Wereldbericht
Afrika
De goddeloze, zo schrijft de psalmist, „zit in een hinderlaag” en „uit verborgen plaatsen zal hij een onschuldige doden” (Ps. 10:8). Door de eeuwen heen zijn aanbidders van Jehovah het onschuldige slachtoffer geworden van de kwaadaardigheid van de goddeloze. In sommige delen van Afrika is dat thans in niet mindere mate het geval.
De burgeroorlog in Liberia heeft 33 van onze broeders het leven gekost en vele andere gedwongen uit het land te vluchten en een veilig heenkomen te zoeken in Ivoorkust en Sierra Leone, met als enige bagage de kleren die zij aan hadden. In twee steden aan de grens van Liberia en Ivoorkust zijn reliefcomités ingesteld, die niet alleen voor deze volslagen berooide vluchtelingen hebben gezorgd maar ook hulp hebben gestuurd naar de achtergebleven noodlijdende Getuigen in Liberia. Getuigen in Ivoorkust, Sierra Leone en Ghana hebben per vrachtauto tonnen kleding alsook medicijnen, voedsel en geld Liberia binnengebracht. Ook de broeders in Abidjan zijn te hulp geschoten en zorgen liefdevol voor een grote groep vluchtelingen die eveneens dringend hulp nodig hebben.
Veel van deze broeders hebben huiveringwekkende, traumatische ervaringen doorgemaakt. Een ouderling die diende in Monrovia, de hoofdstad van Liberia, vertelt bijvoorbeeld: „Op 27 juli 1990 werden mijn gezin en ik om ongeveer twee uur in de ochtend met geweld uit ons huis gehaald. De rebellen voerden ons naar buiten, waar wij ons bij enige honderden buurtgenoten voegden. Wij kregen de verzekering dat wij na een korte doorzoeking van het gebied weer naar huis mochten. Welnu, wij hebben onze huizen nooit meer teruggezien. In plaats daarvan werden wij naar het grote vluchtelingenkamp vijftig kilometer verderop gevoerd. Ik heb de hele weg de invalide tante van mijn vrouw op mijn rug gedragen. Wij baden aanhoudend tot Jehovah om sterkte, omdat wij overal langs de weg lijken zagen liggen.
Na ongeveer een uur als in een nachtmerrie te hebben voortgewankeld met het rebellenescorte vlak achter ons, vielen wij in een hinderlaag van regeringstroepen. Terwijl wij ons bliksemsnel op de grond lieten vallen, floten de kogels ons van alle kanten om de oren. Veel mensen werden gedood; sommige wisten te ontkomen. Plotseling besefte ik dat mijn eigen veertienjarige zoon niet meer bij ons was! Vlug werden er 45 man uit onze groep stadsmensen gevangengenomen en naar een verlaten benzinestation gebracht. Daar werd besloten dat wij allemaal terechtgesteld zouden worden. Een soldaat pakte zijn geweer om op mij te schieten, maar hij kon de patroonhouder niet in zijn geweer krijgen. Op dat moment arriveerde de commandant van de groep, die beval ons naar de kazerne te brengen. Die nacht werden negen personen terechtgesteld. Wij baden tot Jehovah om hulp om getrouw te blijven.
De volgende ochtend besloot de commandant dat wij allen mochten vertrekken. Hij bood ons zelfs transport aan in een van zijn vrachtwagens. Wij bedankten echter en vroegen in plaats daarvan om een kruiwagen waarin wij de tante van mijn vrouw konden vervoeren, en daarop vertrokken wij alleen. Halverwege onze bestemming zoefden de legervrachtwagens ons voorbij. Toen ze het kruispunt vóór ons bereikten, werd de lucht eensklaps verscheurd door een oorverdovende explosie. Bijna dertig minuten lang volgde er hevig mitrailleurvuur. Terwijl wij krabbelend dekking zochten, vlogen verdwaalde kogels in alle richtingen. Het militaire konvooi waarin ons vervoer was aangeboden, was volledig vernietigd. Wat waren wij dankbaar dat wij het aanbod voor een lift van de commandant niet hadden aanvaard.
Hoewel mijn vrouw vijf maanden zwanger was, presteerde zij het in slechts één dag 58 kilometer te lopen. Nog altijd stonden wij voor het probleem hoe wij ons in veiligheid moesten brengen. Een Libanese broeder, die van onze benarde toestand hoorde, betaalde voor ons de reis met het enige vervoermiddel dat het land uit ging, een oude bus.
Eindelijk kwamen wij veilig over de grens in Ivoorkust. Wij waren echter diepbedroefd omdat wij tijdens de eerder genoemde hinderlaag onze veertienjarige zoon uit het oog verloren waren. Wij wisten niet beter of hij was dood, vermoord. Maar tot onze overgrote vreugde hoorden wij zes maanden later dat hij nog leefde. Er werden regelingen getroffen zodat hij zich hier bij ons in Ivoorkust kon voegen.”
Ook andere Getuigen maakten verschrikkingen mee. Clement uit Nigeria woonde al zeventien jaar in Monrovia, maar hij moest vluchten. Rebellentroepen maakten jacht op alle Nigerianen en Ghanezen in het land. Als hij door de rebellen werd gepakt, zou hij doodgeschoten worden. Wel honderd controleposten, van Monrovia tot Danané in Ivoorkust, scheidden Clement van de veiligheid. Bij de meeste controleposten wist hij zich eruit te praten door te zeggen dat hij een buitenlander was die het land uit wilde. Bij een bepaalde controlepost werkte zijn verhaal niet. Hij zou terechtgesteld worden. Clement besloot een goed getuigenis te geven voor men hem ter dood zou brengen. Hij predikte tot de commandant over Gods koninkrijk en liet hem de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! zien. Verbijsterd brulde de commandant: „Zeg hoor eens even, wij zijn hier op het ogenblik aan het werk. Als wij daarmee klaar zijn, zullen wij wel naar jou luisteren. Maar maak nu dat je wegkomt!”
Toen Clement later zijn gemoedsrust voldoende herwonnen had om over dit incident na te denken, zei hij dat hij nu wist wat Spreuken 18:10 bedoelt, waar staat dat de naam van Jehovah een sterke toren is. Alleen door Jehovah’s naam te gebruiken en over Gods koninkrijk te prediken, zag hij kans zich een weg door de overige controleposten te banen. Uiteindelijk stak hij de grens naar Ivoorkust over. Eindelijk was hij in veiligheid! Onlangs zijn enkelen van de staf van het bijkantoor in staat geweest naar Liberia terug te keren.
Niet alle landen hebben zo’n droevig verhaal te vertellen. Mozambique geeft ons een goede reden tot vreugde. Op 11 februari 1991 verleende de regering in Maputo de corporatie genaamd Jehovah’s Witnesses of Mozambique wettelijke erkenning. Wij zijn werkelijk bijzonder dankbaar voor deze ontwikkeling, want het betekent dat zendelingen zich nu in Mozambique kunnen vestigen. Er kunnen ongehinderd lectuur en tijdschriften worden ingevoerd. In drie steden zijn zendelingenhuizen gevestigd, met in totaal achttien zendelingen. Elk van deze huizen heeft een depot dat eigendom is van het Genootschap.
Niettemin staan jonge mensen voor de uitdaging tijdens de aanhoudende guerrillaoorlog in dat land hun neutraliteit te handhaven en hun loyaliteit aan Jehovah te demonstreren. Een twaalfjarig doofstom meisje werd voor immorele doeleinden ontvoerd door de rebellentroepen. Haar ouders hadden haar echter goed opgeleid in bijbelse beginselen. Toen haar overweldigers haar wilden verkrachten, weigerde zij onvervaard. Het zusje wees dan naar de hemel om duidelijk te maken dat immoraliteit in strijd was met Gods wet. Vanwege haar onwankelbare vastberadenheid sloegen haar overweldigers haar op een dag genadeloos in elkaar en lieten haar voor dood achter. Pas na twee maanden kwam zij bij haar ouders terug, in gezelschap van een vrouw die samen met haar gevangen had gezeten. „Ik weet niet wat u dit meiske geleerd hebt,” zei de vrouw, „maar ik ben onder de indruk van haar morele gedrag. Nooit is zij gezwicht voor de druk van de soldaten. Zij was eenvoudig geweldig! Wat voor religie hebt u?” Dank zij het krachtige standpunt van dit dove zusje studeert de vrouw nu met de Getuigen en maakt goede vorderingen in kennis van de waarheid.
Azië
„Uw zegen rust op uw volk”, zong koning David lang geleden (Ps. 3:8). Ook thans rust Jehovah’s zegen op zijn volk. Daar kunnen Jehovah’s Getuigen in landen die in Azië liggen heel positief van meepraten.
In Korea werd het leven van een zuster op nogal ongewone wijze gered doordat zij haar Medisch Document bij zich droeg. Toen zij uit haar geparkeerde auto stapte, werd zij plotseling overvallen door vier mannen die haar met geweld achterin duwden en op de vloer drukten. Zij bood haar ring en haar tasje aan in ruil voor haar vrijheid, maar daar namen zij geen genoegen mee. De vreselijke gedachte dat zij haar wellicht zouden aanranden schoot haar door het hoofd. Zij begon uit alle macht te gillen. „Wij zullen haar moeten afmaken”, gromde een van de mannen. Zij werd in haar been en dij gestoken. Toen plakten zij met tape haar ogen dicht en haar voeten aan elkaar. Wanhopig begon zij hardop te bidden en te huilen, waarbij zij Jehovah’s naam gebruikte.
Opeens werden de mannen doodstil. Ten slotte vroeg er één: „Mevrouw, bent u een van Jehovah’s Getuigen?” Toen zij in haar tasje graaiden, hadden zij haar Medisch Document gevonden. Zij besloten haar niet te doden, maar reden haar naar een plek dicht bij haar huis, lieten haar in de auto achter en maakten zich haastig uit de voeten. De zuster bidt of al deze mannen berouw mogen krijgen van hun wetteloze daad en aanbidders van Jehovah mogen worden.
Zoals in zoveel landen gebeurt, nemen ook in Japan steeds meer huisvrouwen een baan, wat het moeilijk maakt hen thuis met het goede nieuws te bereiken. Daarom besloot een pionierster in de stad Niigata met de Koninkrijksboodschap naar het centrum van de stad te gaan — waar de mensen waren. Zij kreeg een zakengebied van haar gemeente en begon tot de zakenmensen die zij tegenkwam te prediken met een korte aanbieding van een huisbijbelstudie. Zij gebruikte de brochure „Zie! Ik maak alle dingen nieuw”, en vervolgens bracht zij nabezoeken bij alle mensen die ook maar een greintje belangstelling toonden. Geïnteresseerden stelde zij voor tijdens de lunchpauze dertig minuten in een theehuis, een koffieshop van een warenhuis of in een park te studeren. Tijdens iedere studieperiode concentreert zij de aandacht op slechts één speciaal punt, en zij heeft soms wel acht studies in dit zakengebied.
Meer dan 60.000 Filippino’s zijn uit de Filippijnen naar het eiland Hong Kong gekomen om er als bedienden in Chinese huizen te werken. De meerderheid van deze werkers is rooms-katholiek. Een zuster trof zo iemand in een lift en vroeg haar eenvoudig of zij er belangstelling voor had meer over de bijbel te leren. Het antwoord was: „Ik heb erom gebeden meer over de bijbel te leren.” Meer tijd nam het niet om een bijbelstudie op te richten.
Een jonge verkondiger uit Nicosia op Cyprus schreef: „Ik heet Marcos en ik ben twaalf jaar. Voor het godsdienstonderwijs had de onderwijzeres drie lessen over religie op het rooster staan. Ik zorgde ervoor dat ik het boek De mens op zoek naar God mee naar de klas nam. Voordat de eerste les begon, liet ik het boek aan mijn onderwijzeres zien. Zij bladerde het door en legde het op haar lessenaar. Een poosje later zei ze tegen de klas: ’Ik ga het boek van Marcos voor de lessen gebruiken, want de inlichtingen die daarin staan zijn veel grondiger dan het boek dat de school verschaft.’” De jonge Marcos besluit: „Ik moedig alle jonge verkondigers aan op school altijd lectuur van het Genootschap bij zich te hebben.”
Lucas, van geboorte rooms-katholiek, begon op Sri Lanka de bijbel te bestuderen. Hij maakte deel uit van een vierkoppige bemanning die op een vissersboot van een boeddhistische eigenaar werkte. Zijn werkgever wilde graag de zegen van de zeegoden op zijn vissersbedrijf verwerven en daarom vroeg hij de bemanning een bedevaart te maken naar een beroemd centrum van aanbidding voor aanhangers van zowel het hindoeïsme als het boeddhisme. Lucas legde uit dat hij daar niet aan kon meedoen, aangezien hij geloofde dat Jehovah de enige ware God was. „Je gaat met ons mee of je bent ontslagen!”, snauwde de eigenaar. Onmiddellijk zei Lucas zijn baan op. Hij keerde terug naar zijn dorp en vond al binnen een paar dagen een baan op een andere boot. Nu kan hij geregeld studeren.
Toen Bangnam, een jonge getrouwde vrouw in Thailand, de bijbel begon te bestuderen, werden haar ouders ziek. De ouders raadpleegden een medicijnman die zei dat de geesten van hun dode bloedverwanten het niet goedkeurden dat hun dochter van religie veranderde en dat de ouders, als zij beter wilden worden, een eind moesten maken aan de bijbelstudie van hun dochter. De ouders smeekten hun dochter de studie op te geven. De speciale pionierster die met Bangnam studeerde, liet de ouders aan de hand van de bijbel zien dat het niet de geesten van de doden konden zijn die de moeilijkheden veroorzaakten maar dat het daarentegen goddeloze geesten waren (Pred. 9:5, 6). Toen kwamen de ouders op het idee dat zij hun dochter ver weg moesten sturen. De zuster maakte hun echter duidelijk hoe de bijbel kinderen leert hun ouders lief te hebben en hoe Bangnam bij hen wilde wonen om voor hen te zorgen omdat zij van hen hield. Toen de moeder dit hoorde, liet zij zich vermurwen en stemde ermee in met de zuster naar de stad te gaan om een arts te raadplegen. De arts kon niets bij haar vinden. Op de terugweg barstte er een stortbui los en omdat het al behoorlijk laat was, stelde de speciale pionierster voor dat de moeder de nacht bij haar thuis zou doorbrengen. De volgende ochtend werd Bangnams moeder verkwikt wakker en zij was heel opgewonden, want zij had de hele nacht goed geslapen zonder ademhalingsmoeilijkheden. Toen de vader van de verbetering in de gezondheid van zijn vrouw hoorde, stemde hij ermee in alles wat in hun huis met spiritisme te maken had, weg te doen. Al snel verbeterde ook zijn gezondheid. Bangnam is inmiddels gedoopt en haar man maakt vorderingen in de richting van de opdracht.
Than woont in Myanmar. Hij was soldaat, maar zijn militaire carrière eindigde in een bittere teleurstelling. Zijn leven in wanhoop was aldus begonnen: Tijdens een fel gevecht met rebellentroepen ontplofte er een granaat bij een bunker waar hij zich verborgen had. De bunker stortte in en bedolf de helft van zijn lichaam. Nadat hij onder het puin was uitgegraven, ontdekte hij tot zijn ontzetting dat hij zijn benen niet kon bewegen — hij was verlamd. Weldra werd hij uit het leger ontslagen. In zijn hopeloze toestand begon hij te piekeren over zijn ongeluk, verloor alle geloof in God en overwoog zelfmoord. Omstreeks diezelfde tijd bezocht een pionier Thans buurman op geregelde basis om een bijbelstudie te leiden. Toen Than vernam wie die geregelde bezoeker was, nodigde hij hem eveneens thuis uit. De pionier vertroostte Than aan de hand van de Schrift. Er werd een bijbelstudie begonnen. Het duurde niet lang of hij herkende de klank van de waarheid en geestdriftig begon hij anderen getuigenis te geven. Hij wilde ook de vergaderingen in de Koninkrijkszaal bezoeken, die zo’n acht kilometer ver weg ligt. Hij bemachtigde een paar oude fietswielen en bouwde een karretje voor zichzelf. Met grote vastberadenheid trekt en duwt hij zichzelf de hellingen naar de Koninkrijkszaal op en af en bezoekt geregeld de vergaderingen. Zijn bittere teleurstelling heeft plaats gemaakt voor een stralende hoop op een betere toekomst.
Europa
„Onze ziel is als een vogel die ontsnapt is uit het klapnet van vogelaars. Het klapnet is gebroken, en wíj zijn ontsnapt. Onze hulp is in de naam van Jehovah” (Ps. 124:7, 8). Hoe goed beschrijft deze psalm onze broeders in Oost-Europa!
Het afgelopen dienstjaar was een opmerkelijk jaar in de geschiedenis van Jehovah’s Getuigen in de Sovjet-Unie. Behalve nieuwe hoogtepunten in de verkondigers- en pioniersgelederen gaven zeven hoogtepunten in de verspreiding van boeken en tien hoogtepunten in de verspreiding van tijdschriften onze broeders nog meer reden om zich over hun pas verkregen vrijheid te verheugen. Deze hoogtepunten werden bereikt doordat er voor de allereerste keer lectuurzendingen ontvangen konden worden.
Op maandag 18 maart 1991 stuurde het bijkantoor in Duitsland de eerste vrachtwagen met ongeveer twintig ton lectuur naar de Sovjet-Unie. Voordien ontvingen de broeders hun lectuur in kleine pakjes over de post. Hoe ging het met de aankomst van de eerste vracht lectuur?
Het was middernacht in de stad Lvov toen een plaatselijke ouderling een onverwacht telefoontje aannam. Aan de andere kant van de lijn was het Duitse bijkantoor met de mededeling dat er een grote vrachtwagen met een gele cabine en een blauwe laadbak werd geladen met aan de Sovjet-Unie geadresseerde lectuur. Zij spraken een trefpunt af — de Pools-Russische grens. Toen de Russische Getuigen op woensdag bij de grens kwamen, was het weer guur geworden. Niet afgeschrikt door de bijtende kou en met sneeuw vermengde regen wisselden de broeders elkaar vastbesloten af om iedere vrachtwagen die de grens naderde nauwkeurig te observeren. Een van hen riep uit: „Wij hebben tientallen jaren op dit gedenkwaardige ogenblik gewacht. Wij beschouwen een paar uur of zelfs een paar dagen wachten dan ook als een voorrecht.”
Eindelijk, op vrijdag 22 maart, precies om acht uur in de ochtend, kwam er een gele vrachtwagen met een lange, grote blauwe laadbak naar de grens gereden. Uit de grond van hun hart zonden de broeders gebeden naar de hemel op. De vrachtwagen passeerde de grens en kwam op Sovjet-bodem. Terwijl de twee verbaasde douaniers naar die hoeveelheid lectuur staarden, vroegen zij zich af wat zij met deze situatie aan moesten en begonnen de kwestie te bespreken. Na controle van documenten en lading knikten de ambtenaren en gaven met een snel handgebaar de vrachtwagen toestemming door te rijden. „Grenzeloos was onze vreugde!”, zeiden de broeders achteraf. „Na tientallen jaren van zware vervolging worden onze broeders eindelijk voorzien van geestelijk voedsel in overvloed.”
Er werd vergunning gegeven om de lading te lossen. Meer dan zeventig broeders stonden te trappelen om met het werk te helpen. Zij vormden twee „lopende banden”, waarlangs de pakketten lectuur systematisch, bijna in een muzikaal ritme, van hand tot hand werden doorgegeven. De volgende dag, zaterdag, kwamen de broeders van verafgelegen gebieden uit het hele land om de lectuur op te halen. De eersten die aankwamen, waren twee broeders die ongeveer 3500 kilometer hadden gereisd. „Jehovah God heeft gedaan wat geen mens kan doen, en wij zijn ooggetuigen van die gebeurtenissen geweest”, zei de een.
Uit de stad Dresden in wat eens bekend stond als Oost-Duitsland komt de volgende ervaring: „Mijn vrouw en ik hadden al heel lang geprobeerd mijn ouders voor de waarheid te winnen, maar het enige wat wij oogstten, was tegenstand. In november 1988 moest mijn vrouw echter drie weken naar het ziekenhuis. Wij hadden geen andere keus dan ons achttien maanden oude dochtertje Sara onder de hoede van Oma en Opa achter te laten.
Het was meteen de eerste dag al raak. Aan de ontbijttafel vroeg Sara zich af waarom Oma en Opa zo maar begonnen te eten. Daarom stootte zij Oma aan, vouwde haar handjes en zei: ’Oma bidden!’ Ze boog haar hoofdje en deed haar oogjes stijf dicht. Oma reageerde niet; Sara herhaalde haar verzoek. Ten slotte drong het tot mijn moeder door wat Sara wilde, en daarom sprak zij een luthers tafelgebed uit. Die avond vroeg mijn moeder mij tot welke religie wij behoorden. Zij wist alleen maar dat wij uit de kerk getreden waren. Zij had ons nooit toegestaan iets anders uit te leggen. Ik legde haar uit hoe het zat. Oma stemde erin toe Sara te behandelen zoals zij gewend was door ons behandeld te worden, en daarom gaf ik haar Mijn boek met bijbelverhalen, want Sara was gewend elke avond een verhaal te horen.
Sara haalde Oma over iedere avond drie of vier verhalen voor te lezen. Mijn ouders waren verbaasd over Sara’s bijbelkennis, aangezien zij soms het voorlezen onderbrak en het verhaal zelf afmaakte. Mijn moeder begon nieuwsgierig te worden naar de dingen die zij Sara avond aan avond voorlas. In mei 1990 begonnen wij een huisbijbelstudie met mijn ouders. Al spoedig zeiden zij hun kerklidmaatschap op en gingen met ons mee naar de vergaderingen. Een jaar later, in mei 1991, werd mijn moeder een ongedoopte verkondigster en nu bereidt zij zich voor op de doop. Ook mijn vader maakt heel goede vorderingen. Wij danken Jehovah omdat hij ons dochtertje en het Bijbelverhalen-boek heeft gebruikt om iets tot stand te brengen wat wij al zo lang zonder succes hadden proberen te doen.”
In Oostenrijk nemen veel jonge mensen een krachtig standpunt voor de ware aanbidding in. Melanie, een elfjarig meisje, is daarvan een voorbeeld. Wegens familieomstandigheden werd de voogdij over Melanie van haar moeder afgenomen en aan haar stiefzuster gegeven. De stiefzuster en haar man begonnen met hulp van Jehovah’s Getuigen de bijbel te bestuderen, en Melanie deed ook mee. Zij allen maakten goede vorderingen. Melanie wilde uit de Katholieke Kerk gaan. Maar volgens de Oostenrijkse wet kan dat pas als iemand veertien jaar oud is. Was daarmee voor Melanie de kous af? Nee! Zij ging naar de directeur van het Bureau voor Jeugdzorg en maakte haar wens kenbaar. Na een onderhoud zei deze directeur in een brief aan Melanie: „Na grondige overwegingen wil ik je laten weten dat ik je toestemming geef de Katholieke Kerk te verlaten. Maar gezien de bestaande wet, zal ook het kantongerecht moeten instemmen met de beslissing die ik genomen heb.” Dus moest Melanie helemaal alleen voor de rechter verschijnen en redenen opgeven waarom zij de kerk wilde verlaten. Op 21 september 1990 kreeg zij een gunstige uitspraak van het kantongerecht. Wat een prachtige overwinning voor een elfjarig meisje! Melanie neemt nu vol vreugde als ongedoopte verkondigster deel aan het predikingswerk.
Een vrouw in Finland die ernstig gewond was geraakt bij een auto-ongeluk, lag in het ziekenhuis te denken: ’Als mijn leven nu afgelopen was geweest, zou dit leven dan alles zijn geweest wat er was?’ Toen zij weer thuiskwam, zocht zij in de bijbel naar een antwoord maar vond het niet. Zij verzuchtte: „God in de hemel, laat mij alstublieft weten wat het doel van het leven is. Ik weet dat het in de bijbel moet staan. Ik vraag u oprecht, help mij het te begrijpen.” Nauwelijks tien minuten later ging de bel, en wie stond er voor de deur? Een van Jehovah’s Getuigen met een hartelijke glimlach. „Ik was geschokt”, zei ze. „Mijn eerste gedachte was: ,O nee toch! Moest het nu per se een van Jehovah’s Getuigen zijn?’ Maar ik hield mij in en vroeg haar binnen te komen. Van dat ogenblik af is mijn begrip van de bijbel voortdurend toegenomen.”
Latijns-Amerika
„Ik zal Jehovah prijzen naar zijn rechtvaardigheid, en ik wil de naam van Jehovah, de Allerhoogste, bezingen met melodieën” (Ps. 7:17). Het afgelopen dienstjaar is onder de verkondigers in Latijns-Amerika deze psalm van David een steeds terugkerend thema geweest.
Dient aan de schepping evenveel tijd te worden besteed als aan de studie van de evolutie? Dat is een vraag die in Ecuador dikwijls wordt gesteld. In de zeehavenstad Guayaquil besloot een docent de inlichtingen uit het boek Leven — Hoe is het ontstaan? Door evolutie of door schepping? met zijn 104 leerlingen te behandelen. Aan het einde van de onderwijsperiode, januari vorig jaar, stelde hij zijn leerlingen een reeks vragen. Een daarvan was: „Als je alle wetenschappelijke en bijbelse bewijzen die in deze klas zijn aangevoerd, in aanmerking neemt, tot welke conclusie ben je dan gekomen ten aanzien van de oorsprong van het leven?” De antwoorden vielen in overgrote meerderheid ten gunste van schepping door God uit. Eén leerling antwoordde: „Ik ben tot de conclusie gekomen dat de aarde en alles wat daarin is door een perfectionist tot bestaan gebracht moet zijn. Er moet iemand bestaan hebben die heel liefdevol was en die een doel had voor mensen die hier wonen. Het is absurd te denken dat iets zo gecompliceerds als levende mensen door het toeval voortgebracht zouden kunnen zijn. Mensen zijn niet bij machte iets zo ingewikkelds als leven te scheppen.”
De bijbelse waarheid heeft zoveel indruk op deze leraar gemaakt dat hij in december 1990 werd gedoopt. Op die plaatselijke kringvergadering waren 42 van zijn leerlingen aanwezig om getuige te zijn van zijn doop. Er waren toen ook 31 leerlingen met Jehovah’s Getuigen in Guayaquil de bijbel aan het bestuderen!
Een bijbelstudente die diep in het binnenland van Guyana bij de rivier de Moruka woont, studeert per brief. Zij verlangde er vurig naar op de avond van de Gedachtenisviering van Christus’ dood met Jehovah’s Getuigen in de ware aanbidding verenigd te zijn. Zij telde een groot bedrag neer om een boomstamkano te huren en reisde al peddelend met haar dertienjarige zoon en twaalfjarige dochter 21 uur lang naar de dichtstbijzijnde gemeente in Charity. De reis bracht met zich mee dat zij de Moruka af moesten tot aan de Atlantische Oceaan en dan weer landinwaarts de Pomeroon op. Zij begon ’s ochtends om 9.30 uur en kwam de volgende ochtend om 6.20 uur aan, met slechts één uur rust onderweg. Na de Gedachtenisviering moest zij direct terugkeren omdat de kano per dag gehuurd was. Zij is een ongedoopte verkondigster en was ten tijde van de Gedachtenisviering vier maanden zwanger!
Vorig jaar maart kwam in Venezuela een rooms-katholieke priester op het bijkantoor om lectuur vragen. Toen vroeg hij of hij met iemand over bepaalde leerstellige punten kon spreken. Hij stelde zich voor en vertelde dat hij al over de 65 was en al 37 jaar als priester diende. Hij had in Italië, in Rome, voor priester gestudeerd. De afgelopen vier jaar had hij inlichtingen gelezen in verband met de concilies van de Katholieke Kerk en stond verbaasd over de dingen die hij te weten kwam. „De kerk zit een heel eind bezijden de waarheid”, zei hij.
„Dezer dagen heb ik meer in de bijbel gelezen dan in mijn hele leven”, zei hij. „Ik ben in verwarring. De leer van de kerk klopt niet met de bijbel. Ik moet onderwijs geven, maar mijn geweten staat mij niet toe leugens te onderwijzen. Ik zoek een manier om aan deze martelende toestand te ontkomen. Ik heb mijn hele leven aan de kerk gewijd; nu ben ik een oude man, en wat moet ik op mijn leeftijd beginnen? Waar zou ik een baan vinden? Ik woon in een mooi huis, heb een dure auto en geld op de bank, maar als ik uit de kerk stap, raak ik dat allemaal kwijt. Ik weet me geen raad.”
De broeder liet hem enkele schriftplaatsen zien die aantonen dat Jehovah degenen die Hem dienen niet in de steek laat. Wetend dat de priester Grieks gestudeerd had, liet de broeder hem The Kingdom Interlinear Translation of the Greek Scriptures zien en wees hem op Mattheüs 10:28. Opgewonden riep de priester uit: „Maar dat is heel duidelijk, heel duidelijk — de ziel sterft! Dus dat was ook alweer een leugen!”
Nadat zij enige tijd gesproken hadden, vroeg de broeder aan de priester waarom hij naar het bijkantoor gekomen was. Zijn antwoord was heel interessant. Er was een veertienjarige verkondiger zijn kerk in Caracas binnengestapt, had daar een dame getroffen die aan het bidden was en had haar gevraagd waar de priester was. „Daar achterin”, was het antwoord. Dus liep de jonge broeder naar de achterkant van de kerk en vond het kantoor van de priester. „Wat is er?”, vroeg de priester aan de jongen. Onze jonge verkondiger zei dat hij over de bijbel kwam praten; hij vertelde de priester dat Babylon de Grote vernietigd zal worden, en dat ook de priester vernietigd zou worden als hij niet uit de valse religie ging. De priester was sprakeloos van verbazing dat een veertienjarige jongen zoveel zaken zo vrijmoedig aan een man van zijn leeftijd wist uit te leggen. De jonge verkondiger gaf hem het adres van het bijkantoor. Daarom was deze priester naar het kantoor gekomen.
Na een gesprek van ongeveer twee uur vertrok de priester. Wij hopen dat hij de moed zal hebben de confrontatie met zijn superieuren aan te gaan en de waarheid te aanvaarden.
Noord-Amerika en de Caribische eilanden
De Getuigen in Noord-Amerika en de eilanden van het Caribisch gebied zeggen de psalmist David de volgende woorden na: „Zegen Jehovah, o mijn ziel, ja, al wat in mij is, zijn heilige naam. Zegen Jehovah, o mijn ziel, en vergeet niet al zijn daden.” — Ps. 103:1, 2.
Soms vinden geïnteresseerden misschien dat zij te oud zijn om van religie te veranderen. Een bejaarde dame in British Columbia, Canada, deelt die opvatting echter niet. Zij was in haar kleine gemeenschap heel bekend, want zij was lerares beeldende kunst en een van de steunpilaren van de Anglicaanse Kerk. Zij had persoonlijk het altaar in de kerk bekostigd en was een van degenen die tijdens diensten de schriftlezing verzorgden. Daar zij belangstelling voor de bijbel had, was zij al jarenlang een tijdschriftenadres van de plaatselijke Getuigen, maar zij had verder geen vorderingen gemaakt. Ongeveer vijf jaar geleden kwam haar dochter met haar man bij haar inwonen, zogenaamd om haar op haar hoge leeftijd te helpen. Maar zij waren tegenstanders van Jehovah’s Getuigen en zetten haar onder druk om naar een bejaardentehuis te verhuizen. Dat was zij beslist niet van plan! Toen dan ook haar dochter en schoonzoon met vakantie afwezig waren, verhuisde zij naar een wooncaravan.
Ten slotte bediende een van onze zusters zich van de directe aanpak, demonstreerde onze methode van bijbelstudie en vroeg haar of zij er belangstelling voor had de bijbel te bestuderen. Haar antwoord was: „Ik vroeg mij al af wanneer u mij dat zou vragen!” Aangezien zij oprecht in de bijbel geloofde, begreep zij snel de fundamentele bijbelse waarheden, en zei altijd: „Als het in de bijbel staat, moet het waar zijn.” Zij bleef echter naar haar kerk gaan, want zij meende op die manier medeleden van de kerk te kunnen helpen.
Na ongeveer anderhalf jaar studie kreeg zij te horen dat een aartsbisschop van de Anglicaanse Kerk gelden van de kerk had verduisterd en een vakantiereis naar het Caribisch gebied had gemaakt met zijn secretaresse, hoewel hij een getrouwd man was. Ook vernam zij dat de aartsbisschop vervolgens probeerde een diaken van de kerk de schuld voor het verduisteren van de fondsen in de schoenen te schuiven. Deze hele affaire werd aan het licht gebracht tijdens een verhitte open discussie in de kerk. Tijdens de discussie maakte zij de aartsbisschop in het openbaar uit voor „oude huichelaar”, waarna zij de kerk uit liep en de deur hard achter zich dichtsloeg om er nooit meer terug te keren.
Toen zij voor het eerst vergaderingen in de Koninkrijkszaal bezocht, merkte zij op: „Ik kan gewoon niet geloven hoeveel mannen jullie hier hebben en hoe actief zij bij de gemeentelijke aangelegenheden betrokken zijn. In de kerk waar ik bij was, zaten de paar mannen die er kwamen gewoon te slapen.” Op 29 september 1990 werd zij op 87-jarige leeftijd gedoopt.
Na zijn jongste bezoek aan Groenland meldde een kringopziener verheugd: „Het wonder gaat voort! En dit is pas het topje van de ijsberg.” Veel nieuwelingen bezoeken vergaderingen, er worden studies opgericht, nieuwelingen gaan mee in de velddienst en worden gedoopt.
Verscheidene nieuwelingen hebben langdurig strijd moeten leveren om tot een goedgekeurde verhouding met Jehovah te komen. Andy (niet zijn ware naam) bijvoorbeeld was midden dertig. Hij leefde samen met Eunice (niet haar ware naam); hij was alcoholist en had slechte kameraden. Dit ondermijnde hun relatie en zijn verontruste geweten kon soms vervelend opspelen. Maar toen begon Eunice de bijbel te bestuderen. Langzamerhand ging zij begrijpen dat zij om in Jehovah’s ogen aanvaardbaar te zijn, haar leven in het reine zou moeten brengen, en daarom ging zij bij Andy weg.
Hierdoor begreep Andy in wat voor situatie hij zich bevond: Hij had voor de drank gekozen — zij had voor een christelijke levenswijze gekozen. Eunice bleef vorderingen maken en werd gedoopt, en zij is een ijverige zuster in de gemeente.
Toen vroeg Andy om studie. Hij maakte enige geestelijke vorderingen en was blij met de dingen die hij leerde, maar viel nog telkens terug in zijn oude zwakheid. Hij bezocht de vergaderingen slechts zelden en zag geen kans zijn slechte vrienden te laten schieten. In 1989 woonde Andy het districtscongres bij — en dat werd het keerpunt. Nu geloofde hij dat hij zijn probleem kon overwinnen, en hij wendde zich tot zijn arts om hulp. Hij werd opgenomen en toen hij weer thuiskwam, stond de gemeente klaar om hem te helpen. Hij zegt: „Ik had het gevoel dat ik nu een veel betere basis had om mij in geestelijke dingen te verdiepen. Ik was vrij van de drank en mijn leven was stabiel. Mijn oude kameraden werden vervangen door nieuwe in de gemeente. Mijn verhouding met Jehovah werd reëler voor mij, en nu pas had ik het gevoel dat ik hem in gebed kon naderen. Sindsdien is het gebed altijd van groot belang voor mij gebleven. Ik heb zo vaak tot Jehovah gebeden, en hij heeft mij verhoord. Als de verleiding te groot werd en mijn begeerte om verkeerde dingen te doen mij bijna te machtig werd, scheen ik altijd vrienden uit de Koninkrijkszaal tegen te komen die mij aanmoedigden om aan mijn nieuwe levenswijze vast te houden.”
Andy is nu ruim twee jaar vrij van de drank. Gods Woord, Zijn geest en Zijn organisatie hebben Andy geholpen. Hij begon met de prediking en werd afgelopen augustus op het „Vrijheidlievende mensen”-congres in Godthaab (Nuuk) gedoopt.
Als iemand vastbesloten is deel te hebben aan de aanbidding van Jehovah is een fysieke handicap geen hinderpaal. Kenwyn bijvoorbeeld, nu zeventien jaar oud, woont op het eiland Grenada. Toen hij vier jaar oud was, kwam hij bij een val zo ongelukkig terecht dat hij ernstige moeilijkheden met lopen kreeg. Naarmate hij ouder werd, ging het lopen steeds moeilijker. Toen hij vijftien was, moest hij met behulp van houten krukken lopen. Op zeventienjarige leeftijd had een operatie die bedoeld was om zijn problemen met lopen te verhelpen, geen succes.
Omstreeks die tijd begon Kenwyn te studeren met een van Jehovah’s Getuigen, een zendeling. Hij maakte goede vorderingen in het aanvaarden van bijbelkennis, maar aarzelde wanneer hij werd uitgenodigd zijn kennis met anderen te delen in de van-huis-tot-huisbediening. Hij was beducht vanwege zijn lichamelijke conditie en antwoordde altijd: „Ik zal het je wel vertellen als ik zover ben.” Hij werd aangemoedigd zelf ervaringen uit de Ontwaakt! en De Wachttoren te lezen van Getuigen die een lichamelijke handicap hadden maar toch geregeld van deur tot deur predikten. Nadat hij deze ervaringen gelezen had, kondigde hij de zendeling aan: „Nu ben ik zover.”
En hij was inderdaad zover. Gedurende zijn eerste maand in de velddienst besteedde hij 19 uur aan de prediking tot anderen. De volgende maand vermeldde zijn bericht 63 uur. Hij werd in maart van dat jaar gedoopt en ging de maand daarop in de hulppioniersdienst. Men kan Kenwyn met krukken in het heuvelachtige terrein van zijn predikingsgebied de wegen op en af zien lopen. Wat een voortreffelijk voorbeeld en wat een bron van aanmoediging is hij voor allen in zijn gemeente! Aangezien heuvels geen belemmering vormen voor zijn predikingswerk, noemen de broeders hem vol genegenheid „Vierwielaandrijving”.
Eilanden in de Grote Oceaan
„Hij zal onderdanen hebben van zee tot zee en van de Rivier tot de einden der aarde”, voorzei Psalm 72:8. In overeenstemming met die woorden heeft de grotere Salomo, Christus Jezus, onderdanen over de gehele aarde, ook op de eilanden in de Grote Oceaan.
De bewoners van de eilandjes en atollen in het westen van de Grote Oceaan die onder het bijkantoor van Guam vallen, krijgen getuigenis in veel talen. Het boek U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven heeft zijn weg naar vele huizen gevonden. Van een van de eilanden komt de volgende ervaring: Een vrouw die een exemplaar van dit boek had aanvaard, zag dat haar vader, die voorganger is van hun kerk, bij zijn preek vanaf de kansel het rode boek gebruikte. Zij zag hoe hij het na de preek onopvallend in zijn aktentas deed zodat anderen het niet zouden opmerken. Maar zij merkte het wel op, en na de dienst vroeg zij hem: „Papa, waarom gebruikt u dat rode boek?” Hij antwoordde: „Wat het boek zegt, is waar.” Zij vroeg hem hoe hij aan zijn boek kwam. „Het is jouw boek”, zei hij. Na deze ervaring wilden zij en haar man heel graag met hulp van de plaatselijke Getuigen de bijbel bestuderen. Op een dag begonnen haar buren de draak met haar te steken omdat zij zich door de Getuigen studie liet geven terwijl haar vader predikant was. Maar toen de predikant hiervan hoorde, bestrafte hij hen en zei: „Geen kwaad woord over hen [de Getuigen], want zij zijn Gods volk die ons het goede nieuws brengen.”
Het bijkantoor in Papoea Nieuw-Guinea ontving de volgende brief uit de provincie Morobe: „Wij hier in Lengbati wonen in een dicht oerwoudgebied met grote bergen en geen autowegen. Er is een kleine luchthaven, maar het vliegtuig komt niet vaak. In 1987 was er maar één Getuige die velddienst deed en bijbelstudies leidde. De kringopziener en zijn vrouw kwamen om voor onze behoeften te zorgen, en op dat moment sloeg de tegenstand toe. Vijanden van het Koninkrijk trachtten ons werk een halt toe te roepen door de Koninkrijkszaal voor de ogen van de kringopziener plat te branden. Wat was het resultaat van deze tegenstand? Wij hebben nu zeven verkondigers en vergaderen in een nieuwe Koninkrijkszaal die wij gebouwd hebben. Als wij het Koninkrijkswerk doen, voelen wij ons heel gelukkig, net als al onze broeders elders wanneer zij hetzelfde werk doen.”
Kinderen kunnen heel veel doen om andere kinderen te helpen de waarheid te leren kennen. In Australië werd de negenjarige Linda door haar onderwijzeres gevraagd naast Rebecca te gaan zitten, omdat die alleen zat. Linda sloot vriendschap met Rebecca en vertelde haar over het Koninkrijk. Uiteindelijk richtte zij bij Rebecca een studie op die zij tijdens het lunchuur op school hielden uit het boek Naar de Grote Onderwijzer luisteren. Daarop spraken zij met een andere leerlinge, Ebony, en zij kwam ook met de studie meedoen. Toen kwam Sarah, weer een andere leerlinge, vragen of zij met hun spelletje mocht meedoen. Linda legde uit dat het geen spelletje was — zij waren de bijbel aan het bestuderen. En zo ging Sarah ook meedoen. Er kwam nog een meisje vragen of zij mee mocht doen, en nu zijn er soms wel twee groepen kinderen die het Grote Onderwijzer-boek zitten te bestuderen, de ene groep met Linda en de andere met Rebecca. Toen werd de onderwijzeres nieuwsgierig en wilde weten wat zij aan het doen waren, dus liet Linda haar het Grote Onderwijzer-boek zien en de onderwijzeres keurde het goed.
Landen onder verbodsbepaling
„Bevrijd mij van mijn vervolgers, want zij zijn sterker dan ik”, riep David tot zijn Redder, Jehovah (Ps. 142:6). Thans ziet Jehovah’s volk in landen waar het getuigeniswerk aan banden is gelegd, voor hun redding op naar Hem. En Jehovah hoort hun smeekbeden en vertroost hen.
Het afgelopen dienstjaar, hun vijftiende achtereenvolgende jaar onder verbodsbepalingen, is voor Jehovah’s Getuigen in één land in Azië zowel een zeer druk alsook een gezegend jaar gebleken. Er werd een nieuw hoogtepunt in Koninkrijksverkondigers bereikt — een toename van negen procent! Voorzichtigheid is echter nog steeds geboden. Eén gemeente bijvoorbeeld vergadert in het huis van een ouderling. Zonder aanwijsbare reden begonnen de buren zich te storen aan de vergaderingen en er werden bakstenen en keien op het plaatijzeren dak van het huis gegooid. Sommige broeders op de vergadering werden driftig en wilden de boosdoeners aanpakken. Bedaard overreedde de ouderling hen echter op Jehovah’s geest te vertrouwen en hun toevlucht niet tot geweld te nemen. De naaste buren groeven een sleuf langs de buitenmuur van het huis van de broeder, een meter diep en een halve meter breed, in de hoop dat de muur zou instorten en er zo een einde aan de vergaderingen zou komen. Geduldig wachtte de ouderling op Jehovah. Ongeveer een maand later werd de buurman die de aanstoker was ziek. Toen hij met zijn auto naar het ziekenhuis wilde gaan, reed hij per ongeluk achteruit de sleuf in die hij langs de muur van de broeder had gegraven. Buren hielpen hem uit zijn benarde positie, maar niemand kon hem met zijn gezondheid helpen. Hij werd steeds zwakker en stierf kort daarna. In plaats van wraak te nemen, oefenden de broeders geduld en leerden dat bevrijding van vervolgers soms op onverwachte en ongewone wijze komt.
Een jeugdorganisatie van de regerende politieke partij in een land in Afrika blijft ermee doorgaan de Getuigen gewelddadig te bejegenen, omdat dezen weigeren een partijkaart bij zich te hebben. De vervolging duurt al 24 jaar onverminderd voort. Gedurende al deze tijd is Jehovah’s volk onderworpen gebleven aan de superieure autoriteiten en heeft deze nooit beledigd, noch ooit naar wraak gezocht. — Rom. 13:1.
Hun standvastigheid ten aanzien van bijbelse beginselen heeft hun het respect van sommige tegenstanders opgeleverd. Zo werd een broeder iets meer dan een jaar geleden gearresteerd en naar de gevangenis gebracht. De dienstdoende politie-officier zei: „Zo, nu hebben wij je dus eindelijk te pakken.” De politie was echter al lang op de hoogte van zijn patroon van theocratische activiteiten maar had geen actie tegen hem ondernomen totdat de auto die hij bestuurde, en waarin zich een hoeveelheid bijbelse lectuur bevond, bij een aanrijding met een politievoertuig betrokken was. Hoewel de broeder werd veroordeeld, werd hij goed behandeld terwijl hij gevangenzat.
De broeder op wiens naam de auto geregistreerd stond, moest ook voorkomen. Hij moest uitleggen waarom met zijn auto zogeheten onwettige lectuur vervoerd werd. Gedurende het verhoor werd hem gevraagd: „Bent u een van Jehovah’s Getuigen?” Hij antwoordde: „Vóór het verbod werd ik een van Jehovah’s Getuigen. Sinds de verbodsbepaling ben ik niet van religie veranderd. Mijn gezin en ik bidden thuis, en wij vallen niemand lastig. Dus, wat vindt u, Officier?” Verbazingwekkend genoeg werden alle aanklachten tegen hem ingetrokken en mocht hij zijn auto naar huis rijden. Zo zijn de Getuigen gedurende al deze jaren getrouw gebleven aan hun God, en Jehovah heeft hun toename geschonken en de kracht om het niet op te geven.