De weg des levens
JEHOVAH, de Bron van het leven, heeft de weg des levens door middel van zijn Woord der waarheid geopenbaard. De Heer Jezus Christus heeft „licht . . . geworpen op leven en onverderfelijkheid, door middel van het goede nieuws” (2 Timotheüs 1:10). Hij zei tot zijn discipelen: „Het is de geest die levengevend is; het vlees is volstrekt van geen nut. De woorden die ik tot u heb gesproken, zijn geest en zijn leven.” Kort daarop vroeg Jezus zijn apostelen of zij van plan waren hem te verlaten, zoals anderen dat hadden gedaan. Petrus antwoordde: „Heer, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven” (Johannes 6:63, 66-68). De apostel Johannes noemde Jezus „het woord des levens”, en zei: ’Door bemiddeling van hem was leven.’ — 1 Johannes 1:1, 2; Johannes 1:4.
Uit Jezus’ woorden blijkt duidelijk dat menselijke pogingen om het leven voor onbepaalde tijd te verlengen of theorieën dat bepaalde voedingsgewoonten of een bepaalde levenswijze de mensheid leven zullen schenken, nutteloos zijn. In het gunstigste geval kunnen ze slechts tot een tijdelijke verbetering van de gezondheid leiden. De enige weg die tot het leven leidt, is gehoorzaamheid aan het goede nieuws, „het woord des levens” (Filippenzen 2:16). Wie leven wil verkrijgen, moet zijn geest gericht houden „op de dingen die boven zijn, niet op de dingen die op de aarde zijn” (Kolossenzen 3:1, 2). Jezus zei tot zijn toehoorders: „Wie mijn woord hoort en hem gelooft die mij heeft gezonden, heeft eeuwig leven, en hij komt niet in het oordeel, maar is uit de dood tot het leven overgegaan” (Johannes 5:24; 6:40). Zulke mensen zijn niet langer veroordeelde zondaars en bevinden zich niet meer op de weg des doods. De apostel Paulus schreef: „Daarom is er voor hen die in eendracht met Christus Jezus zijn, geen veroordeling. Want de wet van de geest die leven geeft in eendracht met Christus Jezus, heeft u vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood” (Romeinen 8:1, 2). Johannes zegt dat een christen weet dat hij ’van de dood tot het leven is overgegaan’ indien hij zijn broeders liefheeft. — 1 Johannes 3:14.
Aangezien „er . . . onder de hemel geen andere naam [is] die onder de mensen is gegeven waardoor wij gered moeten worden”, moet een ieder die het leven zoekt, Christus navolgen (Handelingen 4:12). Jezus liet zien dat iemand zich bewust moet zijn van zijn geestelijke nood; hij moet hongeren en dorsten naar rechtvaardigheid (Mattheüs 5:3, 6). Niet alleen moet hij het goede nieuws horen, maar hij moet geloof oefenen in Jezus Christus en door bemiddeling van hem de naam van Jehovah aanroepen (Romeinen 10:13-15). In navolging van Jezus’ voorbeeld zal hij zich in water laten dopen (Mattheüs 3:13-15; Efeziërs 4:5). Vervolgens moet hij het Koninkrijk en Jehovah’s rechtvaardigheid blijven zoeken. — Mattheüs 6:33.
Wie een discipel van Jezus Christus is geworden, moet de weg des levens blijven bewandelen. Hij wordt gewaarschuwd: „Wie . . . denkt te staan, moet oppassen dat hij niet valt” (1 Korinthiërs 10:12). Hij krijgt de raad: „Beveilig uw hart, ja, meer dan al het andere dat te behoeden is, want daaruit zijn de oorsprongen van het leven” (Spreuken 4:23). Jezus maakte duidelijk dat uit het hart goddeloze overleggingen, overspel, moord, enzovoort, voortkomen. Deze dingen leiden tot de dood (Mattheüs 15:19, 20). Om te verhinderen dat ons hart op een verkeerd spoor geraakt en ons van de weg des levens afbrengt, moeten wij het tegen zulke overleggingen beschermen door het te voeden met levengevend geestelijk voedsel, de waarheid uit de zuivere Bron des levens. — Romeinen 8:6.