Vragenbus
● Welke aanspreekvormen worden voor gemeentevergaderingen aanbevolen?
Toen Jezus zijn volgelingen leerde bidden, gaf hij hun ook te kennen Jehovah als „Onze Vader” aan te spreken. Deze gedachte van een geestelijke gezinsverhouding onder al zijn volgelingen werd verder beklemtoond toen hij hun zei dat zij allen broeders waren (Matth. 23:8). Jezus’ apostelen en discipelen gebruikten de uitdrukking „broeder” daarom ook meerdere malen. Petrus verwees naar Paulus als „onze geliefde broeder Paulus” en Paulus sprak over „mijn broeder Titus” en onze broeder Timótheüs”. — 2 Petr. 3:15; 2 Kor. 2:13; Hebr. 13:23.
Met het oog op deze nauwe geestelijke verwantschap, spreken Jehovah’s Getuigen elkaar gewoonlijk als „broeder” of „zuster” aan. Tijdens gemeentevergaderingen doen zij dit gewoonlijk in combinatie met iemands achternaam. Wanneer degene die op het podium staat de aanwezigen bij hun voornamen aanspreekt, zou dit wel eens problemen kunnen veroorzaken. Als iemand pas in de zaal komt en wij hem nog niet zo goed kennen, vindt hij ons misschien wat te familiaar wanneer wij hem bij zijn voornaam noemen, aangezien de aanwezigen op christelijke vergaderingen doorgaans bij hun achternaam worden aangesproken.
Alhoewel de broeder die de leiding heeft, jonge kinderen bij hun voornaam zou kunnen noemen, zou het als een gebrek aan eerbied beschouwd kunnen worden wanneer hij dat bij ouderen ook zou doen. Of neem het geval van een zuster wier man niet in de waarheid is maar die voor de eerste keer mee naar de zaal gaat. Wat zal hij ervan vinden wanneer zijn vrouw in het openbaar door een andere getrouwde man bij haar voornaam wordt genoemd?
Dergelijke moeilijkheden worden voorkomen als degenen die de vergaderingen leiden, achternamen gebruiken om mensen in de zaal aan te wijzen antwoord te geven. Nieuwelingen zullen wij echter niet als „broeder” of „zuster” aanspreken, aangezien de geestelijke verwantschap van Gods gezin in hun geval niet aanwezig is. Gebruik in die gevallen liever de voor- en achternaam samen of gebruik de achternaam voorafgegaan door de wat formelere aanspreekvorm „meneer”, „mevrouw” of „juffrouw”, tenzij er reden bestaat om een uitzondering te maken. Wanneer iemand echter niet ver verwijderd meer is van het punt dat hij zich wil opdragen en zichzelf als een van Jehovah’s Getuigen beschouwt, bestaat er geen bezwaar tegen om hem of haar bij de achternaam te noemen voorafgegaan door „broeder” of „zuster”.
Wanneer wij de uitdrukking „broeder” of „zuster” op onze gemeentevergaderingen gebruiken, duidt dit op een zeer gezegende verhouding, een gezinsverhouding onder onze ene Vader, Jehovah God (Ef. 2:19b). Het is een band die veel intiemer en waardevoller is dan welke band maar ook die te kennen wordt gegeven doordat iemand bij zijn voornaam wordt genoemd.