Onze liefdevolle herder navolgen
1 Jehovah, onze liefdevolle Herder, is zich heel goed bewust van onze behoefte aan voedsel, leiding en bescherming (Ezech. 34:11-14). Datgene wat hij in deze tijd heeft gedaan, legt voortdurend getuigenis af van zijn tedere zorg voor de gekwelde mensheid. Zijn liefde brengt elk jaar tienduizenden in de geborgenheid van een intieme verhouding tot hem en in de kostbare eenheid van onze christelijke broederschap. In Nederland worden meer dan 8000 bijbelstudies geleid. Vele duizenden van deze bijbelstudenten hebben op 15 april het Avondmaal bijgewoond. Willen deze pasgeïnteresseerden geestelijk groeien, dan dienen wij hun liefdevolle persoonlijke hulp te verschaffen en er aldus naar te streven Jehovah’s eigen tedere zorg te imiteren. — Jes. 40:11.
2 In overeenstemming met de leiding die Jehovah in deze tijd aan zijn volk geeft, dienen wij de noodzaak in gedachte te houden om (1) nieuwelingen te helpen geregeld de gemeentevergaderingen te bezoeken en (2) hen voor te bereiden op deelname aan de velddienst, indien zij tenminste aan de vereisten voldoen (Hebr. 10:24, 25; Matth. 28:19, 20). Deze vreugdevolle, hoewel ernstig stemmende verantwoordelijkheid vereist dat wij nieuwelingen op liefdevolle wijze „al de raad Gods” meedelen (Hand. 20:27). Naarmate zij in kennis toenemen en zich met de gemeente gaan verbinden, zullen zij waardering krijgen voor de tedere manier waarop onze liefdevolle Herder voor zijn schapen zorgt. — 1 Thess. 2:7, 11, 12.
HELP HEN DE VERGADERINGEN TE BEZOEKEN
3 Jehovah’s belangstelling voor ons blijkt uit zijn voorziening om ons geregeld te voeden aan zijn geestelijke tafel. Wat kunnen wij doen om onze bijbelstudenten en degenen die het Avondmaal bezochten, te helpen meer waardering te krijgen voor de gemeentevergaderingen? Nodig hen eerst uit op geregelde basis de vergaderingen te bezoeken. Moedig hen er vervolgens toe aan zich thuis erop voor te bereiden aan de gemeentevergaderingen deel te nemen. Als de leerling zijn persoonlijke overtuiging in zijn eigen woorden uitdrukt, geeft hij er blijk van dat hij vorderingen maakt in de richting van deelname aan de velddienst.
BEREID HEN VOOR OP DE VELDDIENST
4 Door met Jehovah’s organisatie samen te werken, draag jij er door je onderwijs veel toe bij nieuwelingen op de velddienst voor te bereiden. Moedig de toekomstige verkondiger die aan de vereisten voldoet, door woord en voorbeeld ertoe aan zich op de theocratische bedieningsschool te laten inschrijven, daar deze school in een fijne opleiding voor de bediening voorziet. Indien je er zeker van bent dat de persoon in kwestie aan de vereisten voldoet, kun je hem uitnodigen met je mee te gaan in de velddienst. Voordat je dit echter doet, dien je zorgvuldig de vorderingen van de leerling te beoordelen, waarbij je je laat leiden door de vragen op bladzijde 100 en 101 van het Onze Bediening-boek. Dit zal je helpen vast te stellen of hij gereed is voor deze zeer belangrijke stap. Als dat het geval is, nodig hem dan uit met je mee te gaan in de velddienst. Bereid eenvoudige aanbiedingen voor, die hij kan gebruiken als hij je van huis tot huis vergezelt.
5 Degenen die hiervoor in aanmerking komen, dienen te worden aangemoedigd gedurende deze congresmaand een begin met de bediening te maken met de aanbieding van het Evolutie-boek. Laat hen zien hoe de voortreffelijke Herder zijn Vader aan de mensheid in nood bekendmaakte en openbaarde omdat deze kennis hun redding zou zijn (Joh. 17:3, 4, 6, 26). Laat hun zien dat teleurstelling in valse religie velen van God heeft afgekeerd. Het toenemen van wetteloosheid en wereldellende heeft anderen God doen verwerpen en de doodaanbrengende evolutieleer doen aanvaarden. Toon hun de krachtige argumenten in het Evolutie-boek waardoor zij liefdevol worden geholpen zich vrij te maken van de geloofverwoestende evolutieleer en God te leren kennen. Dit zal tot leven leiden.
6 Wanneer wij anderen onderwijzen, rust op ons de verplichting dit zachtaardig maar toch doelgericht te doen. Net zoals Paulus dient een ieder van ons ’niet alleen het goede nieuws van God mee te delen, maar ook onze eigen ziel’, daar wij onze liefdevolle Herder navolgen. — 1 Thess. 2:8.