Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • km 4/96 blz. 7
  • Vragenbus

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragenbus
  • Onze Koninkrijksdienst 1996
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragenbus
    Onze Koninkrijksdienst 1980
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Haar hoofdbedekking en gemeenteactiviteiten
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
Meer weergeven
Onze Koninkrijksdienst 1996
km 4/96 blz. 7

Vragenbus

◼ Wat is het juiste gebruik van de uitdrukking „broeder” en „zuster”?

In letterlijke zin gebruikt, heeft de uitdrukking „broeder” en „zuster” betrekking op personen die dezelfde ouders hebben. Deze natuurlijke verwantschap leidt gewoonlijk tot een innige gehechtheid, en de onderlinge verbondenheid wordt verder versterkt door sociale en emotionele banden alsook door milieufactoren.

Jezus leerde zijn discipelen Jehovah in gebed aan te spreken met „Onze Vader”. In het gebruik van die uitdrukking ligt opgesloten dat wij als christenen allen deel uitmaken van een nauwe familiekring, waarin wij kunnen genieten van een rijke geestelijke verwantschap. Jezus liet dit nog duidelijker uitkomen toen hij tot zijn volgelingen zei: ’Gij zijt allen broeders.’ — Matth. 6:9; 23:8.

Vanwege onze nauwe geestelijke banden binnen Gods huisgezin spreken wij elkaar aan met „broeder” en „zuster”, in het bijzonder op gemeentevergaderingen. Tijdens deze geestelijke gelegenheden zal degene die de leiding heeft over de vergadering, gedoopte personen aanduiden met de uitdrukking „broeder” of „zuster” gevolgd door de achternaam van de persoon in kwestie.

Hoe dient er gehandeld te worden als een niet-gedoopte persoon een aandeel aan de vergaderingen wil hebben? Als iemand al enige tijd met Jehovah’s volk verbonden is en naar het punt van opdracht en doop toe werkt, en zichzelf als een van Jehovah’s Getuigen beschouwt, zou er geen bezwaar zijn de achternaam van zo iemand vooraf te laten gaan door „broeder” of „zuster”. Dit zou zeker opgaan in het geval van iemand die een niet-gedoopte verkondiger is geworden.

Aan de andere kant hebben geïnteresseerden die er pas onlangs mee begonnen zijn onze vergaderingen te bezoeken, nog niet de stappen gedaan die hen als een deel van Gods huisgezin zouden identificeren. Deze personen zouden niet met „broeder” of „zuster” worden aangesproken, omdat er in hun geval geen sprake is van een geestelijke verwantschap met Gods gezin. Daarom zullen wij hen tijdens de vergaderingen op een meer formele manier aanspreken, door een passende aanspreektitel zoals „meneer” te gebruiken met hun achternaam.

Het gebruik van de uitdrukking „broeder” en „zuster” op onze gemeentevergaderingen laat zien dat er sprake is van een band die veel hechter en kostbaarder is dan door het gebruik van voornamen te kennen gegeven zou worden. Het herinnert ons aan de bijzonder gezegende verhouding waarin wij ons verheugen als een geestelijke familie onder de ene Vader, Jehovah God. Wij worden er ook door herinnerd aan de diepe liefde en genegenheid die wij voor elkaar hebben. — Ef. 2:19; 1 Petr. 3:8.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen