Het doel van onze velddienst niet missen
1 Wij treffen tegenwoordig steeds meer mensen die niet naar onze boodschap luisteren of geen lectuur nemen, maar die toch zeggen: „Mijn religieuze organisatie doet hetzelfde”, of: „U doet een goed werk. Ik wens u Gods zegen.” Wij zijn misschien naar de volgende deur gegaan met de gedachte dat wij hen slechts in een goede geestesgesteldheid hebben achtergelaten voor de volgende Getuige. Maar wij moeten niet vergeten dat wij op een goede dag wel eens voor het laatst bij deze mensen aan de deur kunnen zijn geweest. Zal ons volgende bezoek het laatste zijn? Wat dienen wij onder dergelijke omstandigheden derhalve te zeggen en te doen? — 2 Kor. 6:2; Jes. 55:6.
2 Is ons doel niet een getuigenis omtrent het Koninkrijk te geven, en zijn wij er niet van overtuigd dat wij een werk doen dat geen enkele andere religieuze organisatie verricht? Als deze mensen het dus slechts met ons eens zijn of louter zeggen dat de bijbel een goed boek is en meer gelezen dient te worden, en dit alles is wat wij bij de deur bereiken, hebben wij dan het doel van ons bezoek gemist? Wat bemerken wij wanneer wij de levensgeschiedenis van Jezus lezen? Hij liet zich er niet door mooie woorden en vleierij van afbrengen zijn doel te bereiken. Op een keer zeiden bepaalde religieuze personen bijvoorbeeld tot hem: „Leraar, wij weten dat gij waarheidlievend zijt en de weg van God in waarheid leert, en gij stoort u aan niemand, want gij ziet de uiterlijke verschijning der mensen niet aan.” Deze ontwapenende benadering bracht hem er niet toe het doel van zijn bediening te missen. Hij nam het initiatief en gaf zo’n doeltreffend getuigenis omtrent de waarheid dat zij verwonderd stonden over wat hij zei. — Matth. 22:15-22.
3 Gedurende de maand juli bieden wij de mensen het Vrede en zekerheid-boek aan. Je kunt verschillende manieren proberen om belangstelling voor het boek op te wekken en zien wat in jullie gebied doeltreffend is. Een benadering die misschien succes heeft, is een huisbewoner aan de deur te vragen: „Als iemand u zou vragen of u gelooft of er ooit nog een tijd van ware vrede en zekerheid komt, zou u hem dan een verstandig antwoord kunnen geven? Of wanneer iemand in een pessimistische bui zegt dat het hem allemaal niets kan schelen omdat alles toch alleen maar een chaos is, zou u hem dan kunnen opbeuren door op een werkelijke verandering in de toekomst te wijzen? Dit boek zal u helpen werkelijk hoopvolle antwoorden te kunnen geven.” Sla dan vervolgens hoofdstuk negen van het Vrede en zekerheid-boek op.
4 Sommige personen zijn misschien heel tevreden met hun religie, maar wij zouden hun ronduit kunnen vragen of hun religie hun heeft geleerd hoe zij het bijbelse gebod in Openbaring 18:4 moeten gehoorzamen. Als zij dit toestaan, zouden wij de schriftplaats kunnen lezen, of zo niet, vertel hun dan wat erin staat. Aangezien zij tevreden met hun religie zijn en niet weten wat Babylon is en hoe zij het kunnen verlaten, zouden wij hun kunnen vertellen dat wij, omdat het zo dringend is en zij deze belangrijke inlichtingen nog niet hebben ontvangen, graag dit boek bij hen zouden willen achterlaten om hen te helpen te weten te komen hoe zij dit gebod kunnen gehoorzamen. (Hoofdstuk 3 bevat goede, treffende inlichtingen over Openb. 18:4.) Het kan goed zijn hun bij dit eerste bezoek niet te vertellen wat Babylon de Grote is; geef hun een kans dit uit te zoeken als zij erachter kunnen komen. Wanneer je terugkomt, zou je op dat punt kunnen doorgaan. Dat zij een kort poosje moeten wachten op het antwoord dat zij niet aan de hand van de Schrift van hun kerk konden krijgen, doordringt hen misschien van de noodzaak naar iets buiten hun religie te gaan zoeken.
5 Tot degenen die menen dat alle religieuze organisaties hetzelfde doen, zouden wij kunnen zeggen: „Niemand anders dan Jehovah’s getuigen is ooit met deze boodschap bij mij aan de deur gekomen. Hoe staat het met u? Weet u welke boodschap Gods volk naar de mensen moest brengen?” Je zou dan naar Matthéüs 24:14 kunnen verwijzen. Er zou belangstelling voor het boek kunnen worden opgewekt door de goede gesprekspunten op de bladzijden 7 en 8 te gebruiken.
6 Bij het brengen van nabezoeken is het altijd goed in gedachten te houden dat het ons doel is een getuigenis te geven. Indien de betreffende persoon zelf niet thuis is, hoe staat het dan met degene die heeft opengedaan? Het is heel gemakkelijk om te zeggen: „Meneer . . . en ik hebben bij mijn laatste bezoek een interessant gesprek gehad en ongetwijfeld zal ook u graag iets willen horen over ware vrede en zekerheid en hoe Gods koninkrijk deze dingen tot stand zal brengen.”
7 Misschien zijn wij geneigd te denken dat enkele van deze benaderingen te rechtstreeks en op de man af zijn, maar wij kunnen er zeker van zijn dat door duidelijk maar tactvol de waarheid te spreken, met schapen te vergelijken personen niet verdreven zullen worden. Zei Jezus niet betreffende de ware herder: „De schapen volgen hem, omdat ze zijn stem kennen”? — Joh. 10:4.