Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w99 1/6 blz. 28-31
  • Paulus’ medewerkers — Wie waren zij?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Paulus’ medewerkers — Wie waren zij?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Reisgezellen, gastheren en gastvrouwen
  • Een menigte vrienden
  • Loyale ondersteuning tijdens gevangenschap
  • „Wij zijn Gods medewerkers”
  • ‘Geef grondig getuigenis’
    ‘Geef grondig getuigenis over Gods Koninkrijk’
  • Houd moed, want Jehovah is je Helper
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2020
  • Paulus
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • ‘Ik ben rein van het bloed van alle mensen’
    ‘Geef grondig getuigenis over Gods Koninkrijk’
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
w99 1/6 blz. 28-31

Paulus’ medewerkers — Wie waren zij?

IN HET bijbelboek Handelingen en in de brieven van Paulus worden zo’n honderd personen genoemd, leden van de eerste-eeuwse christelijke gemeente die contact hadden met de „apostel der natiën” (Romeinen 11:13). Over een aantal van hen is heel wat bekend. Vermoedelijk bent u op de hoogte met de activiteiten van Apollos, Barnabas en Silas. Daarentegen zou u het waarschijnlijk moeilijker vinden veel te zeggen over Archippus, Claudia, Damaris, Linus, Persis, Pudens en Sopater.

In verschillende periodes en onder uiteenlopende omstandigheden speelden velen een actieve rol in het ondersteunen van Paulus’ bediening. Bepaalde personen zoals Aristarchus, Lukas en Timotheüs hebben jarenlang aan de zijde van de apostel gediend. Sommigen waren bij hem toen hij in de gevangenis zat of terwijl hij op pad was, hetzij als reisgezellen of als gastheren en gastvrouwen. Anderen, bijvoorbeeld Alexander, Demas, Fygelus en Hermogenes, volhardden helaas niet in het christelijke geloof.

Met betrekking tot verscheidene van Paulus’ andere vrienden, zoals Asynkritus, Filologus, Hermas of Julia om er slechts enkelen te noemen, weten wij weinig meer dan hun naam. In het geval van Nereus’ zuster of Rufus’ moeder of de huisgenoten van Chloë kennen wij zelfs de naam niet (Romeinen 16:13-15; 1 Korinthiërs 1:11). Niettemin werpt een onderzoek van de weinige informatie die wij over deze ongeveer honderd personen bezitten, licht op de wijze waarop de apostel Paulus werkte. Het leert ons ook iets over de voordelen die het heeft omringd te zijn door een groot aantal medegelovigen en nauw met hen samen te werken.

Reisgezellen, gastheren en gastvrouwen

De bediening van de apostel Paulus ging met heel wat gereis gepaard. Een schrijver heeft berekend dat de afstand die hij alleen al in het verslag van Handelingen te land en ter zee aflegde, op zo’n 16.000 kilometer kwam. Reizen was destijds niet alleen vermoeiend maar ook gevaarlijk. Tot de diverse gevaren waaraan hij het hoofd moest bieden, behoorden schipbreuk, gevaren van rivieren en van struikrovers, gevaren in de wildernis en gevaren op zee (2 Korinthiërs 11:25, 26). Terecht reisde Paulus zelden alleen van plaats tot plaats.

Degenen die Paulus vergezelden, zouden een bron van gezelschap, aanmoediging en praktische hulp in de bediening vormen. Af en toe liet Paulus hen achter zodat zij zorg konden dragen voor de geestelijke behoeften van nieuwe gelovigen (Handelingen 17:14; Titus 1:5). Maar de aanwezigheid van metgezellen was waarschijnlijk noodzakelijk voor de veiligheid en om gezamenlijk het hoofd te kunnen bieden aan de ontberingen van de reis. Personen als Sopater, Secundus, Gajus en Trofimus, van wie wij weten dat zij tot Paulus’ reisgezellen behoorden, kunnen dus een belangrijke rol hebben vervuld in het succes van zijn bediening. — Handelingen 20:4.

Niet minder welkom was de hulp die door gastheren en gastvrouwen werd geboden. Wanneer Paulus in een stad arriveerde waar hij van plan was een predikingscampagne te ondernemen of eenvoudig te overnachten, moest hij allereerst onderdak zoeken. Iemand die zo veel reisde als Paulus zou genoodzaakt zijn in letterlijk tientallen verschillende bedden te slapen. Hij kon altijd logies vinden in een herberg, maar deze plaatsen worden door geschiedschrijvers als ’gevaarlijke en niet bepaald goed bekendstaande oorden’ beschreven, dus verbleef Paulus, waar dat mogelijk was, waarschijnlijk bij medegelovigen.

