Help „deze kleinen”
1 Jezus hield van mensen. Hij bekommerde zich niet alleen om degenen die hem getrouw volgden, maar ook om degenen die van de kudde zouden kunnen afdwalen. Denk nog eens aan zijn woorden in Matthéüs 18:14: „Mijn Vader, die in de hemel is, [vindt] het niet wenselijk dat een van deze kleinen vergaat.”
2 Het is buiten kijf dat Jezus enkelen in gedachten had die van de kudde zouden kunnen afdwalen, want in Matthéüs 18:12, 13 zei hij dat er grote vreugde zou zijn over één verdwaald schaap dat gevonden werd en naar de kudde was teruggekeerd. Ja, Jezus bekommerde zich om „deze kleinen”.
3 Van tijd tot tijd verlaten sommigen misschien de waarheid en tonen zich momenteel niet genegen om met het oog op hun terugkeer onze hulp te aanvaarden. Maar de meesten die verzwakken of met hun christelijke activiteit ophouden, hebben dit vanwege verscheidene moeilijkheden en persoonlijke problemen gedaan. Zij zijn er eenvoudig mee opgehouden aan de velddienst deel te nemen en geregeld met ons op vergaderingen bijeen te komen. Wat kunnen wij, aangezien wij net zo’n liefde voor hen hebben als Christus, doen om hen te helpen terug te keren?
WIE ER KUNNEN HELPEN
4 ieder lichaam van ouderlingen zal, mogelijk op hun ouderlingenbijeenkomst in december, gezamenlijk willen bespreken hoe zij degenen kunnen helpen die in de afgelopen paar jaar inactief geworden zijn (Spr. 27:23). Als onderdeel van hun herderlijk werk dienen ouderlingen een speciale krachtsinspanning te doen om degenen die hebben toegelaten dat zij ’verdwaalden’, op te zoeken en te proberen hen in geestelijk opzicht te helpen. Ouderlingen mogen dienaren in de bediening die met de opvattingen en omstandigheden van inactieve personen op de hoogte zijn, vragen met een ouderling mee te gaan wanneer deze dergelijke personen ter aanmoediging bezoekt.
WAT TE DOEN
5 Wanneer je inactieve personen bezoekt, geef hun dan nooit een uitbrander en bestraf hen niet. Geef veeleer blijk van diepe liefde en bezorgdheid jegens hen. Laat hen weten dat wij hen op onze vergaderingen missen. Bied aan samen met hen de vergaderingen te bezoeken en hen af te halen als dat hen zou helpen. Probeer na verloop van tijd, zonder de personen in kwestie ’in ’t nauw te drijven’ of te maken dat zij zich onbehaaglijk voelen, erachter te komen waarom zij zijn afgedreven. Ondervinden zij wellicht enkele van de pijnen die het gevolg zijn wanneer men overbodige materiële bezittingen tracht te vergaren? (1 Tim. 6:9, 10) Zijn zij gestruikeld over iets dat rechtgezet kan worden? Laat hen spreken zodat je zult weten boe je hen kunt helpen.
6 Als zij bij het eerste bezoek niet gunstig reageren, wees dan niet ontmoedigd. In sommige gevallen zou het goed zijn hen binnen een week of twee opnieuw te bezoeken. Soms zijn verscheidene bezoeken nodig. Wees bereid hen aan de hand van de Schrift aan te moedigen en met hen te studeren als zij daarmee gebaat zouden zijn.
7 Door dit soort van liefdevolle belangstelling voor Jehovah’s „kleinen” te tonen, kan ook jij waarschijnlijk net zulke vreugdevolle ervaringen opdoen als de reizende opziener die de volgende ervaring meemaakte: ’Onlangs informeerde ik naar een pasgedoopte zuster en werd mij verteld dat zij al vijf weken niet op de vergaderingen was geweest. Ik vroeg een zuster haar op te bellen en haar te zeggen dat we de volgende morgen graag langs wilden komen. De pasgedoopte zuster vond dit erg fijn. Tijdens ons gesprek gaf ze toe dat ze in geestelijk opzicht erg „verzwakt” was. Ze had niet beseft dat ze geestelijk zo ziek was aangezien ze voornemens was naar de vergaderingen te gaan. Gedurende ons bezoek aan de gemeente bezocht ze de openbare vergadering en ging ook de velddienst in, waaruit bleek dat ons herderlijke bezoek goede resultaten had.’
8 Hulp verlenen aan degenen die hebben toegelaten dat zij ’verdwaalden’, is een bijzonder belangrijk onderdeel van onze christelijke dienst. Wanneer de ouderlingen en anderen personen die afgedreven zijn, liefdevol helpen hun problemen te overwinnen, kunnen wellicht vele „kleinen” die geestelijk zwak zijn, geholpen worden in kracht te groeien, tot lof van Jehovah.