Het „onderzoekend oordeel” — Een op de bijbel gebaseerde leerstelling?
VOOR zo’n 50.000 mensen aan de oostkust van de Verenigde Staten was 22 oktober 1844 een dag waarnaar zij met grote verwachting hadden uitgezien. Hun geestelijke leider, William Miller, had gezegd dat Jezus Christus op die dag zou wederkomen. De ’Millerieten’, zoals zij werden genoemd, wachtten tot het vallen van de avond in hun vergaderplaatsen. Toen brak de volgende dag aan, maar de Heer was niet gekomen. Ontgoocheld keerden zij naar huis terug en sindsdien bleef die dag in hun herinnering als de „Grote Teleurstelling”.
Teleurstelling maakte echter al gauw plaats voor hoop. Een jonge vrouw, Ellen Harmon, wist een groepje Millerieten ervan te overtuigen dat God haar in visioenen had geopenbaard dat hun tijdberekening klopte. Zij geloofde dat er op die dag een gedenkwaardige gebeurtenis had plaatsgevonden — Christus was toen „het allerheiligste gedeelte van het hemelse heiligdom” binnengegaan.
Meer dan tien jaar later bedacht de adventistenpredikant James White (die met Ellen Harmon was getrouwd) een uitdrukking om de aard van Christus’ werk sinds oktober 1844 te beschrijven. In de Review and Herald van 29 januari 1857 zei White dat Jezus een „onderzoekend oordeel” was begonnen. En dit is onder zo’n zeven miljoen mensen die zich Zevendedagsadventisten noemen, een fundamenteel geloofspunt gebleven.
Sommige gerespecteerde geleerden onder de Zevendedagsadventisten hebben zich echter afgevraagd of het „onderzoekend oordeel” een op de bijbel gebaseerde leerstelling is. Waarom hebben zij hun bedenkingen hierover? Als u een Zevendedagsadventist was, zou deze vraag u aangaan. Maar eerst: Wat is het „onderzoekend oordeel”?
Wat houdt het in?
De voornaamste tekst die ter ondersteuning van deze leerstelling wordt aangehaald, is Daniël 8:14. Daar staat: „Hij zei tot mij: Tot tweeduizend driehonderd dagen; dan zal het heiligdom gereinigd worden” (King James Version). Wegens de zinsnede „dan zal het heiligdom gereinigd worden” leggen veel adventisten een verband tussen dit vers en Leviticus hoofdstuk 16. Daar wordt de reiniging van het heiligdom door de joodse hogepriester op de Verzoendag beschreven. Ook brengen zij Daniëls woorden in verband met Hebreeën hoofdstuk 9, waar Jezus als de Grotere Hogepriester in de hemel wordt beschreven. Een geleerde van de Zevendedagsadventisten zegt dat deze redenatie gebaseerd is op de „bewijstekst”-methode, waarbij men „een bepaald woord zoals heiligdom in Dan. 8:14 [vindt], hetzelfde woord in Lev. 16 en in Hebr. 7, 8, 9”, en concludeert „dat in al die teksten over hetzelfde wordt gesproken”.
De adventisten redeneren als volgt: De priesters van het oude Israël verrichtten dagelijks dienst in de tempelafdeling die het Heilige werd genoemd, waardoor vergeving van zonden bewerkstelligd werd. Op de Verzoendag verrichtte de hogepriester een jaarlijkse dienst in het Allerheiligste (het binnenste vertrek van de tempel) die tot gevolg had dat zonden werden uitgewist. Zij concluderen dat de priesterlijke bediening van Christus in de hemel uit twee fases bestaat. De eerste fase begon met zijn hemelvaart in de eerste eeuw, eindigde in 1844 en had de vergeving van zonden tot gevolg. De tweede of „oordeelsfase” begon op 22 oktober 1844, is nog steeds aan de gang en zal het uitwissen van zonden tot gevolg hebben. Hoe gaat dit in zijn werk?
Sinds 1844 onderzoekt Jezus naar men zegt het levensbericht van alle belijdende gelovigen (eerst van de doden, vervolgens van de levenden) om te bepalen of zij eeuwig leven verdienen. Dit is het „onderzoekend oordeel”. Nadat mensen aldus zijn geoordeeld, worden de zonden van hen die deze test doorstaan, uit de boeken uitgewist. Maar, legde Ellen White uit, wanneer mensen deze test niet doorstaan, zullen ’hun namen uit het boek des levens worden uitgewist’. Aldus „zal de bestemming van alle mensen dan bepaald zijn: leven of dood”. Op dat moment wordt het hemelse heiligdom gereinigd en gaat Daniël 8:14 in vervulling. Dat leren de Zevendedagsadventisten. Maar Adventist Review, een publikatie van de Zevendedagsadventisten, geeft toe: „De term onderzoekend oordeel komt in de bijbel niet voor.”
De ontbrekende schakel op taalkundig gebied
Deze leer heeft enkele adventisten verontrust. „De geschiedenis toont aan”, aldus een waarnemer, „dat loyale leiders in onze gelederen verontrust waren wanneer zij over onze traditionele leer van het onderzoekend oordeel nadachten.” De afgelopen jaren, voegt hij eraan toe, veranderde die onrust in twijfel toen geleerden „vraagtekens begonnen te zetten bij veel pijlers van onze gebruikelijke presentatie van de leer betreffende de reiniging van het heiligdom”. Laten wij eens twee ervan aan een onderzoek onderwerpen.
Pijler nummer één: Daniël hoofdstuk 8 wordt met Leviticus hoofdstuk 16 in verband gebracht. Deze veronderstelling wordt verzwakt door twee belangrijke problemen — de taal en de context. Laten wij eerst de taal beschouwen. De adventisten geloven dat het ’gereinigde heiligdom’ in Daniël hoofdstuk 8 het tegenbeeld is van het ’gereinigde heiligdom’ in Leviticus hoofdstuk 16. Deze analogie leek aanvaardbaar totdat vertalers ontdekten dat „gereinigd” in de King James Version een verkeerde vertaling was van een vorm van het Hebreeuwse werkwoord tsa·dhaqʹ („rechtvaardig zijn”) dat in Daniël 8:14 is gebruikt. Anthony A. Hoekema, hoogleraar theologie, merkt op: „Het is spijtig dat het woord met gereinigd zijn is vertaald, aangezien het Hebreeuwse werkwoord dat gewoonlijk met gereinigd wordt weergegeven [ta·herʹ] hier in het geheel niet wordt gebruikt.”a Het wordt wel gebruikt in Leviticus hoofdstuk 16, waar de King James Version vormen van ta·herʹ met „reinigen” en „rein zijn” weergeeft (Leviticus 16:19, 30). Dr. Hoekema concludeert derhalve terecht: „Als het Daniëls bedoeling was om te verwijzen naar de reiniging die op de Verzoendag plaatsvond, zou hij taheer [ta·herʹ] in plaats van tsadaq [tsa·dhaqʹ] gebruikt hebben.” Maar tsa·dhaqʹ komt in Leviticus niet voor en ta·herʹ niet in Daniël. De taalkundige schakel ontbreekt.
Wat blijkt uit de context?
Beschouw nu de context eens. De adventisten geloven dat Daniël 8:14 „een contextueel eiland” is en losstaat van de daaraan voorafgaande verzen. Maar krijgt u die indruk wanneer u Daniël 8:9-14 leest in het bijgaande kader getiteld „Daniël 8:14 in zijn context”? Vers 9 spreekt over een agressor, een kleine horen. Uit vers 10-12 blijkt dat deze agressor het heiligdom zal aanvallen. In vers 13 wordt de vraag gesteld: ’Hoe lang zal deze aanval duren?’ En vers 14 geeft het antwoord: „Tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens; en de heilige plaats zal stellig in haar juiste toestand worden gebracht.” Het is duidelijk dat in vers 13 een vraag wordt opgeworpen die in vers 14 wordt beantwoord. De theoloog Desmond Ford zegt: „Het loskoppelen van Dan. 8:14 van deze roep [„Hoe lang?”, vers 13] is exegetisch gezien je zonder anker op zee bevinden.”b
Waarom koppelen adventisten vers 14 los van de context? Om een pijnlijke conclusie te vermijden. De context schrijft de verontreiniging van het in vers 14 genoemde heiligdom aan de activiteiten van de kleine horen toe. De leerstelling van het „onderzoekend oordeel” echter schrijft de verontreiniging van het heiligdom aan de activiteiten van Christus toe. Hij zou de zonden van de gelovigen overdragen op het hemelse heiligdom. Wat gebeurt er dus als adventisten zowel de leerstelling als de context aanvaarden? Dr. Raymond F. Cottrell, een Zevendedagsadventist en voormalig mederedacteur van de SDA Bible Commentary, schrijft: „Wanneer wij onszelf wijsmaken dat de interpretatie van de SDA [Zevendedagsadventisten] Daniël 8:14 in zijn context beschouwt, dan zou dit er dus op neerkomen dat de kleine horen als Christus geïdentificeerd wordt.” Dr. Cottrell geeft eerlijk toe: „De context en de adventistische interpretatie gaan niet samen.” Met betrekking tot het „onderzoekend oordeel” moest de Adventistische Kerk derhalve een keuze maken — òf de leerstelling aanvaarden òf de context van Daniël 8:14. Helaas koos ze voor het eerste en liet het tweede vallen. Geen wonder, aldus dr. Cottrell, dat welingelichte bijbelonderzoekers de adventisten verwijten dat zij „iets in de Schrift lezen” wat „er niet uit kan worden gehaald”!
In 1967 bereidde dr. Cottrell voor de sabbatsschool een les over Daniël voor, die naar de kerken van de Zevendedagsadventisten over de hele wereld werd gezonden. Daarin werd geleerd dat Daniël 8:14 wel degelijk verband houdt met zijn context en dat de ’reiniging’ niet op gelovigen betrekking heeft. Veelzeggend is dat deze les met geen woord rept over een „onderzoekend oordeel”.
Enkele opmerkelijke antwoorden
Hoezeer zijn de adventisten zich ervan bewust dat deze pijler te zwak is om de leerstelling van het „onderzoekend oordeel” te ondersteunen? Dr. Cottrell legde 27 vooraanstaande adventistische theologen de volgende vraag voor: ’Welke taalkundige of contextuele redenen kunt u geven voor het verband tussen Daniël hoofdstuk 8 en Leviticus hoofdstuk 16?’ Hun antwoord?
„Alle zevenentwintig bevestigden dat er geen taalkundige of contextuele redenen bestonden om Dan. 8:14 toe te passen op de tegenbeeldige verzoendag en het onderzoekend oordeel.” Hij vroeg hun: ’Hebt u andere redenen voor het leggen van dit verband?’ De meeste adventistische geleerden zeiden dat zij geen andere redenen hadden, vijf antwoordden dat zij dit verband legden omdat Ellen White dat had gedaan, en twee zeiden dat zij de leerstelling baseerden op een „gelukkige toevalligheid” in de vertaling. De theoloog Ford merkt op: „Die conclusies van de fine fleur van onze geleerden bevestigen in feite dat onze traditionele leer betreffende Dan. 8:14 onverdedigbaar is.”
Biedt het boek Hebreeën enige uitkomst?
Pijler nummer twee: Daniël 8:14 houdt verband met Hebreeën hoofdstuk 9. „Al onze vroege werken maken bij de uitleg van Dan. 8:14 gebruik van Hebr. 9”, zegt de theoloog Ford. Dit verband werd na de „Grote Teleurstelling” in 1844 gelegd. Op zoek naar leiding liet de Milleriet Hiram Edson zijn bijbel op een tafel vallen zodat het boek openviel. De uitkomst? Hebreeën hoofdstuk 8 en 9 lagen voor hem. Ford zegt: „Wat kon een passender symbool zijn voor de bewering van de adventisten dat deze hoofdstukken de sleutel bevatten van de betekenis van 1844 en Dan. 8:14!”
„Die bewering is voor de Zevendedagsadventisten van doorslaggevende betekenis”, voegt dr. Ford eraan toe in zijn boek Daniel 8:14, the Day of Atonement, and the Investigative Judgment. „Alleen in Hebr. 9 . . . kan men een gedetailleerde uiteenzetting van de betekenis van . . . de leerstelling van het heiligdom vinden die zo belangrijk voor ons is.” Ja, Hebreeën hoofdstuk 9 is het hoofdstuk in het „Nieuwe Testament” dat de profetische betekenis van Leviticus hoofdstuk 16 verklaart. Maar de adventisten zeggen ook dat Daniël 8:14 het vers in het „Oude Testament” is dat dit doet. Als beide stellingen waar zijn, dan moet er tevens een verband tussen Hebreeën hoofdstuk 9 en Daniël hoofdstuk 8 bestaan.
Desmond Ford merkt op: „Bepaalde dingen vallen meteen op als men Hebr. 9 leest. Er is geen duidelijke toespeling op het boek Daniël, en zeker niet op Dan. 8:14. . . . Het hoofdstuk als geheel is een toepassing van Lev. 16.” Hij zegt: „Onze leer van het heiligdom is niet te vinden in het enige boek van het Nieuwe Testament dat de betekenis van de diensten in het heiligdom bespreekt. Dit is door bekende adventistische schrijvers over de hele wereld erkend.” Dus ook pijler nummer twee is te zwak om de twijfelachtige leerstelling te ondersteunen.
Deze conclusie is echter niet nieuw. Al jarenlang, aldus dr. Cottrell, „zijn bijbelgeleerden van de kerk zich terdege bewust van de exegetische problemen waarop onze conventionele interpretatie van Daniël 8:4 en Hebreeën 9 stuit”. Zo’n tachtig jaar geleden schreef de invloedrijke Zevendedagsadventist E. J. Waggoner: „De adventistische leer betreffende het heiligdom, met haar ’onderzoekend oordeel’ . . ., is feitelijk een verloochening van de verzoening” (Confession of Faith). Meer dan dertig jaar geleden werden die problemen voorgelegd aan de Algemene Vergadering, het kerkbestuur van de Zevendedagsadventisten.
Problemen en een impasse
De Algemene Vergadering stelde een „Commissie voor problemen in het boek Daniël” aan, die een rapport moest samenstellen over de wijze waarop de moeilijkheden rond Daniël 8:14 konden worden opgelost. De veertien commissieleden bestudeerden het vraagstuk vijf jaar lang, maar konden niet tot een unanieme oplossing komen. In 1980 zei commissielid Cottrell dat de meeste commissieleden van mening waren dat de adventistische interpretatie van Daniël 8:14 „naar tevredenheid bekrachtigd” kon worden door een reeks „veronderstellingen” en dat de problemen „terzijde geschoven dienden te worden”. Hij voegde eraan toe: „Let wel, de commissie droeg de naam ’Commissie voor problemen in het boek Daniël’, en de meerderheid stelde voor dat wij de problemen terzijde zouden schuiven en er niets over zouden zeggen.” Dat zou erop neerkomen dat „wij toegeven geen antwoord te hebben”. De minderheid weigerde dus de zienswijze van de meerderheid te steunen, en er was geen officieel rapport. De leerstellige problemen bleven onopgelost.
In een commentaar op deze impasse zegt dr. Cottrell: „Wij zitten nog steeds met het vraagstuk van Daniël 8:14 omdat wij tot dusver niet bereid zijn geweest het feit onder ogen te zien dat er een heel reëel exegetisch probleem bestaat. Dat vraagstuk zal niet verdwijnen zolang wij net doen of er geen probleem is, zolang wij ons hoofd, individueel of gezamenlijk, in het zand van onze vooropgezette meningen blijven steken.” — Spectrum, een door de Vereniging van Adventistische Forums uitgegeven blad.
Dr. Cottrell dringt er bij adventisten op aan „de elementaire veronderstellingen en de exegetische beginselen waarop wij onze interpretatie van deze — voor het adventisme — onontbeerlijke passage in de Schrift, hebben gebaseerd, opnieuw aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen”. Wij zouden alle adventisten willen aanmoedigen de leerstelling van het „onderzoekend oordeel” onder de loep te nemen om te zien of de pijlers ervan stevig gebaseerd zijn op de bijbel of gefundeerd zijn op het losse zand van overlevering.c De apostel Paulus gaf de wijze aansporing: „Vergewist u van alles, houdt vast aan dat wat voortreffelijk is.” — 1 Thessalonicenzen 5:21.
[Voetnoten]
a Wilson’s Old Testament Word Studies definieert tsadaq (of tsa·dhaqʹ) als „rechtvaardig, gerechtvaardigd zijn”, en taheer (of ta·herʹ) als „duidelijk, helder en stralend zijn; puur, rein, gelouterd zijn; rein zijn van alle verontreiniging of bezoedeling”.
b Dr. Ford was hoogleraar religie aan het door de kerk gesponsorde Pacific Union College in de VS. In 1980 kreeg hij van het bestuur van de Zevendedagsadventisten zes maanden verlof om de leerstelling te bestuderen, maar zij verwierpen zijn bevindingen. Hij publiceerde deze in het boek Daniel 8:14, the Day of Atonement, and the Investigative Judgment.
c Zie voor een beredeneerde verklaring van Daniël hoofdstuk 8, blz. 189-220 van het boek „Uw wil geschiede op aarde”, uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.
[Kader op blz. 27]
Daniël 8:14 in zijn context
DANIËL 8:9 „En uit een van die kwam nog een horen voort, een kleine, en hij bleef in aanzienlijke mate groter worden naar het zuiden en naar de opgang der zon en naar het Sieraad. 10 En hij bleef groter worden, totdat hij zelfs tot aan het heerleger van de hemel reikte, zodat hij er van het heerleger en van de sterren ter aarde deed vallen en ze vervolgens vertrapte. 11 En zelfs tegen de Vorst van het heerleger nam hij een groot air aan, en hem werd het bestendige kenmerk ontnomen, en de vaste plaats van zijn heiligdom werd omvergehaald. 12 En een heerleger zelf werd geleidelijk overgegeven, te zamen met het bestendige kenmerk, wegens overtreding; en hij bleef waarheid ter aarde werpen, en hij handelde en had succes.
13 En ik kreeg een zekere heilige te horen die sprak, en een andere heilige zei vervolgens tot die ene die sprak: ’Hoe lang zal het visioen duren van het bestendige kenmerk en van de overtreding die verwoesting veroorzaakt, om zowel de heilige plaats als het heerleger tot dingen te maken om te vertrappen?’ 14 Hij dan zei tot mij: ’Tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens; en de heilige plaats zal stellig in haar juiste toestand worden gebracht.’” — Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift.