Brief van het bijkantoor
Geliefde koninkrijksverkondigers,
Wat ging er in jullie om toen jullie op 22 maart zoveel personen op het Avondmaal zagen? In het hele land waren er 33.441, werkelijk een getal dat ons tot dankbaarheid stemt, niet waar? Misschien zullen niet allen van hen uiteindelijk lofprijzers van Jehovah worden maar toch legt dit aantal ons een grote verantwoordelijkheid op de schouders. Het is vreugdevol te constateren dat onze bediening deze mensen zover heeft gebracht en nu willen wij ermee voortgaan hen te smeken met God verzoend te worden. Jezus’ offer heeft hiervoor de basis gelegd.
Uit de Verenigde Staten ontvangen wij het nieuws dat de 48ste klas van Gilead gegradueerd is. De leerlingen kwamen van eenentwintig landen op deze aarde en zij zijn naar vierentwintig landen uitgestuurd. Broeder Knorr vertelde dat vier zendelingen van deze klas naar Japan gaan. Japan heeft zijn dertigste achtereenvolgende hoogtepunt bericht en daar zijn nu 8.316 verkondigers. Vier anderen zijn aan Korea toegewezen. Toen het daar een keer zo hard vroor dat de scholen gesloten moesten worden gingen vele jonge verkondigers in de vakantiepioniersdienst en er werd toen een nieuw hoogtepunt van 1288 vakantiepioniers bereikt. Dat niet alleen maar in Korea werden zesentwintig van zevenentwintig achtereenvolgende maanden hoogtepunten in verkondigers bereikt en nu zijn er 11.380 verkondigers. Het is duidelijk dat Jehovah de bereidwilligheid van zijn volk zegent en ons overal ter wereld de vreugde geeft om vol goede moed voorwaarts te gaan.
Wij zijn ervan overtuigd dat wanneer jullie nu terugkijken op de fijne activiteiten van de maand april een gevoel van voldoening aanwezig is en is de grootste voldoening niet dat je het gevoel hebt Jehovah’s wil te hebben gedaan? Niet iedereen heeft dezelfde omstandigheden en daarom kunnen wij ook niet roemen op onze individuele verrichtingen maar hoe goed is het dat wij gezamenlijk zoveel tot Jehovah’s heerlijkheid tot stand kunnen brengen. Het is groots in dit werk een medewerker van Jehovah zelf te mogen zijn.
Het verheugt ons ook bijzonder te zien hoeveel jeugdige personen in de pioniersdienst zijn gegaan en hoevelen hier nog serieus over denken. Jullie kunnen aan het aantal pioniers op het velddienstbericht zien dat er flink wat meer zijn verleden jaar. Wij hebben van enkele gemeenten vernomen hoe bij hen een levendige geest is gekomen doordat de pioniersgeest in de gemeente is toegenomen en dit niet alleen van de zijde van de jonge verkondigers. Ook op de kringvergaderingen blijkt hoe groot de belangstelling voor de pioniersdienst is en dat is heel aanmoedigend. Hun bereidheid spoort ons feitelijk allen aan tot grotere verrichtingen. Wij vernemen echter ook uit heel wat gemeenten warme woorden van waardering voor datgene wat tot stand wordt gebracht door broeders en zusters die echt bejaard zijn en die met allerlei lichamelijke gebreken te kampen hebben. Heel vaak zijn zij voorbeelden van getrouwheid in het bezoeken van vergaderingen en de dienst voor Jehovah en het is hartverwarmend dit te zien. Laat dit ons allen ertoe aansporen individueel ernaar te streven God welgevallig te zijn door het geloof dat wij tonen.
Jullie broeders,
BIJKANTOOR IN AMSTERDAM