Blijf nog doeltreffender het goede nieuws verkondigen
1 „Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God bleef het wasdom geven, zodat noch hij die plant iets is, noch hij die begiet, maar God, die het wasdom geeft” (1 Kor. 3:6, 7). Aldus verkrijgen wij Gods zienswijze op het predikingswerk en de toename die daar het gevolg van is. Jehovah is degene die de mate van toename bepaalt en er ook voor zorgt dat deze komt. Hij is ook degene die de eer voor alle groei dient te ontvangen.
2 Hoe dienen wij dan de woorden te bezien „noch hij die plant iets is, noch hij die begiet”? Kunnen wij het standpunt innemen dat wij ons niet druk behoeven te maken over de kwantiteit en de kwaliteit van onze prediking, daar Jehovah uiteindelijk toch naar zijn believen toename geeft? Betekent dit dat toename toch wel komt, ongeacht of wij ons nu krachtig inspannen of slechts een minimale prestatie leveren?
3 Hoewel Jehovah niet van zijn schepselen afhankelijk is in het ten uitvoer brengen van zijn wil, heeft hij er bij het bijeenbrengen van mensen tot redding voor gekozen dit werk en het resultaat ervan enigszins afhankelijk te laten worden van inspanningen door zijn aardse dienstknechten. Dus lezen wij in 1 Korinthiërs 3:5, 9, 10: „Wat dan is Apollos? Ja, wat is Paulus? Dienaren door bemiddeling van wie gij gelovigen zijt geworden, . . . Want wij zijn Gods medewerkers. Laat een ieder er echter op blijven toezien hoe hij daarop bouwt.”
4 De boer kan niets doen om de regen of de groei van zijn gewas te verhaasten (Jak. 5:7, 8). Hij kan als een ijverige landbouwer zijn taak verrichten door de grond te bewerken, het zaad te zaaien en voor het bebouwde veld te zorgen. Maar hij heeft geen zeggenschap over de regen en ook kan hij de vastgestelde wetten van de Schepper met betrekking tot de groei van ’de kostbare vrucht van de aarde’ niet veranderen. Doch indien hij ermee voortgaat te doen wat hij wèl kan, zal het gezaaide opgroeien en kan hij oogsten.
5 Zo is het ook thans onze verantwoordelijkheid als ware christenen het „goede nieuws” bekend te maken en geïnteresseerde personen in Gods Woord te onderwijzen (1 Kor. 9:16; Matth. 28:19, 20). Maar wij kunnen louter door onze methoden en vindingrijkheid geen geestelijke groei veroorzaken. Hiervoor moeten wij op Jehovah wachten, terwijl wij geduldig ons deel doen en daarbij, in overeenstemming met Paulus’ raad in 1 Korinthiërs 3:5-10, volledig in harmonie met zijn Woord handelen. Jehovah zal beslist niet in gebreke blijven zijn deel te doen; mogen wij van onze kant dan getrouwe medewerkers van hem blijken te zijn.
6 Het is schriftuurlijk juist om te trachten het predikings- en onderwijzingswerk zo doeltreffend mogelijk te verrichten. „Alles wat uw hand te doen vindt, doe dat met uw kracht” (Pred. 9:10). „Hebt gij een man aanschouwd, vaardig in zijn werk? Voor het aangezicht van koningen zal hij zich stellen” (Spr. 22:29). „Gebruikt de gave, naarmate een ieder die heeft ontvangen, . . . opdat in alle dingen God verheerlijkt wordt door bemiddeling van Jezus Christus” (1 Petr. 4:10, 11).
7 Bedenk ook dat de apostelen in de eerste-eeuwse gemeente praktische regelingen troffen om bekwame broeders aan te stellen over bepaalde dagelijkse taken, ten einde zich ’aan gebed en de bediening van het woord’ te kunnen wijden. Met welk resultaat? Handelingen 6:7 antwoordt: „Zo bleef het woord van God groeien, en het aantal discipelen in Jeruzalem bleef sterk toenemen.”
DINGEN WAARAAN WIJ DIENEN TE WERKEN
8 Er zijn naar onze mening enkele aspecten van ons werk om te ’planten en begieten’, die meer in overeenstemming met de schriftuurlijke vereisten kunnen worden gebracht. In onze bediening mogen wij geen aanleiding tot struikelen geven, zodat niemand door ons doen en laten de boodschap ongunstig zal bezien (2 Kor. 6:3; 1 Kor. 9:22). Wij menen dat in dit opzicht iets gedaan kan worden aan de wijze waarop wij ons gebied bewerken. Ook willen wij wat aandacht gaan besteden aan de manier waarop Jehovah wil dat wij huisbewoners beschouwen en benaderen. Tonen wij godvruchtige empathie en consideratie? En hoe staat het met mensen die ons hebben verzocht niet meer bij hen aan te bellen? Kunnen wij ons nabezoekwerk verbeteren? En hoe kunnen wij onze inactief geworden broeders en zusters helpen? Bezien wij hen ook zoals Jehovah dat doet?
9 Gedurende de eerste helft van het dienstjaar 1987 zullen wij elke maand terugkomen op dit punt van het nog doeltreffender aanbieden van het goede nieuws. Indien wij als Gods medewerkers er ernstig naar streven om, terwijl wij van maand tot maand de bovengenoemde aspecten beschouwen, onze bediening nog meer in overeenstemming te brengen met de schriftuurlijke vereisten, dan kunnen wij ervan overtuigd zijn dat Jehovah zijn belofte zal houden en het wasdom zal geven.