Geef het niet op te doen wat voortreffelijk is
1 Terwijl Gods volk zich in de dagen van Nehemía beijverde om de muren van Jeruzalem te herbouwen, smeedde een coalitie van vijandelijke machten een samenzwering om verwarring te veroorzaken. Zij zeiden: „Wij zullen hen stellig doden en het werk stopzetten” (Neh. 4:7-11). Zij stonden beslist onder druk! Stopten de Israëlieten met het werk dat Jehovah hun opdroeg?
2 Helemaal niet! Gods dienstknechten bleven met één hand het werk verrichten, terwijl zij een zwaard in de andere hand hadden om een aanval van de vijand te kunnen afweren (Neh. 4:17, 18). Wat een moed toonden zij in het niet opgeven van het voortreffelijke werk dat Jehovah hun had opgedragen.
WIJ STAAN ONDER DRUK!
3 Evenals in Nehemía’s dagen, probeert Satan ’het werk stop te zetten’ dat Jehovah laat verrichten. Hij brengt verdrukkingen over de gehele mensenwereld, maar het speciale doelwit van zijn aanval is Gods volk. Wij staan beslist onder druk!
4 Worstelen niet sommigen van onze broeders met zware financiële lasten naarmate de kosten van levensonderhoud voortdurend stijgen? Anderen zijn lichamelijk ziek of hebben gezinsleden die ernstig ziek zijn. Te maken hebben met kinderen die wellicht niet bereidwillig reageren op bijbelse raad kan een werkelijke druk tot gevolg hebben; zelfs onze eigen zwakheden zitten ons soms dwars. En de druk op sommigen van onze ouderlingen, die zorg dragen voor vele verantwoordelijkheden en problemen in de gemeente, doet ons denken aan datgene waar getrouwe mannen in Nehemía’s dagen tegenover kwamen te staan, die „’s nachts tot een wacht en overdag tot werkers” waren (Neh. 4:22). De vraag is dus: Zullen wij het opgeven te doen wat voortreffelijk is?
5 Als organisatie kunnen wij met een luid NEEN! antwoorden. Ons geestelijke paradijs is als met een muur, die eromheen is gebouwd, versterkt en de vijand zal nooit in staat zijn het te vernietigen. Maar hoe staat het met ons afzonderlijk? De berichten tonen aan dat sommigen klaarblijkelijk behoefte hebben aan een beter evenwicht, evenals de Israëlieten in de dagen van Nehemía met één hand werkten en in de andere hand een zwaard hadden. Gedurende het dienstjaar 1978 waren er in de Verenigde Staten 37.487 die om zo te zeggen het bijltje erbij hebben neergelegd. Zij werden inactief wat betreft het geestelijke bouwwerk en stopten met de velddienst. Nog eens 27,3 percent of 164.240 van het totale aantal verkondigers waren ongeregeld in de dienst.
EEN BRON VAN HULP
6 Het schijnt dat sommige bouwers in de dagen van Nehemía diezelfde moeilijkheid hadden. Zij werden bevreesd vanwege de druk die op hen werd uitgeoefend. Hoe werden zij geholpen ’een hart om te werken’ te hebben, zoals zij aanvankelijk hadden getoond? (Neh. 4:6) Nehemía vertelt ons: „Toen ik hun vrees zag, stond ik onmiddellijk op en zei tot de edelen en de regenten en de rest van het volk: ’Weest niet bevreesd wegens hen. Denkt aan Jehovah, de grote en vrees inboezemende.’” — Neh. 4:14.
7 Kunnen wij onze inactieve en ongeregelde broeders en zusters in deze tijd op eenzelfde wijze helpen ’een hart om te werken’ te hebben? Beslist! Ouderlingen, dienaren in de bediening en, ja, „de rest van het volk”, wij allen, kunnen hen helpen deze zelfde grote en vrees inboezemende in gedachte te houden. Soms is alles wat nodig is een aanmoedigend woord, hun te laten weten dat wij van hen houden en hen missen. Aanmoediging schenken is een taak die voor iedereen is weggelegd. Het verslag zegt dat Nehemía ’onmiddellijk opstond’ en aanmoediging gaf. Zul jij hetzelfde doen? Het kan het leven van je broeder of zuster redden wanneer jij die persoon helpt niet op te geven te doen wat voortreffelijk is.
HELP JEZELF
8 Indien jij iemand bent die het kalmer aan is gaan doen of gestopt is met zijn dienst voor God, kunnen anderen helpen, maar de verantwoordelijkheid berust allereerst bij jou. Onze broeders in de dagen van Nehemía moesten zowel Jehovah’s werk verrichten door een muur te bouwen, als aan aanvallen van de vijand het hoofd bieden. Wij moeten in deze tijd insgelijks zowel Jehovah’s predikingswerk voortzetten, als het vermijden afgeleid te worden door de vele vormen van druk die Satan op ons legt. Wat de verdrukking ook mag zijn, laten wij dezelfde vastberadenheid behouden als Paulus, toen hij schreef: „Laten wij het derhalve niet opgeven te doen wat voortreffelijk is, want te rechter tijd zullen wij oogsten indien wij het niet moe worden.” — Gal. 6:9.