Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w01 1/4 blz. 24-29
  • We waren een team

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • We waren een team
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Hoe ik een Getuige werd
  • Een ontmoeting met Lloyds familie
  • Ons werk wordt verboden
  • Huwelijk en verdere dienst
  • Voorbereiding op dienst in het buitenland
  • Het Japanse veld
  • Veel voorrechten en toewijzingen
  • Zegeningen op het hoofdbureau
  • Thuis bij Gods volk
  • ’Wie wijsheid vindt, vindt het leven’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Geholpen mijn verlegenheid te overwinnen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2000
  • Jehovah trekt eenvoudige mensen tot de waarheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
w01 1/4 blz. 24-29

Levensgeschiedenis

We waren een team

VERTELD DOOR MELBA BARRY

Op 2 juli 1999 bezochten mijn man en ik een grote vergadering van Jehovah’s Getuigen, zoals we dat tijdens ons huwelijk van 57 jaar al duizenden keren hadden gedaan. Lloyd hield die vrijdag de laatste lezing op het districtscongres in Hawaii. Plotseling zakte hij in elkaar. Ondanks alle pogingen om hem te reanimeren, stierf hij.a

WAT kostbaar zijn die christelijke broeders en zusters in Hawaii die me opvingen en me hielpen met die tragedie om te gaan! Lloyd heeft het leven van velen van hen en van nog vele anderen over de hele wereld beïnvloed.

In de bijna twee jaar na zijn dood heb ik nagedacht over onze kostbare jaren samen — vele in een buitenlandse zendingstoewijzing en ook op het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn (New York). Ook heb ik teruggedacht aan mijn jeugd in Sydney (Australië) en de uitdagingen waarmee Lloyd en ik te maken kregen om in het begin van de Tweede Wereldoorlog te kunnen trouwen. Maar laat ik eerst eens vertellen hoe ik een Getuige werd en hoe ik Lloyd in 1939 heb leren kennen.

Hoe ik een Getuige werd

James en Henrietta Jones waren mijn liefdevolle en zorgzame ouders. Ik was pas veertien toen ik in 1932 van school kwam. De wereld bevond zich midden in de Grote Crisis. Ik begon te werken ter ondersteuning van het gezin, waartoe ook mijn twee jongere zusjes behoorden. Binnen enkele jaren had ik een goedbetaalde baan waarin ik leiding gaf aan verscheidene jonge vrouwen.

Intussen, in 1935, had Moeder bijbelse lectuur aangenomen van een van Jehovah’s Getuigen en was ze er al snel van overtuigd dat ze de waarheid had gevonden. De rest van ons dacht dat ze gek aan het worden was. Maar op een dag zag ik de brochure Waar zijn de Dooden?, en de titel intrigeerde me. Dus las ik stiekem de brochure. Dat gaf de doorslag! Onmiddellijk begon ik met Moeder naar een doordeweekse vergadering te gaan die de Modelstudie werd genoemd. De brochure met de titel Modelstudie — het waren er uiteindelijk drie — bevatte vragen en antwoorden alsmede schriftplaatsen om de antwoorden te ondersteunen.

Rond die tijd, in april 1938, bracht Joseph F. Rutherford, een vertegenwoordiger van het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen, een bezoek aan Sydney. Zijn openbare toespraak — de eerste die ik ooit heb bezocht — zou gehouden worden in het stadhuis van Sydney, maar tegenstanders kregen het voor elkaar dat de reservering van de locatie werd geannuleerd. In plaats daarvan werd de lezing op het veel grotere sportterrein van Sydney gehouden. Vanwege de extra publiciteit die door de tegenstanders was veroorzaakt, waren er zo’n 10.000 aanwezigen, een verbazingwekkend aantal, in aanmerking genomen dat er toentertijd slechts 1300 Getuigen in Australië waren.

Kort daarna ging ik voor de eerste keer mee in de velddienst — en zonder enige opleiding. Toen onze groep in ons predikingsgebied aankwam, zei degene die de leiding had tegen me: „Dat huis daar is voor jou.” Ik was zo zenuwachtig dat ik toen de dame de deur opendeed, vroeg: „Kunt u me alstublieft zeggen hoe laat het is?” Ze ging naar binnen, keek op de klok, kwam weer naar buiten en zei hoe laat het was. Dat was het. Ik ging terug naar de auto.

Maar ik gaf het niet op en al gauw deelde ik geregeld de Koninkrijksboodschap met anderen (Mattheüs 24:14). In maart 1939 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah door me in de badkuip van Dorothy Hutchings, onze buurvrouw, te laten dopen. Omdat er geen broeders beschikbaar waren, kreeg ik al snel na mijn doop verantwoordelijkheden in de gemeente die normaal gesproken door christelijke mannen worden behartigd.

Gewoonlijk hielden we onze vergaderingen in particuliere huizen, maar soms huurden we een zaal voor een openbare lezing. Een knappe jonge broeder van Bethel, ons bijkantoor, bezocht onze kleine gemeente om een lezing te houden. Zonder dat ik het wist, had hij nog een reden voor zijn komst — om eens nader kennis te maken met mij. Ja, zo ontmoette ik Lloyd.

Een ontmoeting met Lloyds familie

Spoedig had ik het verlangen om Jehovah fulltime te dienen. Maar toen ik een aanvraag indiende voor de pioniersdienst (volletijdprediking), werd me gevraagd of ik op Bethel wilde dienen. Dus werd ik in september 1939, de maand dat de Tweede Wereldoorlog begon, lid van de Bethelfamilie in Strathfield, een buitenwijk van Sydney.

In december 1939 reisde ik naar Nieuw-Zeeland voor een congres. Omdat Lloyd uit Nieuw-Zeeland kwam, ging hij ook. We reisden met dezelfde boot en leerden elkaar wat beter kennen. Lloyd zorgde ervoor dat ik op het congres, en later bij hen thuis in Christchurch, zijn vader, moeder en zussen ontmoette.

Ons werk wordt verboden

Op zaterdag 18 januari 1941 kwamen er bij het bijkantoor zo’n zes zwarte limousines met regeringsambtenaren voorrijden om de eigendommen in beslag te nemen. Omdat ik in het kleine wachthuisje bij de entree van Bethel werkte, was ik de eerste die hen zag. Ongeveer achttien uur daarvoor waren we van het verbod in kennis gesteld, dus bijna alle lectuur en dossiers waren uit het bijkantoor verwijderd. De week daarop werden vijf leden van de Bethelfamilie, onder wie Lloyd, gevangengezet.

Ik wist dat de broeders in de gevangenis nog het meest behoefte hadden aan geestelijk voedsel. Om Lloyd aan te moedigen, besloot ik hem „liefdesbrieven” te schrijven. Ik begon op een manier zoals je van zo’n brief zou verwachten, maar schreef dan hele Wachttoren-artikelen over en ondertekende dan als zijn lief. Na vier en een halve maand werd Lloyd vrijgelaten.

Huwelijk en verdere dienst

Toen Lloyds moeder in 1940 Australië bezocht, vertelde hij haar dat we van plan waren te trouwen. Ze raadde het hem af omdat het einde van het samenstel van dingen ophanden leek (Mattheüs 24:3-14). Ook met zijn vrienden had hij het over zijn plannen, maar elke keer praatten ze hem een huwelijk uit het hoofd. Op een dag in februari 1942 ten slotte nam Lloyd mij — samen met vier Getuigen die plechtig hadden beloofd het geheim te houden — stilletjes mee naar het bureau van de burgerlijke stand, waar we trouwden. In die tijd was het in Australië niet mogelijk dat Jehovah’s Getuigen huwelijken voltrokken.

Hoewel we onze Betheldienst niet als echtpaar mochten voortzetten, werd ons gevraagd of we in de speciale pioniersdienst wilden gaan. We aanvaardden tevreden een toewijzing in Wagga Wagga, een plaats op het platteland. Ons predikingswerk was nog steeds verboden en we hadden geen financiële ondersteuning, dus we moesten echt onze last op Jehovah werpen. — Psalm 55:22.

We reden op een tandem naar het buitengebied, ontmoetten aardige mensen en hadden lange gesprekken met hen. Er waren niet veel mensen die een bijbelstudie aanvaardden. Een winkelier had echter zoveel waardering voor het werk dat we deden dat hij ons elke week van fruit en groente voorzag. Na zes maanden in Wagga Wagga te hebben doorgebracht, werden we uitgenodigd om weer op Bethel te komen.

De Bethelfamilie had in mei 1942 het kantoor in Strathfield ontruimd en was verplaatst naar particuliere huizen. Om de paar weken verhuisden ze van het ene huis naar het andere om ontdekking te voorkomen. Toen Lloyd en ik in augustus op Bethel terugkwamen, gingen we ook op een van die locaties wonen. Onze toewijzing was om in een van de ondergrondse drukkerijen te werken die waren opgezet. Uiteindelijk werden in juni 1943 de verbodsbepalingen op ons werk opgeheven.

Voorbereiding op dienst in het buitenland

In april 1947 kregen we voorlopige aanvraagformulieren om de Wachttoren-Bijbelschool Gilead bij te wonen, die gevestigd was in South Lansing (New York). Ondertussen hadden we de toewijzing gekregen in Australië gemeenten te bezoeken om hen geestelijk te versterken. Na een paar maanden ontvingen we onze uitnodiging om deel uit te maken van de elfde klas van Gilead. We hadden drie weken om onze zaken te regelen en onze persoonlijke bezittingen in te pakken. In december 1947 verlieten we onze familie en vrienden en vertrokken met vijftien anderen uit Australië die voor dezelfde klas waren uitgenodigd naar New York.

De paar maanden die we op de Gileadschool doorbrachten, vlogen voorbij en we kregen een zendingstoewijzing in Japan. Omdat het een tijdje duurde voordat we onze papieren kregen om naar Japan te gaan, ontving Lloyd opnieuw een toewijzing als reizende opziener van Jehovah’s Getuigen. Het gebied van de gemeenten die we bezochten, strekte zich uit van de stad Los Angeles tot de Mexicaanse grens. We hadden geen auto, dus de Getuigen brachten ons liefdevol elke week van de ene gemeente naar de volgende. Het gebied van die uitgestrekte kring bestaat nu uit delen van drie Engelse en drie Spaanse districten, waarbij elk district uit ongeveer tien kringen bestaat!

Ineens was het oktober 1949 en bevonden we ons op een omgebouwd troepentransportschip op weg naar Japan. De ene kant van het schip was gereserveerd voor mannen en de andere kant voor vrouwen en kinderen. Slechts een dag voordat we in Yokohama zouden aankomen, kregen we te maken met een tyfoon. Kennelijk klaarde daardoor de lucht op, want toen de volgende ochtend, op 31 oktober, de zon opkwam, konden we de berg Fuji zien in al zijn glorie. Wat een prachtig welkom in onze nieuwe toewijzing!

Het Japanse veld

Toen we wat dichter bij de kade kwamen, zagen we honderden mensen met zwart haar. ’Wat een lawaaierig stelletje!’, dachten we toen we een enorm geklepper hoorden. Iedereen droeg houten sandalen die klepperden op de houten steigers. Na een overnachting in Yokohama namen we de trein naar onze zendingstoewijzing in Kobe. Daar had Don Haslett, een klasgenoot van Gilead die een paar maanden eerder in Japan was aangekomen, een zendelingenhuis gehuurd. Het was een prachtig, groot, in westerse stijl gebouwd huis van twee verdiepingen — zonder enige inrichting!

We maaiden het hoge gras in de tuin rondom het huis en legden dat op de grond als matras. Zo begon ons zendelingenleven, met niets meer dan wat we in onze bagage hadden. We bemachtigden kleine houtskoolbranders, hibachi genoemd, die warmte gaven en waarop we konden koken. Op een avond trof Lloyd Percy en Ilma Iszlaub, twee medezendelingen, bewusteloos aan. Hij kon hen weer bijbrengen door de ramen open te doen en frisse, koude lucht naar binnen te laten. Ik ben ook een keer van mijn stokje gegaan toen ik op de houtskoolbranders aan het koken was. Aan sommige dingen was je niet zo een-twee-drie gewend!

Het leren van de taal was een prioriteit en een maand lang leerden we elf uur per dag Japans. Daarna trokken we uit in de dienst met een of twee zinnetjes die we hadden opgeschreven om ons op weg te helpen. Op mijn allereerste dag in de dienst ontmoette ik een aardige dame, Miyo Takagi, die me vriendelijk ontving. Tijdens nabezoeken zwoegden we met behulp van Japans-Engelse woordenboeken totdat zich een fijne bijbelstudie ontwikkelde. Toen ik in 1999 de inwijding van de vergrote bijkantoorfaciliteiten in Japan bijwoonde, zag ik Miyo terug en ook een aantal andere dierbare personen met wie ik had gestudeerd. Er waren vijftig jaar verstreken, maar ze zijn nog steeds ijverige Koninkrijksverkondigers en doen wat ze kunnen om Jehovah te dienen.

In Kobe woonden op 1 april 1950 zo’n 180 personen onze Gedachtenisviering van Christus’ dood bij. Tot onze verbazing verschenen er de volgende morgen 35 personen om deel te nemen aan de velddienst. Iedere zendeling nam drie of vier van die nieuwelingen mee in de dienst. De huisbewoners praatten in plaats van met mij — de buitenlandse die weinig begreep — liever met de Japanse mensen die de Gedachtenisviering hadden bijgewoond en me vergezelden. De gesprekken duurden een eeuwigheid, maar ik had geen idee waar ze het over hadden. Ik kan gelukkig zeggen dat enkele van deze nieuwelingen vorderingen maakten in kennis en tot op deze dag met het predikingswerk zijn doorgegaan.

Veel voorrechten en toewijzingen

We zetten ons zendingswerk in Kobe voort tot 1952, toen we aan Tokio werden toegewezen, waar Lloyd het opzicht over het bijkantoor kreeg toevertrouwd. Mettertijd kwam hij, door zijn werktoewijzingen, in heel Japan en in andere landen. Later zei Nathan H. Knorr van het internationale hoofdbureau op een van zijn bezoeken aan Tokio tegen me: „Tussen twee haakjes, weet je waar je man op zijn volgende zonereis naartoe gaat? Australië en Nieuw-Zeeland.” Hij voegde eraan toe: „Je mag ook mee, als je je eigen reis betaalt.” Wat was ik opgewonden! Tenslotte was het negen jaar geleden dat we waren vertrokken.

Snel deden we een aantal brieven de deur uit. Mijn moeder sprong bij met het geld voor mijn ticket. Lloyd en ik waren druk bezig geweest in onze toewijzingen en we hadden niet de middelen om onze familie te bezoeken. Dus dit was een antwoord op onze gebeden. Zoals u zich voor kunt stellen, was Moeder heel blij me te zien. Ze zei: „Ik ga door met sparen zodat je over drie jaar weer kunt komen.” Met dat in gedachten namen we afscheid, maar helaas overleed ze in juli van het jaar daarop. Wat zal het geweldig zijn in de nieuwe wereld met elkaar herenigd te worden!

Tot 1960 was het zendingswerk mijn enige toewijzing, maar toen kreeg ik een brief waarin stond: „Het is zo geregeld dat je met ingang van vandaag voor de hele Bethelfamilie de was en het strijkwerk zult verzorgen.” Onze familie bestond toen slechts uit zo’n twaalf personen, dus kon ik dit werk naast mijn zendingstoewijzing doen.

In 1962 werd ons in Japanse stijl gebouwde huis afgebroken en het jaar daarop werd op die plek een nieuw Bethelhuis van zes verdiepingen voltooid. Ik kreeg de toewijzing de jonge, nieuwe Bethelbroeders te helpen om hun kamers netjes te houden en dingen op te ruimen. In de regel werd jongens in Japan niet geleerd om thuis iets te doen. De nadruk werd gelegd op een wereldse opleiding en hun moeders deden alles voor hen. Ze kwamen er al snel achter dat ik niet hun moeder was. Na verloop van tijd maakten velen vorderingen zodat ze verantwoordelijke toewijzingen binnen de organisatie op zich konden nemen.

Een bijbelstudente die op een warme zomerdag een rondleiding kreeg door onze gebouwen, zag me de douches schrobben. Ze zei: „Zeg alsjeblieft tegen degene die de leiding heeft dat ik wel een werkster wil betalen om dit werk voor je te doen.” Ik legde haar uit dat hoewel ik haar vriendelijke idee op prijs stelde, ik heel graag bereid was alles te doen wat me binnen Jehovah’s organisatie te doen werd gegeven.

Rond deze tijd kregen Lloyd en ik een uitnodiging voor de 39ste klas van Gilead! Wat was het een voorrecht om in 1964 op 46-jarige leeftijd weer naar school te gaan! De cursus was vooral bedoeld om degenen die op de bijkantoren dienden, te helpen zich van hun verantwoordelijkheden te kwijten. Na de cursus van tien maanden werden we weer aan Japan toegewezen. Inmiddels hadden we meer dan 3000 Koninkrijksverkondigers in dat land.

De groei ging zo hard dat er tegen 1972 meer dan 14.000 Getuigen waren en er in Numazu, ten zuiden van Tokio, een nieuw bijkantoor van vijf verdiepingen werd gebouwd. Vanuit onze gebouwen hadden we een spectaculair uitzicht op de berg Fuji. Er begonnen meer dan een miljoen Japanse tijdschriften per maand van de enorme nieuwe rotatiepers te rollen. Maar voor ons lag er een verandering in het verschiet.

Eind 1974 kreeg Lloyd een brief van het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn waarin hij werd uitgenodigd te dienen als lid van het Besturende Lichaam. Eerst dacht ik: ’Nou, dat was het dan. Aangezien Lloyd een hemelse hoop heeft en ik een aardse, zullen we vroeg of laat toch afscheid moeten nemen. Misschien moet Lloyd maar alleen naar Brooklyn gaan.’ Maar al snel stelde ik mijn gedachten bij en in maart 1975 ging ik bereidwillig met Lloyd mee.

Zegeningen op het hoofdbureau

Zelfs in Brooklyn was Lloyd nog zeer betrokken bij het Japanse veld en had hij het altijd over de ervaringen die we daar hadden meegemaakt. Maar nu waren er gelegenheden om ons te verruimen. De laatste 24 jaar van zijn leven werd Lloyd veelvuldig gebruikt voor zonewerk, waardoor hij over de hele wereld moest reizen. Ik ben verscheidene keren met hem rond de wereld gereisd.

Het bezoeken van onze christelijke broeders en zusters in andere landen hielp me te begrijpen onder welke omstandigheden velen van hen leven en werken. Ik zal nooit het gezicht vergeten van de tienjarige Entellia, een meisje dat ik in het noorden van Afrika ontmoette. Ze hield van Gods naam en liep zowel heen als terug anderhalf uur om de christelijke vergaderingen bij te wonen. Ondanks hevige tegenstand van haar familie had Entellia zich aan Jehovah opgedragen. Toen we haar gemeente bezochten, was er maar één zwak gloeilampje dat boven de aantekeningen van de spreker hing — in de rest van de vergaderplaats was het pikdonker. In die duisternis was het adembenemend om het prachtige gezang van de broeders en zusters te horen.

Een hoogtepunt van ons leven vond plaats in december 1998 toen Lloyd en ik bij de afgevaardigden hoorden naar de „Gods weg ten leven”-districtscongressen die in Cuba werden gehouden. Wat waren we onder de indruk van de dankbaarheid en vreugde die de broeders en zusters daar toonden voor het feit dat er enkele bezoekers waren van het hoofdbureau in Brooklyn! Ik koester heel veel herinneringen aan ontmoetingen met dierbare broeders en zusters die ijverig een grote lofzang voor Jehovah laten klinken.

Thuis bij Gods volk

Hoewel Australië mijn geboorteland is, ben ik overal waar ik door Jehovah’s organisatie naartoe werd gestuurd van de mensen gaan houden. Dat gold voor Japan, en nu ik al meer dan 25 jaar in de Verenigde Staten ben, is dat hier ook het geval. Toen ik mijn man verloor, was het eerste dat bij me opkwam niet om naar Australië terug te gaan, maar om op Bethel in Brooklyn te blijven, waar Jehovah me heeft toegewezen.

Ik ben nu in de tachtig. Na 61 jaar volletijddienst ben ik nog steeds bereid Jehovah te dienen waar hij dat ook maar nodig acht. Hij heeft beslist goed voor me gezorgd. Ik koester de meer dan 57 jaar waarin ik mijn leven kon delen met een geliefde partner die van Jehovah hield. Ik ben ervan overtuigd dat Jehovah ons blijft zegenen en ik weet dat Hij ons werk en de liefde die we voor zijn naam hebben getoond niet zal vergeten. — Hebreeën 6:10.

[Voetnoot]

a Zie De Wachttoren van 1 oktober 1999, blz. 16, 17.

[Illustratie op blz. 25]

Met Moeder, in 1956

[Illustratie op blz. 26]

Met Lloyd en een groep Japanse verkondigers in het begin van de jaren ’50

[Illustraties op blz. 26]

Met mijn eerste bijbelstudent in Japan, Miyo Takagi, in het begin van de jaren ’50 en in 1999

[Illustratie op blz. 28]

Met Lloyd tijdens het tijdschriftenwerk in Japan

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen