (Vergelijk Haggaï 1:8.) Prompt improviseerden zij op alle mogelijke manieren Koninkrijkszalen — op achtererven, in woonkamers en keukens, in uit blik en stro opgetrokken keten; soms — wat een weelde! — kwamen zij bijeen in gehuurde schoollokalen of aula’s van ziekenhuizen. De meeste van de 438 gemeenten in Mozambique vergaderen zelfs nu nog in deze provisorische Koninkrijkszalen. De uitzonderingen zijn schaars. Eén daarvan bevindt zich in Beira, waar met hulp van het bijkantoor van Zimbabwe en hun onvervaarde bouwploeg de broeders vele hindernissen overwonnen en eindelijk, op 19 februari 1994, de eerste twee bakstenen Koninkrijkszalen in Mozambique konden inwijden.
Speciale comités — Wettelijke erkenning
Teneinde te voorzien in de materiële en geestelijke behoeften van de broeders die hun leven opnieuw aan het inrichten waren, stelde het Besturende Lichaam speciale comités aan in Tete, Beira en Maputo, onder opzicht van de bijkantoren in Zimbabwe en Zuid-Afrika. Onder deze regeling konden de gemeenten meer aandacht krijgen. Om in de broodnodige bijbelse lectuur te voorzien, werden er in deze steden depots gevestigd. Deze dienden tevens als distributiecentra voor hulpgoederen in de vorm van voedsel en kleding. Er werden grote vergaderingen en congressen georganiseerd, hoewel er nog enige obstakels te overwinnen waren voordat deze in alle openheid konden worden gehouden.
En toen, op 11 februari 1991, weergalmde er bezielend goed nieuws door het hele land, tot opgetogenheid van Gods volk in de hele wereld. De regering van Mozambique had de Associação das Testemunhas de Jeová de Moçambique (Vereniging van Jehovah’s Getuigen van Mozambique) wettelijke erkenning verleend. Fernando Muthemba, die loyaal had geholpen voor de broeders in Carico te zorgen, zou er de eerste voorzitter van zijn. Jehovah’s volk in Mozambique smaakte ook de vreugde hun eerste aan Gilead opgeleide zendelingen in hun midden te hebben. Dezen woonden in zendelingenhuizen in Maputo en in Beira. In Tete werd nog een huis in gereedheid gebracht om nog meer zendelingen onder te brengen, die kort daarna zouden aankomen.
Zendelingen schenken hun broeders vreugde
Er opende zich in Mozambique een waar zendingsveld. Zelfopofferend en met het verlangen een aandeel te hebben aan de geestelijke wederopbouw en het oogstwerk in Mozambique aanvaardden afgestudeerden van Gilead en ervaren speciale pioniers die al in andere velden hadden gediend gretig de uitnodiging om hier te dienen. Zij kwamen uit vijf werelddelen, velen van hen uit Portugeessprekende landen zoals Brazilië en Portugal. Hun nieuwe toewijzing bood uitdagingen te over, want in 1990 en 1991 begon het land nog maar net uit het door oorlog en droogte veroorzaakte economische moeras te kruipen. Hans Jespersen, een Deense zendeling die in Brazilië had gediend en die nu als districtsopziener dienst verricht, weet daarover nog te vertellen: „In de winkels lag vrijwel niets, en de sporen van oorlog en de nasleep daarvan waren duidelijk zichtbaar.” Er begint zich nu echter al een gestadig economisch herstel af te tekenen. Niettemin leven veel van onze broeders in de noordelijke gebieden en op het platteland nog steeds onder extreem moeilijke omstandigheden.
De zendelingen kregen te maken met veel nieuwe ervaringen. Voordat er bijvoorbeeld tussen de Frelimo-regering en Renamo een vredesovereenkomst was getekend, moesten de zendelingen voor hun toewijzingen soms reizen in colunas (lange konvooien van voertuigen die door gewapende regeringstroepen werden geëscorteerd), en af en toe werden die aangevallen. Maar zij ervoeren grote vreugde als zij hun broeders leerden kennen; en voor veel van deze broeders was de ontmoeting met Getuigen van andere rassen en nationaliteiten een droom die waarheid was geworden.
In een afgelegen gebied in het noorden liep een kind met zijn vader een hele dag om een zendeling uit Australië te zien. Toen de vader de verbijsterde uitdrukking op het gezicht van het kind zag, zei hij: „Nou, had ik je niet gezegd dat wij witte broeders hebben?” Velen gaven als zij de zendelingen begroetten uiting aan hun opgetogenheid met de woorden: „Wij wisten alleen maar via ervaringen in het Jaarboek iets van jullie af.” Mozambiquaanse Getuigen die in 1993 nog in vluchtelingenkampen in Zambia zaten, zeiden: „Toen wij in Zambia hoorden dat er in Tete een zendelingenhuis was, stelden wij alles in het werk om terug te komen om dit met eigen ogen te kunnen zien en om onze dienst hier, achttien jaar nadat wij naar Carico gebracht werden, voort te zetten.”
Het hoofddoel van deze zendelingen in Mozambique is het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken. Dat is heel voldoening schenkend geweest. De eerste zendelingen in Maputo en Beira vertellen daarover: „De geestelijke honger was zo groot dat er dagelijks enorme hoeveelheden lectuur werden verspreid.” De vierkleurenpublikaties van het Genootschap zijn uniek voor dit land en trekken bij het publiek sterk de aandacht. Dikwijls worden de zendelingenhuizen gebruikt als centrum waar bijbelstudies worden gehouden, aangezien veel leerlingen hieraan de voorkeur schijnen te geven.
Op het ogenblik zijn er in het hele land zes zendelingenhuizen, met vijftig zendelingen in uiteenlopende toewijzingen. Sommige zendelingen reizen maandelijks langs door het bijkantoor uitgestippelde routes om berichten op te halen en correspondentie, tijdschriften en lectuur te bezorgen. Op een van deze routes ligt de voormalige locatie van de Kring van Carico in Milange.
Hoe verging het de Getuigen die in dit gebied gebleven waren en die geïsoleerd geraakt waren van de rest van hun broeders?
De Kring van Carico opent zich
Op 4 oktober 1992 werd in Rome het Algemene Vredesakkoord tussen het Frelimo en Renamo getekend, waarmee er officieel een eind kwam aan zestien jaar burgeroorlog in Mozambique. Deze wijd en zijd gevierde gebeurtenis maakte het mogelijk het gordijn op te halen dat het gebied van de voormalige Kring van Carico afgesloten had gehouden. En wat kwam er aan het licht? Meer dan vijftig gemeenten van Jehovah’s Getuigen, te voorschijn tredend uit een isolement dat zeven jaar had geduurd. Hoe hadden zij zo’n zware afzondering geestelijk overleefd?
In februari 1994 werden in Milange vraaggesprekken gehouden met veertig van de verantwoordelijke broeders. Daarbij waren ook duizend anderen aanwezig, die meer dan dertig kilometer hadden gelopen, alleen maar om de zendelingen te zien. De ouderlingen die na de uittocht waren achtergebleven, vertelden: „Nadat velen van ons op de militaire basis afgeranseld waren, mochten wij teruggaan om in de machambas van de uitgestorven dorpen te wonen. Na verloop van tijd stond Renamo ons toe Koninkrijkszalen te bouwen en onze vergaderingen te houden. Zij beloofden — en hielden zich eraan — dat wij in onze zalen of onderweg naar onze aanbidding niet gemolesteerd zouden worden. Maar zij zeiden erbij dat zij niet verantwoordelijk zouden zijn voor wat er gebeurde als iemand op een vergaderdag thuis of zelfs buiten de Koninkrijkszaal werd aangetroffen.” En de prediking? Hun antwoord is ontroerend: „Zonder kleren en totaal berooid leefden wij als beesten, maar wij vergaten niet dat wij Jehovah’s Getuigen waren en dat wij de verplichting hadden het Koninkrijk te prediken.” Wat een welsprekende demonstratie van waardering en liefde voor God!
In 1993 waren de districtsopziener en zijn vrouw tijdens een in Milange gehouden kringvergadering getuigen van een ongeëvenaarde gebeurtenis, iets wat bevestigde dat deze broeders inderdaad discipelen waren blijven maken. Toen de spreker die de dooptoespraak hield de kandidaten verzocht te gaan staan, stonden er uit het gehoor van 2023 personen 505 op om zich voor de doop aan te bieden! Maar dat is nog niet alles.
’Saulus’ van Carico
Saulus van Tarsus, een heftig vervolger van de volgelingen van Jezus Christus in de eerste eeuw G.T., werd een ijverige dienstknecht van Jehovah. Ook Carico had zijn „Saulus”. Het is een man met een knap gezicht en een zachtmoedig uiterlijk, en op het ogenblik is hij dienaar in de bediening en gewone pionier. In niets lijkt hij zich te onderscheiden van zijn medearbeiders als zij zich met zware lichamelijke arbeid in het zweet werken om in hun onderhoud te voorzien. Maar luister mee, als hij zijn werk onderbreekt om zijn verhaal te vertellen:
„In juni 1981 kreeg de verzetsbeweging het gebied waar ik woonde in handen. Met de andere mannen werd ik naar hun kazerne gebracht. Zij zetten voor ons uiteen wat de nobele doelstellingen van hun strijd waren en hoe belangrijk het was mee te werken aan de bevrijding van ons volk. Ik kreeg een militaire opleiding en nam deel aan gevechten die een succes werden. Dit werd de zeven daaropvolgende jaren de routine in mijn leven. Vanwege mijn loyaliteit aan de beweging werd ik tot commandant bevorderd. Ik voerde het bevel over zeven kleine legers. Veel gebieden vielen ons in handen, en één daarvan was Carico. Ik stuurde een detachement mannen uit om door te dringen in de dorpen waar Jehovah’s Getuigen waren met het doel hun steun te winnen. Ik gaf bevel hun huizen plat te branden en een aantal van hen te doden. Mijn commando’s zeiden tegen mij: ’Wij zullen ze allemaal doden, maar veranderen zullen wij ze nooit.’ Na verloop van tijd werd ik naar andere bases uitgestuurd.”
Hoewel deze commandant er geen been in zag Jehovah’s volk te vervolgen, schonk Jehovah in zijn barmhartigheid hem een gelegenheid om zich te veranderen. Hij vertelt: „Na zeven jaar mijn vrouw niet gezien te hebben, vroeg ik persoonlijk verlof aan om haar te kunnen opzoeken. En in een vluchtelingenkamp in Malawi had ik mijn eerste persoonlijke contact met de waarheid. Aanvankelijk wees ik die af. Later, toen ik hoorde over de nieuwe wereld, Gods koninkrijk en een wereld zonder oorlogen, vroeg ik mij af: ’Kan iemand die zoveel slechte dingen gedaan heeft hier voordeel van trekken?’ Het antwoord dat ik aan de hand van de bijbel kreeg, luidde: ’Ja, door geloof te hebben en God te gehoorzamen.’ Ik aanvaardde een bijbelstudie en in juni 1990 werd ik gedoopt. Sindsdien ben ik pionier en heb ik veel van mijn ex-medestrijders kunnen helpen. In één kamp alleen al heb ik veertien personen geholpen dienstknechten van Jehovah te worden. Ik ben gaan dienen waar de behoefte groter was en heb ook mijn portie lijden om redenen van neutraliteit gekregen. Ik ben Jehovah bijzonder dankbaar voor zijn barmhartigheid en omdat hij de tijden van mijn onwetendheid voorbijgezien heeft door mij te vergeven op basis van het slachtoffer van Jezus Christus” (Hand. 17:30). Dit is slechts een van de vele voorbeelden die duidelijk maken waarom de Mozambiquaanse broeders zo dikwijls met diepe waardering zeggen: „Jehovah is groot.” — Ps. 145:3.
Een bijkantoor in Maputo
Wie zou dat hebben kunnen vermoeden? Het kwam eerder dan verwacht. Het Besturende Lichaam hechtte zijn goedkeuring aan het openen van een bijkantoor in Mozambique. Sinds 1925, toen de mijnwerker Albino Mhelembe met de waarheid uit Johannesburg was gekomen, had het werk in Mozambique onder opzicht gestaan van de bijkantoren van Zuid-Afrika, Malawi en Zimbabwe. Eindelijk, per 1 september 1992, begon het bijkantoor van Mozambique aan zijn taak van opzicht over het werk in dit uitgestrekte veld, in een groot huis in een ambassadewijk van Maputo dat door het Genootschap was aangekocht en opgeknapt. Voor het pas aangestelde bijkantoorcomité, dat begon met een kleine familie van zeven leden, lag een taak te wachten die beslist een uitdaging vormde. Zij zouden het werk in het veld moeten organiseren, in de geestelijke — en zelfs materiële — behoeften van de broeders moeten voorzien, hulp moeten verlenen bij de bouw van Koninkrijkszalen en nieuwe bijkantoorfaciliteiten moeten bouwen. Beslist een hele opgaaf. Maar er kwam hulp opdagen.
Internationale vrijwilligersteams uit verschillende delen van de wereld werken nu samen met hun Mozambiquaanse broeders aan de bouw van de nieuwe bijkantoorfaciliteiten op een fraaie plek aan de kust. De Bethelfamilie zelf is uitgegroeid tot 26 vaste leden. Ook de broeders en zusters uit het gebied van Maputo dragen hun steentje bij. Als een verenigde groep werken zij allen aan het verheffen van de aanbidding van de ware God Jehovah in dit deel van de aarde. — Jes. 2:2.
„Blijft dat soort van mannen dierbaar achten”
Ook het werk dat de reizende opzieners hier verrichten, vormt een uitdaging. Daar zijn mannen zoals Adson Mbendera, die aanvankelijk de gemeenten in het noorden bezocht en die later als lid van het O.N.-comité in de kampen heeft gediend; Lameck Nyavicondo, aan wie de broeders in Sofala met waardering terugdenken; Elias Mahenye, die uit Zuid-Afrika kwam om hier te dienen, gruwelijke wreedheden onderging en waarschuwde: „De PIDE is verdwenen, maar zijn grootvader, Satan de Duivel, is er nog steeds. Maak je sterk en bouw moed op” (1 Petr. 5:8). Zonder enig gerief te verwachten, hebben zij alle gemakken die zij misschien hadden, opgegeven om hun broeders te dienen.
Nog maar kort geleden is in het gebied van Milange, waar vroeger de „gevangenisdorpen” waren, een kring opgericht. De broeders die in dat gebied wonen, zijn Jehovah bijzonder dankbaar dat zij in vollediger mate profijt trekken van de zorg die door middel van zijn zichtbare organisatie wordt verschaft. Orlando Phenga en zijn vrouw achtten het een voorrecht Maputo te verlaten om daar te gaan dienen waar hij en duizenden anderen een rol hadden vervuld op het „Toneel van Carico”. Om anderen die jarenlang door de oorlog geïsoleerd zijn geweest te helpen hun plaats in de gemeenschap te hervinden, reizen ten westen van de stad Tete Benjamin Jeremaiah en zijn vrouw dagenlang te voet naar plaatsen waar velen nog nooit een auto hebben gezien. Raymond Phiri, een ongehuwde broeder met een geest van zelfopoffering, heeft samen met de gemeente die hij bediende op een bergtop moeten slapen om eventuele aanvallen te ontlopen, en daar maakte hij zijn berichten voor het bijkantoor op. Verder bedienen Hans en Anita Jespersen het district dat het hele land bestrijkt en hebben zowel de geestelijke rijkdom als de materiële armoede van hun broeders leren kennen.
Al deze broeders leggen dezelfde geest aan de dag die de apostel Paulus ertoe bewoog over Epafroditus te schrijven: „Blijft dat soort van mannen dierbaar achten.” — Fil. 2:29.
Met godvruchtige ijver voorwaarts gaan
De getrouwen in Mozambique hebben niet alleen onder zware beproevingen hun rechtschapenheid bewaard, maar geven ook nog op een andere manier blijk van hun liefde voor God en hun naaste. In de openbare bediening maken zij edelmoedig gebruik van hun pasgevonden vrijheid en van Jehovah’s overvloedige voorzieningen in de vorm van tijdschriften en andere lectuur. Men kan hen in alle openheid zien prediken op straat, op openbare pleinen en op marktplaatsen zoals in Xipamanine. De resultaten zijn duidelijk zichtbaar in het snel groeiende aantal lofprijzers van Jehovah.
Behalve door de toeloop van nieuwe verkondigers is de groei nog versterkt door de terugkeer van broeders uit de vluchtelingenkampen in naburige landen. Er zijn complete kringen teruggekomen. Snel bouwen zij Koninkrijkszalen met wat voor materiaal er ook maar voorhanden is. Dat doen zij zelfs in tijdelijke vluchtelingengemeenschappen zoals Zóbuè aan de grens van Malawi, en Caboa-2, even buiten Vila Ulongue. Zonder op betere tijden te wachten, scharen velen zich in de pioniersgelederen. Er zijn er nu meer dan 1900 die een aandeel aan deze volle-tijddienst hebben. Zij geven uiting aan grote waardering voor de opleiding die zij hebben gekregen op de Pioniersscholen, die hier in 1992 van start gegaan zijn.
Kunt u raden wie de leraren waren op een kort geleden gehouden school in Maputo, waar bijna de hele klas bestond uit broeders die in de vroegere Kring van Carico waren geweest? Francisco Zunguza, de Mozambiquaanse recordhouder in het aantal keren dat hij wegens zijn geloof gevangen heeft gezeten, en Eugênio Macitela, die gearresteerd en naar Milange gestuurd werd toen hij pas een week studie had. Beiden dienen nu als kringopziener. En een van de leerlingen was Ernesto Chilaule. Hij heeft een herinnering waarvan hij anderen graag deelgenoot maakt: „Als ik door die straat kom waar het gebouw van de nu opgeheven PIDE staat, dan kijk ik naar dat raam en bedenk — daar was het dat de agenten tegen mij zeiden: ’Laat het heel duidelijk zijn, Chilaule: Dit is Mozambique, en in dit land zullen jullie nooit wettelijk erkend worden.’ En wat staat daar aan het eind van diezelfde straat? Juist, ons wettige bijkantoor!”
Wat moet broeder Chilaule zich rijk beloond voelen, want zijn kleine Alita, die toen haar vader in de gevangenis van Machava zat altijd eten ging halen dat door de gemeente werd verstrekt, is nu de vrouw van Francisco Coana, een van de leden van het bijkantoorcomité! Broeder Coana was die ijverige pionier in Carico die zo vindingrijk was goederen te „verkopen” aan de mensen buiten de kampen om tot hen te kunnen prediken. Jehovah heeft beslist zijn zegen uitgestort op de duizenden getrouwen die, in het noorden in het district Milange, in de Kring van Carico, een prachtig huldeblijk hebben gebracht in de vorm van liefde, geloof en rechtschapenheid tot eer en heerlijkheid van Jehovah. — Spr. 27:11; Openb. 4:11.
Maar de strijd is nog niet ten einde. Er zijn nieuwe gevaren, die opnieuw zware eisen stellen. De toegeeflijke geest van de wereld die zich over de hele aarde heeft uitgebreid, kan ook hier slachtoffers eisen en heeft dat zelfs al gedaan. Immoraliteit, materialisme en onverschilligheid veroorzaakt door de schijnbaar gemakkelijker tijden hebben hun tol geëist. Maar getrouwe dienstknechten van Jehovah in Mozambique blijven in alle ernst voortdurend waakzaamheid beoefenen. Zij hebben geweldige geloofsbeproevingen overleefd. Zij zijn vastbesloten met Jehovah’s hulp te blijven bewijzen dat zij Jehovah liefhebben met heel hun hart, verstand, ziel en kracht en dat zij hun naaste liefhebben als zichzelf. Zij hebben het onwrikbare geloof dat binnenkort Gods koninkrijk de aarde in een paradijs zal veranderen, waar niet alleen oorlog en honger zullen ophouden maar waar zij de grootse vreugde zullen smaken hun geliefden uit de dood terug te ontvangen, met inbegrip van al diegenen die hun trouw aan God hebben bewezen, zelfs tot de dood in de Kring van Carico. — Spr. 3:5, 6; Joh. 5:28, 29; Rom. 8:35-39.
[Kaarten op blz. 123]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
ZAMBIA
ZIMBABWE
ZUID-AFRIKA
MALAWI
MOZAMBIQUE
Tete
Milange
Carico
Mocuba
Inhaminga
Beira
Maxixe
Inhambane
Maputo
Inzet kaart: Veel broeders werden verbannen naar São Tomé, zo’n 3900 kilometer ver weg in de Atlantische Oceaan
[Paginagrote illustratie op blz. 116]
[Illustratie op blz. 131]
Ernesto Chilaule kreeg te horen: „In dit land zullen jullie nooit wettelijk erkend worden. . . . Dat kun je wel vergeten!”
[Illustraties op blz. 140, 141]
In het vluchtelingenkamp Carico (1) hakten onze broeders hout en (2) kneedden met hun voeten klei om bakstenen te maken, terwijl (3) zusters water haalden. (4) Zij vonden manieren om grote vergaderingen te houden. (5) Xavier Dengo, (6) Filipe Matola en (7) Francisco Zunguza hielpen hier als kringopzieners het geestelijk opzicht te behartigen. (8) De hier door Malawiaanse Getuigen gebouwde Koninkrijkszaal is nog steeds in gebruik
[Illustratie op blz. 175]
Getuigen bijeengekomen voor het „Godvruchtige toewijding”-districtscongres bij Maputo in 1989, kort nadat zij uit de kampen waren teruggekeerd
[Illustraties op blz. 177]
Boven: Ouderlingen en kringopzieners op een locatie waar zendelingen elke maand lectuur en post bezorgen
Onder: Zendelingen in Tete krijgen les in het Chichewa
[Illustraties op blz. 184]
Bijkantoorcomité (v.l.n.r.: Emile Kritzinger, Francisco Coana, Steffen Gebhardt), met afbeelding van bijkantoorfaciliteiten die nu in Maputo worden gebouwd