Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w99 1/12 blz. 20-24
  • Onze ouders hebben ons geleerd God lief te hebben

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Onze ouders hebben ons geleerd God lief te hebben
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De bijbelse waarheid vindt ingang
  • Zij brachten het geleerde in praktijk
  • Hoe ons de waarheid werd onderwezen
  • Actie van het gepeupel in Selma
  • Naar de zendelingenschool Gilead
  • Zendingsdienst met mijn ouders
  • De zorg voor onze ouders
  • Een uitzonderlijke christelijke erfenis
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Onze rijke geestelijke erfenis
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Wij ontvingen een doel in het leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Wat als een van mijn ouders ziek wordt?
    Vragen van jongeren
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
w99 1/12 blz. 20-24

Onze ouders hebben ons geleerd God lief te hebben

VERTELD DOOR ELIZABETH TRACY

Gewapende mannen, die eerder op de dag gepeupel tegen ons hadden aangevoerd, dwongen Ma en Pa de auto uit te gaan. Mijn zus en ik werden alleen op de achterbank achtergelaten, en wij vroegen ons af of wij onze ouders ooit nog zouden terugzien. Wat was de oorzaak van deze beangstigende ervaring die wij in 1941 in de buurt van Selma (Alabama, VS) opdeden? En wat had het onderwijs dat wij van onze ouders hadden ontvangen, ermee uit te staan?

MIJN vader, Dewey Fountain, was na de dood van zijn ouders toen hij nog een klein kind was, door een naast familielid grootgebracht op een boerderij in Texas. Later ging hij op de petroleumvelden werken. In 1922, toen hij 23 jaar was, trouwde hij met Winnie, een aantrekkelijke jonge vrouw uit Texas, en begon plannen te maken om zich ergens te vestigen en een gezin te stichten.

Hij bouwde een huis in het bosgebied van Oost-Texas, dicht bij het stadje Garrison. Daar verbouwde hij verscheidene gewassen, met inbegrip van katoen en maïs. Hij hield ook vee. Na verloop van tijd werden wij, kinderen, geboren — Dewey junior in mei 1924, Edwena in december 1925 en ik in juni 1929.

De bijbelse waarheid vindt ingang

Pa en Ma dachten dat zij de bijbel begrepen, omdat zij lid waren van de Church of Christ. Maar in 1932 liet G. W. Cook de door het Wachttorengenootschap gepubliceerde boeken Bevrijding en Regeering bij Vaders broer, Monroe Fountain, achter. Verlangend om wat hij leerde met mijn ouders te delen, kwam Monroe vaak ’s ochtends tijdens het ontbijt langs. Hij las dan een artikel uit De Wachttoren en liet het tijdschrift „per ongeluk” achter. Daarna lazen Pa en Ma het.

Op een zondagmorgen nodigde oom Monroe Vader uit om naar het huis van een buurman te gaan voor een bijbelstudie. Hij verzekerde hem dat meneer Cook al zijn bijbelse vragen kon beantwoorden. Toen Vader van de studie terugkwam, zei hij opgewonden tegen ons allemaal: „Al mijn vragen zijn beantwoord en nog veel meer! Ik dacht dat ik alles wist, maar toen meneer Cook begon te vertellen over de hel, de ziel, Gods voornemen met betrekking tot de aarde en hoe Gods koninkrijk dit tot stand zal brengen, begon ik het gevoel te krijgen dat ik eigenlijk niets over de bijbel wist!”

Het leek bij ons thuis wel de zoete inval. Familieleden en vrienden kwamen op bezoek, maakten zachte toffees en popcornballetjes en zongen terwijl Moeder hen op de piano begeleidde. Geleidelijk werden deze activiteiten vervangen door besprekingen van bijbelse onderwerpen. Hoewel wij kinderen niet alles wat besproken werd, konden begrijpen, was de krachtige liefde van onze ouders voor God en de bijbel zo duidelijk dat ieder van ons net zo’n liefde voor God en zijn Woord ontwikkelde.