Wij kennen de namen van enkele van Paulus’ gastheren en gastvrouwen — Aquila en Priska, Filemon, Filippus, Gajus, Jason, Lydia en Mnason (Handelingen 16:14, 15; 17:7; 18:2, 3; 21:8, 16; Romeinen 16:23; Filemon 1, 22). In Filippi, Thessalonika en Korinthe verschaften zulke accommodaties Paulus een basis van waar uit hij zijn zendingsactiviteiten kon organiseren. In Korinthe opende Titius Justus ook zijn huis om de apostel een plaats te verschaffen van waar uit hij zijn prediking kon voortzetten. — Handelingen 18:7.

Een menigte vrienden

Zoals te verwachten valt, had Paulus diverse herinneringen aan degenen die hij onder verschillende omstandigheden ontmoet had. Febe, Maria, Persis, Tryfena en Tryfosa bijvoorbeeld waren allen vrouwelijke medegelovigen die geprezen werden om hun vele arbeid en harde werk (Romeinen 16:1, 2, 6, 12). Paulus doopte Crispus, Gajus en het huisgezin van Stefanas. Dionysius en Damaris aanvaardden de waarheidsboodschap van hem in Athene (Handelingen 17:34; 1 Korinthiërs 1:14, 16). Andronikus en Junias, ’mannen van aanzien onder de apostelen’ die al langer gelovigen waren dan Paulus, worden zijn „medegevangenen” genoemd. Misschien zaten zij bij de een of andere gelegenheid met hem in de gevangenis. Paulus noemt deze twee, net als Herodion, Jason, Lucius en Sosipater, ook zijn „bloedverwanten” (Romeinen 16:7, 11, 21). Hoewel het hier gebezigde Griekse woord op „landgenoten” kan duiden, betekent de term in de eerste plaats „bloedverwanten van dezelfde generatie”.

Veel van Paulus’ vrienden reisden ter wille van het goede nieuws. Behalve zijn beter bekende metgezellen waren er Achaïkus, Fortunatus en Stefanas, die van Korinthe naar Efeze gingen om overleg met Paulus te plegen over de geestelijke toestand van hun gemeente. Artemas en Tychikus waren bereid te reizen om zich bij Titus te voegen, die op het eiland Kreta diende, en Zenas moest met Apollos een tocht ondernemen. — 1 Korinthiërs 16:17; Titus 3:12, 13.

Er zijn er over wie Paulus een klein en fascinerend detail verstrekt. Zo wordt ons verteld dat Epenetus „een eersteling van Asia” was, Erastus „de stadsbeheerder” in Korinthe was, Lukas een geneesheer, Lydia een purperverkoopster en Tertius de schrijver van Paulus’ brief aan de Romeinen was (Romeinen 16:5, 22, 23; Handelingen 16:14; Kolossenzen 4:14). Voor degenen die graag meer over zulke personen zouden willen weten, zijn deze stukjes informatie intrigerend wegens hun kortheid.

Andere metgezellen van Paulus ontvingen persoonlijke boodschappen, die nu in de bijbel opgetekend zijn. In zijn brief aan de Kolossenzen bijvoorbeeld gaf Paulus aan Archippus de raad: „Blijf erop toezien dat gij de bediening die gij in de Heer hebt aanvaard, ook vervult” (Kolossenzen 4:17). Euodia en Syntyche moesten kennelijk een persoonlijk conflict oplossen. Bijgevolg vermaande Paulus hen via een niet met name genoemde „jukgenoot” in Filippi om „gelijkgezind te zijn in de Heer” (Filippenzen 4:2, 3). Dit is beslist goede raad voor ons allen.

Loyale ondersteuning tijdens gevangenschap

Paulus zat verscheidene keren in de gevangenis (2 Korinthiërs 11:23). Bij die gelegenheden moeten de plaatselijke christenen, zo die er al waren, geprobeerd hebben al het mogelijke te doen om zijn ervaring draaglijker te maken. Tijdens Paulus’ eerste gevangenschap in Rome werd het hem toegestaan twee jaar lang zijn eigen huis te huren en kon hij door zijn vrienden bezocht worden (Handelingen 28:30). Gedurende die periode schreef hij brieven aan de gemeenten in Efeze, Filippi en Kolosse, alsook aan Filemon. Uit deze bronnen vernemen wij veel over degenen die tijdens Paulus’ opsluiting nauw met hem verbonden waren.

Wij leren bijvoorbeeld dat Onesimus, Filemons weggelopen slaaf, Paulus in Rome ontmoette, net als Tychikus, die Onesimus op zijn terugtocht naar zijn meester moest vergezellen (Kolossenzen 4:7-9). Dan was er Epafroditus, die de lange tocht vanuit Filippi ondernam met een gave van zijn gemeente en toen ziek werd (Filippenzen 2:25; 4:18). Tot degenen die in Rome nauw met Paulus samenwerkten, behoorden Aristarchus, Markus en Jezus, die Justus wordt genoemd, over wie Paulus zei: „Alleen dezen zijn mijn medewerkers voor het koninkrijk Gods en juist zij zijn voor mij een versterkende hulp geworden” (Kolossenzen 4:10, 11). Samen met al deze getrouwen waren er de beter bekende Timotheüs en Lukas, alsook Demas, die Paulus later wegens liefde voor de wereld verliet. — Kolossenzen 1:1; 4:14; 2 Timotheüs 4:10; Filemon 24.

Blijkbaar was geen van hen afkomstig uit Rome, toch waren zij daar aan Paulus’ zijde. Misschien waren sommigen speciaal gekomen om hem tijdens zijn gevangenschap bij te staan. Ongetwijfeld brachten sommigen boodschappen voor hem over, werden anderen op verre missies uitgezonden en dicteerde Paulus aan weer anderen brieven. Wat een welsprekend getuigenis van de intense gehechtheid en loyaliteit van al dezen aan Paulus en aan Gods werk!

Uit het besluit van enkele van Paulus’ brieven bemerken wij dat hij buiten de enkele namen die wij kennen, waarschijnlijk omringd was door een grote groep christelijke broeders en zusters. Bij verschillende gelegenheden schreef hij: „Alle heiligen zenden u hun groeten” en: „Allen die bij mij zijn, zenden u hun groeten.” — 2 Korinthiërs 13:13; Titus 3:15; Filippenzen 4:22.

Tijdens Paulus’ kritieke tweede gevangenschap in Rome, toen hem de marteldood te wachten stond, waren Paulus’ medewerkers heel sterk in zijn gedachten. Hij was nog steeds actief door de activiteit van ten minste enkelen van hen te coördineren en er toezicht op uit te oefenen. Titus en Tychikus waren op een missie uitgezonden, Crescens was naar Galatië gegaan, Erastus was in Korinthe gebleven, Trofimus was ziek in Milete achtergelaten, maar Markus en Timotheüs moesten naar hem toe komen. Lukas evenwel was aan Paulus’ zijde, en toen de apostel zijn tweede brief aan Timotheüs schreef, waren verscheidene andere gelovigen, met inbegrip van Eubulus, Pudens, Linus en Claudia, aanwezig om hun groeten te zenden. Zij deden ongetwijfeld wat zij konden om Paulus te helpen. Terzelfder tijd zond Paulus zelf groeten aan Priska en Aquila en het huisgezin van Onesiforus. Droevig genoeg echter verliet Demas hem in die tijd van moeilijkheden, en Alexander berokkende hem veel kwaad. — 2 Timotheüs 4:9-21.

„Wij zijn Gods medewerkers”

Paulus was zelden alleen tijdens zijn predikingsactiviteiten. „Het beeld dat zich aftekent,” aldus commentator E. Earle Ellis, „is dat van een zendeling met een groot aantal metgezellen. Paulus wordt vrijwel nooit zonder metgezellen aangetroffen.” Onder leiding van Gods heilige geest was Paulus in staat veel mensen te mobiliseren en doeltreffende zendingsveldtochten te organiseren. Hij was omringd door nauwe partners, tijdelijke assistenten, enkele sterke persoonlijkheden en talrijke nederige dienstknechten. Toch waren dit niet slechts medewerkers. Ongeacht de mate waarin zij met Paulus samenwerkten of met hem verbonden waren, de band van christelijke liefde en persoonlijke vriendschap is onmiskenbaar.

De apostel Paulus had wat wel een „talent voor vriendschap” is genoemd. Hij deed veel om het goede nieuws tot de natiën te brengen, maar hij trachtte niet dit in zijn eentje te doen. Hij werkte met de georganiseerde christelijke gemeente samen en maakte er volledig gebruik van. Paulus schreef de eer voor de behaalde resultaten niet aan zichzelf toe, maar erkende nederig dat hij een slaaf was en dat alle eer God toekwam als degene die verantwoordelijk was voor de wasdom. — 1 Korinthiërs 3:5-7; 9:16; Filippenzen 1:1.

Paulus’ tijd was anders dan onze tijd, maar toch dient niemand in de hedendaagse christelijke gemeente te denken dat hij onafhankelijk kan of moet zijn. Wij dienen veeleer altijd met Gods organisatie, met onze plaatselijke gemeente en met onze medegelovigen samen te werken. Wij hebben hun hulp, steun en vertroosting in goede tijden en in moeilijke tijden nodig. Wij hebben het kostbare voorrecht deel uit te maken van een ’hele gemeenschap van broeders in de wereld’ (1 Petrus 5:9). Als wij getrouw en liefdevol schouder aan schouder met hen allen samenwerken, dan kunnen ook wij net als Paulus zeggen dat ’wij Gods medewerkers zijn’. — 1 Korinthiërs 3:9.

[Illustraties op blz. 31]

APOLLOS

ARISTARCHUS

BARNABAS

LYDIA

ONESIFORUS

TERTIUS

TYCHIKUS

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen