Ons aandeel in het tonen van theocratische onderworpenheid
1 Theocratische onderworpenheid vormt een sleutelfactor in de vooruitgang en geestelijke groei van een gemeente. Paulus beklemtoonde dit in Hebreeën 13:17: „Weest gehoorzaam aan hen die onder u de leiding nemen en weest onderdanig, want zij waken over uw ziel als mensen die rekenschap zullen afleggen.” Dit toont aan dat het geestelijke welzijn van de gemeente als geheel, alsook dat van afzonderlijke personen afhangt van onze bereidheid met elkaar en de ouderlingen samen te werken als zij zich kwijten van hun verantwoordelijkheid als herders van de kudde.
2 Terwijl hij dit verder beklemtoont, dringt Paulus er bij ons op aan: „Nu verzoeken wij u, broeders, achting te hebben voor hen die onder u hard werken en de leiding over u hebben in de Heer en u vermanen, en hun om hun werk meer dan buitengewone achting in liefde te betonen” (1 Thess. 5:12, 13). Wij kunnen deze achting tonen door de ouderlingen niet alleen met respect te bejegenen, maar, wat nog belangrijker is, alles te doen wat in ons vermogen ligt om hen te helpen het werk gedaan te krijgen.
HET WERK VAN OUDERLINGEN
3 Beschouw eens enkele verantwoordelijkheden van ouderlingen. Behalve het onderwijzen op vergaderingen, nemen zij ook de leiding in de velddienst (1 Petr. 5:2, 3). Correspondentie met het Genootschap en andere noodzakelijke aangelegenheden moeten afgehandeld worden. (Vergelijk Handelingen 6:1-6.) Zij zorgen voor het geestelijke welzijn van degenen die problemen hebben en helpen hen alles te vermijden wat hun verhouding tot Jehovah in gevaar zou kunnen brengen (Joh. 10:11, 15). Er wordt dus van hen verlangd dat zij heel wat tijd besteden aan zaken die verband houden met het Koninkrijkswerk.
ONZE EIGEN VRACHT DRAGEN
4 Daar wij allen onvolmaakt zijn, zullen wij elkaar wellicht af en toe krenken, met gespannen verhoudingen als gevolg. Persoonlijke moeilijkheden die niet van ernstige aard zijn, dienen echter snel en onder vier ogen opgelost te worden (Kol. 3:12-14; om blz. 140, 141). Indien je ervan overtuigd bent dat iemand in de gemeente een ernstige zonde tegen jou persoonlijk heeft begaan, stap dan niet haastig op de opzieners of iemand anders af om hun te vragen ten behoeve van jou tussenbeide te komen. Volgens de raad van Jezus moet je eerst onder vier ogen spreken met degene tegen wie je een klacht hebt (Matth. 18:15, 16; om blz. 143, par. 1, 2). Indien je niet in staat bent de kwestie op te lossen en de zaak aan de ouderlingen wordt overgedragen om onderzocht en beoordeeld te worden, laat het probleem dan in hun handen rusten en vertrouw op Jehovah dat de kwestie opgelost zal worden.
5 Wij kunnen een grote hulp voor de ouderlingen vormen door overeenkomstig schriftuurlijke beginselen te handelen die ons aanraden bescheiden en ingetogen in ons gedrag te zijn en ons ijverig van onze gezinsverantwoordelijkheden te kwijten (om blz. 65, 66; Titus 2:2-5). Onze kleding, uiterlijke verzorging en de wijze waarop wij ons gedragen, dient te getuigen van de waardigheid die met de aanbidding van Jehovah in zijn huis verbonden is (Pred. 5:1; 1 Tim. 2:9, 10; Gal. 6:4, 5). Onze gewetensvolle krachtsinspanningen op deze terreinen zullen tot een gezonde geest in de gemeente bijdragen.
6 De ouderlingen bekommeren zich om de prompte, ordelijke afhandeling van gemeentelijke kwesties. Zij stellen het bijzonder op prijs als wij geregeld aan de velddienst deelnemen, onze rapportjes op tijd inleveren en onze toewijzingen op de theocratische bedieningsschool behartigen. Bovendien is het goed het ons toegewezen gebied grondig te bewerken en stipt te rapporteren wanneer het gebied bewerkt is. Ons deel bijdragen aan het schoonmaken en het onderhoud van de Koninkrijkszaal is een voortreffelijke manier om de ouderlingen bij te staan. — Neh. 10:39.
HELP ANDEREN
7 De ouderlingen bekommeren zich er vooral om de gemeente geestelijk sterk en actief te houden (1 Thess. 2:7, 8). Wij persoonlijk kunnen ons steentje bijdragen in het helpen van anderen door ’bemoedigend tot de terneergeslagen zielen te spreken en de zwakken te ondersteunen’(1 Thess. 5:14). Onze ijver voor het predikingswerk draagt ertoe bij dat anderen gemotiveerd worden meer te doen. Een levendige, persoonlijke belangstelling voor onze broeders en zusters helpt de gemeente sterk te blijven. — Fil. 2:4.
8 Hoewel de ouderlingen zijn aangesteld om de kudde te weiden, is het ter bevordering van de juiste ’groei van het lichaam en opbouw van zichzelf in liefde’ noodzakelijk dat een ieder van ons zijn deel bijdraagt (Ef. 4:16; Spr. 11:14). Indien wij de belangrijke rol beseffen die theocratische onderworpenheid in de geestelijke groei van de gemeente speelt, zullen wij ’de ouderlingen dubbele eer waardig achten’ en hen van ganser harte ondersteunen als zij de kudde Gods weiden. — 1 Tim. 5:17.