Vraagt Jehovah te veel van ons?
„Wat vraagt Jehovah van u terug dan gerechtigheid te oefenen en goedheid lief te hebben en bescheiden te wandelen met uw God?” — MICHA 6:8.
1. Wat kan de reden zijn dat sommigen Jehovah niet dienen?
JEHOVAH vraagt iets van zijn dienstknechten. Maar na het lezen van de bovenstaande woorden uit Micha’s profetie kunt u terecht concluderen dat Gods vereisten redelijk zijn. Niettemin dienen velen onze Grootse Schepper niet, en sommigen die hem eens hebben gediend, zijn daarmee opgehouden. Waarom? Omdat zij van mening zijn dat God te veel van ons vraagt. Is dat zo? Of zit het probleem misschien in iemands houding ten opzichte van wat Jehovah verlangt? Een historisch verslag verschaft inzicht in deze kwestie.
2. Wie was Naäman, en wat vroeg Jehovah’s profeet hem te doen?
2 De Syrische legeroverste Naäman was melaats, maar hij vernam dat er in Israël een profeet van Jehovah was die hem zou kunnen genezen. Naäman en zijn gevolg reisden dus naar Israël en kwamen ten slotte bij het huis van Gods profeet Elisa. In plaats van uit zijn huis te komen om zijn voorname bezoeker te begroeten, zond Elisa een bediende om tot Naäman te zeggen: „Gij [moet] u zevenmaal in de Jordaan baden, opdat uw vlees tot u terugkeert; en wees rein.” — 2 Koningen 5:10.
3. Waarom weigerde Naäman aanvankelijk te doen wat Jehovah vroeg?
3 Indien Naäman aan het door Gods profeet vermelde vereiste voldeed, zou hij van een walgelijke ziekte worden genezen. Vroeg Jehovah derhalve te veel van hem? Eigenlijk niet. Toch was Naäman niet van plan te doen wat Jehovah had verlangd. „Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damaskus, niet beter dan alle wateren van Israël?”, protesteerde hij. „Kan ik mij niet daarin baden en stellig rein zijn?” Daarop ging Naäman in woede heen. — 2 Koningen 5:12.
4, 5. (a) Wat was de beloning voor Naämans gehoorzaamheid, en hoe reageerde hij toen hij die ontving? (b) Wat zullen wij nu beschouwen?
4 Wat was in feite Naämans probleem? Het was niet dat het zo moeilijk was om aan het vereiste te voldoen. Naämans dienaren zeiden tactvol: „Had de profeet zelf iets groots tot u gesproken, zoudt gij dat dan niet doen? Hoeveel te meer dan, nu hij tot u heeft gezegd: ’Baad u en wees rein’?” (2 Koningen 5:13) Het probleem was gelegen in Naämans houding. Hij vond dat hem niet de waardigheid was verleend waarop hij recht had en dat hem gevraagd was iets te doen wat hij schijnbaar als vruchteloos en vernederend bezag. Maar Naäman reageerde gunstig op de tactvolle raad van zijn dienaren en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan. Stelt u zich zijn vreugde voor toen „zijn vlees terugkeerde als het vlees van een kleine jongen, en hij [rein] werd”! Hij was vervuld van dankbaarheid. Bovendien verklaarde Naäman dat hij vanaf die tijd geen andere god zou aanbidden dan Jehovah. — 2 Koningen 5:14-17.
5 Door de hele menselijke geschiedenis heen heeft Jehovah mensen gevraagd zich te schikken naar verschillende voorschriften. Wij nodigen u uit enkele daarvan te beschouwen. Vraag u daarbij eens af hoe u gereageerd zou hebben als Jehovah van u had verlangd zulke dingen te doen. Later zullen wij onderzoeken wat Jehovah in deze tijd van ons vraagt.
Wat Jehovah in het verleden verlangde
6. Wat werd er van het eerste mensenpaar gevraagd, en hoe zou u op zulke instructies gereageerd hebben?
6 Jehovah gaf het eerste mensenpaar, Adam en Eva, de opdracht kinderen groot te brengen, de aarde te onderwerpen en de dieren in onderworpenheid te hebben. De man en zijn vrouw werden ook gezegend met een uitgestrekt parkachtig tehuis (Genesis 1:27, 28; 2:9-15). Maar er was een beperking. Zij mochten niet eten van een bepaalde boom, een van de vele vruchtdragende bomen in de tuin van Eden (Genesis 2:16, 17). Dat was niet te veel gevraagd, nietwaar? Zou u niet blij zijn geweest zo’n toewijzing te behartigen, met het vooruitzicht eeuwig in volmaakte gezondheid te leven? Zou u, ook al verscheen er een verzoeker in de tuin, zijn argumentatie niet verworpen hebben? En bent u het er niet mee eens dat Jehovah het recht had om de ene eenvoudige beperking op te leggen? — Genesis 3:1-5.
7. (a) Welke toewijzing kreeg Noach, en welke tegenstand ondervond hij? (b) Hoe beziet u datgene wat Jehovah van Noach vroeg?
7 Later vroeg Jehovah Noach een ark te bouwen teneinde een wereldomvattende vloed te kunnen overleven. Gezien de kolossale afmetingen van de ark was de taak niet eenvoudig en ze werd waarschijnlijk in weerwil van veel spot en vijandschap ten uitvoer gebracht. Maar wat een voorrecht was het voor Noach om zijn huisgezin te kunnen redden, om nog maar niet te spreken van de vele dieren! (Genesis 6:1-8, 14-16; Hebreeën 11:7; 2 Petrus 2:5) Als u zo’n toewijzing had ontvangen, zou u dan uw best hebben gedaan die te behartigen? Of zou u tot de slotsom gekomen zijn dat Jehovah te veel van u vroeg?
8. Wat werd er van Abraham gevraagd, en wat werd geïllustreerd doordat hij zich daarnaar voegde?
8 God vroeg Abraham iets zeer moeilijks te doen door tot hem te zeggen: „Neem alstublieft uw zoon, uw enige zoon, die gij zo liefhebt, Isaäk, en maak een tocht naar het land Moria en offer hem daar als brandoffer” (Genesis 22:2). Aangezien Jehovah had beloofd dat de destijds kinderloze Isaäk nakomelingen zou krijgen, werd Abrahams geloof in Gods vermogen om Isaäk weer tot leven te brengen op de proef gesteld. Toen Abraham poogde Isaäk te offeren, spaarde God de jonge man. Hierdoor werd geïllustreerd dat God zijn eigen Zoon voor de mensheid zou offeren en hem later uit de dood zou opwekken. — Genesis 17:19; 22:9-18; Johannes 3:16; Handelingen 2:23, 24, 29-32; Hebreeën 11:17-19.
9. Waarom vroeg Jehovah niet te veel van Abraham?
9 Sommigen vinden misschien dat Jehovah God te veel van Abraham vroeg. Maar was dat zo? Is het werkelijk liefdeloos van onze Schepper, die de doden kan opwekken, ons te vragen hem gehoorzaam te zijn, ook al zou dit tot gevolg hebben dat wij tijdelijk in de dood zouden slapen? Jezus Christus en zijn vroege volgelingen dachten er niet zo over. Zij waren bereid lichamelijke mishandeling, ja, zelfs de dood te ondergaan teneinde Gods wil te doen (Johannes 10:11, 17, 18; Handelingen 5:40-42; 21:13). Indien de omstandigheden het noodzakelijk maakten, zou u dan bereid zijn hetzelfde te doen? Beschouw eens enkele van de dingen die Jehovah verlangd heeft van degenen die ermee instemden zijn dienstknechten te zijn.
Jehovah’s wet aan Israël
10. Wie beloofden alles te doen wat Jehovah vroeg, en wat gaf hij hun?
10 Abrahams nakomelingen via zijn zoon Isaäk en kleinzoon Jakob, of Israël, groeiden uit tot de natie Israël. Jehovah bevrijdde de Israëlieten uit slavernij in Egypte (Genesis 32:28; 46:1-3; 2 Samuël 7:23, 24). Niet lang daarna beloofden zij alles te doen wat God van hen vroeg. Zij zeiden: „Alles wat Jehovah gesproken heeft, zijn wij bereid te doen” (Exodus 19:8). In overeenstemming met de wens van de Israëlieten om door Jehovah geregeerd te worden, gaf hij de natie meer dan 600 wetten, met inbegrip van de Tien Geboden. Mettertijd kwamen deze door God via Mozes gegeven wetten eenvoudig bekend te staan als de Wet. — Ezra 7:6; Lukas 10:25-27; Johannes 1:17.
11. Wat was één doel van de Wet, en wat zijn enkele voorschriften die dienden om het te bereiken?
11 Eén doel van de Wet was om de Israëlieten te beschermen door gezonde voorschriften te verschaffen die aangelegenheden als seksuele moraliteit, zakelijke transacties en de zorg voor kinderen regelden (Exodus 20:14; Leviticus 18:6-18, 22-24; 19:35, 36; Deuteronomium 6:6-9). Er werden regels gegeven over de wijze waarop zowel medemensen als iemands dieren bejegend moesten worden (Leviticus 19:18; Deuteronomium 22:4, 10). Vereisten die betrekking hadden op jaarlijkse feesten en samenkomsten voor aanbidding, droegen ertoe bij het volk geestelijk te beschermen. — Leviticus 23:1-43; Deuteronomium 31:10-13.
12. Wat was het voornaamste doel van de Wet?
12 Een belangrijk doel van de Wet werd opgemerkt door de apostel Paulus, die schreef: „Ze werd toegevoegd om overtredingen openbaar te maken, totdat het zaad [Christus] gekomen zou zijn aan wie de belofte was gedaan” (Galaten 3:19). De Wet herinnerde de Israëlieten eraan dat zij onvolmaakt waren. Logischerwijs zouden zij dus een volmaakt slachtoffer nodig hebben dat hun zonden volledig kon wegnemen (Hebreeën 10:1-4). De Wet was dan ook bedoeld om het volk erop voor te bereiden Jezus, die de Messias of Christus was, te aanvaarden. Paulus schreef: „De Wet [is] onze leermeester geworden die tot Christus leidt, opdat wij ten gevolge van geloof rechtvaardig verklaard zouden worden.” — Galaten 3:24.
Was Jehovah’s Wet een drukkende last?
13. (a) Hoe bezagen onvolmaakte mensen de Wet, en waarom? (b) Was de Wet werkelijk een drukkende last?
13 Hoewel de Wet „heilig en rechtvaardig en goed” was, bezagen velen haar als een drukkende last (Romeinen 7:12). Aangezien de Wet volmaakt was, konden de Israëlieten niet aan haar hoge maatstaf voldoen (Psalm 19:7). Daarom noemde de apostel Petrus haar „een juk . . . dat noch onze voorvaders noch wij hebben kunnen dragen” (Handelingen 15:10). Natuurlijk was de Wet zelf geen drukkende last en gehoorzaamheid eraan strekte het volk tot voordeel.
14. Wat zijn enkele voorbeelden waaruit blijkt dat de Wet voor de Israëlieten een uiterst nuttig doel heeft gediend?
14 Onder de Wet werd bijvoorbeeld een dief niet gevangengezet, maar moest werken om het dubbele of meer te vergoeden van wat hij had gestolen. Het slachtoffer leed bijgevolg geen verlies en ook werd er geen last gelegd op hardwerkende mensen om een gevangenisstelsel te bekostigen (Exodus 22:1, 3, 4, 7). Ondeugdelijk voedsel was verboden. Varkensvlees dat niet goed gaar is, kan trichinose overbrengen en konijnenvlees kan tularemie overbrengen (Leviticus 11:4-12). Insgelijks was de Wet een bescherming door te verbieden dode lichamen aan te raken. Als iemand een lijk aanraakte, moest hij zowel zichzelf als zijn kleren wassen (Leviticus 11:31-36; Numeri 19:11-22). Uitwerpselen moesten begraven worden, waardoor het volk beschermd werd tegen de verspreiding van ziektekiemen, waarvan het bestaan pas in recente eeuwen door geleerden werd ontdekt. — Deuteronomium 23:13.
15. Wat bleek een last voor de Israëlieten te zijn?
15 De Wet vroeg niet te veel van het volk. Maar dat kan niet gezegd worden van mannen die zich de rol van uitleggers van de Wet toe-eigenden. Betreffende de regels die zij oplegden, merkt A Dictionary of the Bible, onder redactie van James Hastings, op: „Ieder bijbels gebod werd omsponnen met een netwerk van kleingeestige verordeningen. . . . Aldus werd een poging ondernomen om elk denkbare geval binnen het bereik van de Wet te brengen en met genadeloze logica het totale menselijke handelen door middel van strikte gedragsregels aan banden te leggen. . . . De stem van het geweten werd verstrikt; de levende kracht van het Goddelijk woord werd ongedaan gemaakt en gesmoord onder een massa oppervlakkige regels.”
16. Wat zei Jezus over de lasten vormende regels en overleveringen van religieuze leiders?
16 Jezus Christus stelde religieuze leiders die een massa regels oplegden aan de kaak door te zeggen: „Zij binden zware vrachten samen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren” (Mattheüs 23:2, 4). Hij zette uiteen dat hun drukkende lasten vormende, door mensen gemaakte regels en overleveringen, met inbegrip van uitgebreide reinigingsvoorschriften, „het woord van God krachteloos” maakten (Markus 7:1-13; Mattheüs 23:13, 24-26). Maar zelfs voordat Jezus op aarde was, stelden de religieuze leraren in Israël datgene wat Jehovah werkelijk verlangt in een verkeerd daglicht.
Wat Jehovah werkelijk vraagt
17. Waarom was Jehovah niet ingenomen met de brandoffers van de trouweloze Israëlieten?
17 Bij monde van de profeet Jesaja zei Jehovah: „Ik heb genoeg gehad van volledige brandoffers van rammen en het vet van weldoorvoede dieren; en in het bloed van jonge stieren en mannetjeslammeren en bokken heb ik geen behagen geschept” (Jesaja 1:10, 11). Waarom was God misnoegd over slachtoffers waar hijzelf in de Wet om vroeg? (Leviticus 1:1–4:35) Omdat het volk hem met minachting bejegende. Derhalve kregen zij de aansporing: „Wast u, reinigt u, doet de slechtheid van uw handelingen van voor mijn ogen weg, houdt op kwaad te doen. Leert goed te doen, zoekt gerechtigheid, wijst de verdrukker terecht, verschaft de vaderloze jongen recht, bepleit de zaak van de weduwe” (Jesaja 1:16, 17). Helpt dit ons niet te beseffen wat Jehovah van zijn dienstknechten verlangt?
18. Wat vroeg Jehovah in feite van de Israëlieten?
18 Jezus toonde aan wat God werkelijk verlangt. Dit deed hij toen hem de vraag werd gesteld: „Wat is het grootste gebod in de Wet?” Jezus antwoordde: „’Gij moet Jehovah, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.’ Dit is het grootste en eerste gebod. Het tweede, hieraan gelijk, is dit: ’Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.’ Aan deze twee geboden hangt de gehele Wet en de Profeten” (Mattheüs 22:36-40; Leviticus 19:18; Deuteronomium 6:4-6). De profeet Mozes bracht hetzelfde onder woorden toen hij vroeg: „Wat vraagt Jehovah, uw God, anders van u dan Jehovah, uw God, te vrezen, door al zijn wegen te bewandelen en hem lief te hebben en Jehovah, uw God, met geheel uw hart en geheel uw ziel te dienen, de geboden van Jehovah en zijn inzettingen . . . te onderhouden?” — Deuteronomium 10:12, 13; 15:7, 8.
19. Hoe trachtten de Israëlieten zich een heilig voorkomen te geven, maar wat zei Jehovah tot hen?
19 In weerwil van hun kwaaddoen wilden de Israëlieten zich een heilig voorkomen geven. Hoewel de Wet vereiste dat er alleen op de jaarlijkse Verzoendag moest worden gevast, begonnen zij vaak te vasten (Leviticus 16:30, 31). Maar Jehovah wees hen terecht door te zeggen: „Is dit niet het vasten dat ik verkies? De boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het jukhout te ontbinden, en de verbrijzelden vrij heen te zenden, en dat gij elk jukhout in tweeën zoudt breken? Is het niet, uw brood aan de hongerige uitdelen, en dat gij de gekwelde, dakloze mensen in uw huis zoudt brengen? Dat gij, ingeval gij een naakte ziet, hem moet bedekken, en dat gij u voor uw eigen vlees niet zoudt verbergen?” — Jesaja 58:3-7.
20. Om welke reden wees Jezus de religieuze huichelaars terecht?
20 Die zelfrechtvaardige Israëlieten hadden een soortgelijk probleem als de religieuze huichelaars tot wie Jezus zei: „Gij geeft tienden van de munt en de dille en de komijn, maar hebt de gewichtiger zaken van de Wet, namelijk gerechtigheid en barmhartigheid en getrouwheid, veronachtzaamd. Deze dingen moest men doen, en toch de andere niet veronachtzamen” (Mattheüs 23:23; Leviticus 27:30). Helpen Jezus’ woorden ons niet te begrijpen wat Jehovah werkelijk van ons verlangt?
21. Hoe somde de profeet Micha op wat Jehovah wel en niet van ons vraagt?
21 Om te verduidelijken wat Jehovah wel en niet van ons verlangt, vroeg Gods profeet Micha: „Waarmee zal ik Jehovah tegemoet treden? Waarmee zal ik mij buigen voor God in den hoge? Zal ik hem tegemoet treden met volledige brandoffers, met eenjarige kalveren? Zal Jehovah een welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliestromen? Zal ik mijn eerstgeboren zoon geven voor mijn opstandigheid, de vrucht van mijn buik voor de zonde van mijn ziel? Hij heeft u verteld, o aardse mens, wat goed is. En wat vraagt Jehovah van u terug dan gerechtigheid te oefenen en goedheid lief te hebben en bescheiden te wandelen met uw God?” — Micha 6:6-8.
22. Wat verlangde Jehovah specifiek van degenen die onder de Wet stonden?
22 Wat verlangde Jehovah dus specifiek van degenen die onder de Wet leefden? Natuurlijk moesten zij Jehovah God liefhebben. Bovendien zei de apostel Paulus: „De gehele Wet wordt in één gezegde vervuld, namelijk: ’Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf’” (Galaten 5:14). Op overeenkomstige wijze zei Paulus tot christenen in Rome: „Hij die zijn medemens liefheeft, heeft de wet vervuld. . . . De liefde [is] de vervulling van de wet.” — Romeinen 13:8-10.
Het is niet te veel
23, 24. (a) Waarom dient het nooit te veel voor ons te zijn te doen wat Jehovah vraagt? (b) Wat zullen wij in het volgende artikel bespreken?
23 Raken wij er niet van onder de indruk wanneer wij overdenken wat een liefdevolle, zorgzame, barmhartige God Jehovah is? Zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus, kwam naar de aarde om Gods liefde groot te maken — mensen te laten weten hoe kostbaar zij voor Jehovah zijn. Om Gods liefde te illustreren, zei Jezus betreffende nietige mussen: „Niet één [ervan zal] op de grond vallen zonder medeweten van uw Vader.” Derhalve besloot hij met de woorden: „Vreest . . . niet: gij zijt meer waard dan vele mussen” (Mattheüs 10:29-31). Het dient beslist nooit te veel voor ons te zijn om alles te doen wat zo’n liefdevolle God vraagt!
24 Maar wat verlangt Jehovah in deze tijd van ons? En waarom schijnen sommigen te denken dat God te veel vraagt? Een beschouwing van deze vragen moet ons doen begrijpen waarom het een geweldig voorrecht is alles te doen wat Jehovah vraagt.
Kunt u dit beantwoorden?
◻ Waarom weigeren sommigen misschien Jehovah te dienen?
◻ Hoe zijn Jehovah’s vereisten in de loop der jaren aan veranderingen onderhevig geweest?
◻ Welke doeleinden werden door de Wet gediend?
◻ Waarom is wat Jehovah van ons vraagt niet te veel?
[Illustratie op blz. 18]
Door mensen gemaakte regels, zoals uitgebreide reinigingsvoorschriften, maakten aanbidding tot een drukkende last