Ook andere gezinnen openden hun huis voor wekelijkse bijbelbesprekingen, die gewoonlijk over een onderwerp in de nieuwste Wachttoren gingen. Wanneer de bijeenkomsten bij een gezin in een van de naburige stadjes Appleby of Nacogdoches werden gehouden, stapten wij met zijn allen in ons A-Fordje en tuften er, weer of geen weer, naartoe.

Zij brachten het geleerde in praktijk

Onze ouders beseften al gauw dat actie noodzakelijk was. Liefde voor God vereiste dat men het geleerde met anderen ging delen (Handelingen 20:35). Maar de stap om openlijk voor ons geloof uit te komen, vormde een uitdaging, vooral omdat onze ouders van nature verlegen, eenvoudige mensen waren. Toch zette hun liefde voor God hen hiertoe aan, en dit heeft hen op hun beurt geholpen ons te leren een diep vertrouwen in Jehovah te stellen. Vader drukte het als volgt uit: „Jehovah maakt predikers uit peultjesplukkers!” In 1933 symboliseerden Pa en Ma hun opdracht aan Jehovah door in een visvijver in de buurt van Henderson (Texas) gedoopt te worden.

Begin 1935 schreef Pa naar het Wachttorengenootschap en stelde een aantal vragen over de christelijke hoop op eeuwig leven (Johannes 14:2; 2 Timotheüs 2:11, 12; Openbaring 14:1, 3; 20:6). Het antwoord dat hij kreeg, kwam rechtstreeks van Joseph F. Rutherford, de toenmalige president van het Genootschap. In plaats van zijn vragen te beantwoorden, nodigde broeder Rutherford Pa uit het congres van Jehovah’s Getuigen bij te wonen dat in mei in Washington D.C. gehouden zou worden.

’Onmogelijk!’, dacht Pa. ’Wij zijn boeren die 26 hectare met groenten beplante grond bezitten. Het zal rond die tijd allemaal geoogst en naar de markt gebracht moeten worden.’ Kort daarna kwam er echter een overstroming die al zijn excuses wegspoelde — gewassen, omheiningen en bruggen. Wij stapten dus met andere Getuigen in een gecharterde schoolbus die ons 1600 kilometer in noordoostelijke richting naar het congres bracht.

Op het congres luisterden Pa en Ma enthousiast naar de duidelijke uitleg van de identiteit van de „grote schare” die de „grote verdrukking” zal overleven (Openbaring 7:9, 14). Gedurende hun verdere leven heeft de hoop op eeuwig leven op een paradijsaarde Pa en Ma gemotiveerd, en zij hebben ons, kinderen, aangemoedigd „het werkelijke leven” — dat voor ons het door Jehovah aangeboden eeuwige leven op aarde betekende — ’stevig vast te grijpen’ (1 Timotheüs 6:19; Psalm 37:29; Openbaring 21:3, 4). Hoewel ik toen pas vijf jaar was, heb ik er werkelijk van genoten om deze vreugdevolle gebeurtenis met mijn familie bij te wonen.

Toen wij van het congres terugkwamen, plantte ons gezin de gewassen opnieuw aan, en wij hadden later de overvloedigste oogst die maar denkbaar was. Dit heeft er beslist toe bijgedragen Pa en Ma ervan te overtuigen dat volledig vertrouwen stellen in Jehovah nooit onbeloond blijft. Zij namen een speciale vorm van het predikingswerk op zich waarin zij overeenkwamen ieder 52 uur per maand aan de bediening te besteden. En toen de volgende planttijd aanbrak, verkochten zij de boerderij met alles wat erbij hoorde! Pa liet een kampeerwagen van 6 bij 2,4 meter bouwen waarin wij met z’n vijven konden wonen, en hij kocht een splinternieuwe tweedeurs Ford sedan die de caravan moest trekken. Oom Monroe deed hetzelfde, en ook hij ging met zijn gezin in een kampeerwagen wonen.

Hoe ons de waarheid werd onderwezen

Pa en Ma gingen in oktober 1936 in de pioniersdienst, zoals de volletijdbediening wordt genoemd. Onze predikingsactiviteit in gezinsverband begon in het oosten van Texas, in streken die zelden met de Koninkrijksboodschap waren bewerkt. Bijna een jaar lang trokken wij van plaats tot plaats, maar over het algemeen vonden wij dit leven werkelijk aangenaam. Pa en Ma onderwezen ons door woord en door voorbeeld om als de vroege christenen te zijn, die toegewijd bijbelse waarheden aan anderen doorgaven.

Wij kinderen bewonderden vooral onze moeder wegens de offers die zij bracht door haar huis op te geven. Er was echter één voorwerp waarvan zij niet wilde scheiden, en dat was haar naaimachine. Dat was trouwens heel verstandig. Als bekwaam naaister hield zij ons altijd netjes gekleed. Op elk congres hadden wij leuke nieuwe kleren om aan te trekken.

Ik kan mij nog goed herinneren dat Herman G. Henschel met zijn gezin in een geluidswagen van het Wachttorengenootschap naar ons gebied kwam. Zij parkeerden de geluidswagen meestal in een dichtbevolkt gebied, speelden een korte opgenomen lezing af en brachten daarna persoonlijke bezoeken bij de mensen om verdere inlichtingen te verschaffen. Dewey junior genoot van het gezelschap van Hermans zoon Milton, die toen een opgeschoten tiener was. Nu is Milton de president van het Wachttorengenootschap.

Tijdens het congres dat in 1937 in Columbus (Ohio) werd gehouden, werd Edwena gedoopt, terwijl Pa en Ma het voorrecht kregen om als speciale pioniers te dienen. Destijds hield dat voor deze pioniers in dat zij minstens 200 uur per maand aan het predikingswerk besteedden. Als ik terugkijk, besef ik hoezeer Ma’s prachtige voorbeeld mij heeft geholpen mijn man in zijn christelijke toewijzingen te ondersteunen.

Als Pa een bijbelstudie bij een gezin oprichtte, nam hij ons, kinderen, mee als een positief voorbeeld voor hun kinderen. Hij liet ons de bijbelteksten opzoeken en lezen en enkele van de fundamentele vragen beantwoorden. Als resultaat hiervan zijn veel van die jongeren met wie wij studeerden, Jehovah tot op de huidige dag getrouw blijven dienen. Hierdoor werd beslist ook voor ons een krachtig fundament gelegd om God te blijven liefhebben.

Toen Dewey junior ouder werd, begon het hem moeilijk te vallen om met twee jongere zussen in zo’n kleine ruimte te wonen. In 1940 besloot hij daarom ons te verlaten om met een andere Getuige te pionieren. Later trouwde hij met Audrey Barron. Zo kwam het dat ook Audrey in veel dingen door onze ouders werd onderwezen, en zij ging echt van Pa en Ma houden. Toen Dewey junior in 1944 wegens zijn christelijke neutraliteit in de gevangenis terechtkwam, trok zij een tijdje bij ons in onze kleine kampeerwagen in.

Tijdens het grote congres dat in 1941 in Saint Louis (Missouri) werd gehouden, richtte broeder Rutherford zich rechtstreeks tot de kinderen in de leeftijd van vijf tot achttien jaar, die in een speciaal vak vooraan zaten. Edwena en ik luisterden naar zijn rustige, heldere stem; hij was als een liefdevolle vader die zijn eigen kinderen thuis onderricht gaf. Hij moedigde ouders aan met de woorden: „In deze tijd heeft Christus Jezus zijn verbondsvolk vóór zich vergaderd, en op uiterst krachtige wijze draagt hij hun op hun kinderen in de weg der rechtvaardigheid te onderwijzen.” Hij voegde eraan toe: „Houd hen thuis en onderwijs hun de waarheid!” Gelukkig hebben onze ouders dit gedaan!

Op dat congres ontvingen wij de nieuwe brochure Jehovah’s Servants Defended, waarin een overzicht werd gegeven van de rechtszaken die Jehovah’s Getuigen hadden gewonnen, met inbegrip van zaken die voor het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten waren gebracht. Pa bestudeerde de brochure met ons als gezin. Wij hadden er toen nog geen besef van dat wij werden voorbereid op wat er enkele weken later in Selma (Alabama) gebeurde.

Actie van het gepeupel in Selma

De ochtend van die beangstigende ervaring had Pa aan de sheriff, de burgemeester en het hoofd van de politie in Selma een kopie afgegeven van een brief waarin werd uiteengezet dat wij het grondwettelijke recht hadden om onze bediening onder bescherming van de wet voort te zetten. Niettemin besloten zij ons met geweld de stad uit te zetten.

Laat in de middag kwamen vijf gewapende mannen bij onze kampeerwagen en gijzelden Ma, mijn zus en mij. Zij begonnen alles in de wagen overhoop te halen, op zoek naar subversief materiaal. Pa was buiten, en zij gaven hem bevel de kampeerwagen aan de auto te bevestigen, terwijl zij al die tijd hun pistool op hem gericht hielden. Op dat moment was ik niet bang. Het leek zo belachelijk dat deze mannen ons voor gevaarlijk aanzagen dat mijn zus en ik de slappe lach kregen. Een blik van Pa bracht ons echter al gauw tot bedaren.

Toen wij op het punt stonden te vertrekken, wilden de mannen dat Edwena en ik bij hen in de auto zouden stappen. Pa hield voet bij stuk. „Over mijn lijk!”, zei hij. Na wat over-en-weergepraat mochten wij als gezin samen reizen, terwijl de gewapende mannen ons in hun auto volgden. Toen wij zo’n 25 kilometer buiten de stad waren, gaven zij ons een teken dat wij aan de kant van de snelweg moesten stoppen en sommeerden zij Pa en Ma om uit te stappen. De mannen probeerden hen om beurten te overreden: „Geef die religie op. Ga terug naar de boerderij en voed jullie meisjes behoorlijk op!” Pa trachtte met hen te redeneren, maar tevergeefs.

Ten slotte zei een van hen: „Maak dat je wegkomt, en als jullie ooit in Dallas County terugkomen, maken wij jullie stuk voor stuk af!”

Opgelucht en weer verenigd, reisden wij een aantal uren verder en parkeerden onze wagen toen voor de nacht. Wij hadden het kenteken van hun auto genoteerd. Pa berichtte prompt alles aan het Wachttorengenootschap, en enkele maanden later werden de mannen geïdentificeerd en gearresteerd.

Naar de zendelingenschool Gilead

In 1946 kreeg Edwena de uitnodiging om de zevende klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in South Lansing (New York) bij te wonen. Albert Schroeder, een van de leraren, maakte tegenover zijn vroegere pionierspartner Bill Elroda, die destijds op Bethel, het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn (New York) diende, melding van haar goede eigenschappen. Edwena en Bill werden aan elkaar voorgesteld, en ongeveer een jaar na haar opleiding op Gilead, trouwden zij. Zij bleven vele jaren in de volletijdbediening, met inbegrip van vijf jaar gezamenlijke dienst op Bethel. Op zekere dag in 1959 evenwel deelde broeder Schroeder aan de 34ste klas van Gilead mee dat zijn geliefde vriend vader was geworden van een tweeling, een jongen en een meisje.

Toen ik eind 1947 met mijn ouders in Meridian (Mississippi) diende, ontvingen wij drieën de uitnodiging de elfde klas van Gilead bij te wonen. Wij waren stomverbaasd, want volgens de vereisten was ik te jong en waren Pa en Ma te oud. Maar er werd een uitzondering gemaakt, en wij ontvingen dat onverdiende voorrecht van gevorderd bijbels onderricht.

Zendingsdienst met mijn ouders

Onze zendingstoewijzing was Colombia (Zuid-Amerika). Het duurde echter nog tot december 1949, meer dan een jaar na onze graduatie, voordat wij in Bogotá aankwamen in een zendelingenhuis waar al drie anderen woonden. In het begin kwam Pa bijna tot de conclusie dat het gemakkelijker zou zijn de mensen Engels te leren dan dat hij Spaans leerde! Ja, er waren beproevingen, maar o, wat waren de zegeningen groot! Er waren in 1949 nog geen honderd Getuigen in Colombia, maar nu zijn er ruim 100.000!

Nadat Pa en Ma vijf jaar in Bogotá hadden gediend, werden zij naar de stad Cali gezonden. Inmiddels, in 1952, was ik met Robert Tracy, een medezendeling in Colombiab, getrouwd. Wij bleven in Colombia tot 1982, toen wij werden toegewezen aan Mexico, waar wij nog altijd dienen. Intussen, in 1968, moesten mijn ouders voor een medische behandeling naar de Verenigde Staten terugkeren. Na hun herstel bleven zij als speciale pioniers in de buurt van Mobile (Alabama) dienen.

De zorg voor onze ouders

Met het verstrijken der jaren begonnen Pa en Ma lichamelijk achteruit te gaan en hadden zij meer steun en aandacht nodig. Op hun verzoek kregen zij de toewijzing om in de buurt van Edwena en Bill in Athens (Alabama) te dienen. Later achtte onze broer, Dewey junior, het verstandig de familie wat meer in de buurt te hebben in South Carolina. Bill verhuisde dus met zijn gezin naar Greenwood, samen met Pa en Ma. Deze liefdevolle aanpassing heeft het voor Robert en mij mogelijk gemaakt onze zendingsdienst in Colombia voort te zetten, omdat wij wisten dat er goed voor mijn ouders werd gezorgd.

Toen, in 1985, kreeg Pa een beroerte, waardoor hij zijn spraakvermogen verloor en bedlegerig werd. Wij kwamen bijeen voor een gezinsbespreking om te beschouwen hoe wij het beste voor onze ouders konden zorgen. Er werd besloten dat Audrey de voornaamste verzorgster van Pa zou worden en dat Robert en ik het beste konden helpen door elke week een brief met aanmoedigende ervaringen te sturen en zo vaak mogelijk over te komen voor een bezoek.

Mijn laatste bezoek aan Pa staat mij nog helder voor de geest. Hij kon doorgaans geen gearticuleerde spraak voortbrengen, maar toen wij hem hadden gezegd dat wij naar Mexico teruggingen, lukte het hem op een of andere wijze, met veel moeite en emotie, om één woord uit te brengen, „Adios!” Hierdoor wisten wij dat hij onze beslissing om onze zendingsdienst voort te zetten, van harte ondersteunde. Hij stierf in juli 1987, en Ma stierf negen maanden later.

Een brief die ik van mijn inmiddels weduwe geworden zus heb ontvangen, vat goed samen hoe groot de waardering is die wij voor onze ouders koesteren. „Ik acht mijn rijke christelijke erfgoed kostbaar en heb nooit ook maar een ogenblik het gevoel dat ik gelukkiger geweest zou zijn als onze ouders hadden verkozen ons anders op te voeden. Hun voorbeeld op het gebied van een krachtig geloof, zelfopoffering en volledig vertrouwen in Jehovah heeft mij door enkele diepe dalen in mijn leven heen geholpen.” Edwena besloot: „Ik dank Jehovah voor ouders die ons door woord en voorbeeld hebben getoond welk een geluk ons deel kan zijn als wij ons leven rondom het dienen van onze liefdevolle God, Jehovah, opbouwen.”

[Voetnoten]

a Zie De Wachttoren van 1 maart 1988, blz. 11, 12.

b Zie De Wachttoren van 1 september 1960, blz. 517-520.

[Illustraties op blz. 22, 23]

De familie Fountain: (van links naar rechts) Dewey, Edwena, Winnie, Elizabeth, Dewey junior; rechts: Elizabeth en Dewey junior op de spatborden van Henschels geluidswagen (1937); rechts onder: Elizabeth, 16 jaar, als zij getuigenis geeft met sandwichborden

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen