Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w97 1/5 blz. 24-29
  • God is mijn toevlucht en sterkte

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • God is mijn toevlucht en sterkte
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Gesterkt voor de toekomst
  • Het antwoord van de vijand — gevangenis
  • In Lichtenburg
  • In Ravensbrück
  • Moeilijke naoorlogse jaren
  • Nogmaals onder verbodsbepalingen en in verzekerde bewaring
  • Sterkte en hulp van Jehovah
  • Jehovah blijft mijn toevlucht en sterkte
  • Bevrijding van totalitaire inquisitie door geloof in God
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Rechtschapenheid bewaard in nazi-Duitsland
    Ontwaakt! 1993
  • Standvastig ondanks vervolging door de geestelijken, nazi’s en communisten
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Met Jehovah’s hulp hebben we totalitaire regimes overleefd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
w97 1/5 blz. 24-29

God is mijn toevlucht en sterkte

ZOALS VERTELD DOOR CHARLOTTE MÜLLER

„Alle respect voor uw negen jaar onder Hitler”, zei de communistische rechter. „U was toen werkelijk tegen de oorlog, maar nu bent u tegen onze vrede!”

HIJ had het over mijn eerdere gevangenschap onder de nazi’s en over het socialisme in de Duitse Democratische Republiek. Eerst stond ik sprakeloos, maar toen antwoordde ik: „Een christen strijdt niet op dezelfde manier als anderen voor ware vrede. Ik doe alleen mijn best het bijbelse gebod te gehoorzamen om God en mijn naaste lief te hebben. Gods Woord helpt mij in woord en daad vrede te bewaren.”

Op die dag, 4 september 1951, veroordeelden de communisten mij tot acht jaar gevangenis — één jaar minder dan het nazi-regime had gedaan.

Toen wij als Jehovah’s Getuigen door de nationaal-socialisten en door de communisten werden vervolgd, vond ik troost in Psalm 46:1: „God is voor ons een toevlucht en sterkte, een hulp die gemakkelijk te vinden is in benauwdheden.” Jehovah alleen gaf mij de kracht om te volharden, en hoe meer ik mij zijn Woord eigen maakte, des te sterker werd ik.

Gesterkt voor de toekomst

Ik ben in 1912 geboren in Gotha-Siebleben in Thüringen (Duitsland). Hoewel mijn ouders protestant waren, was mijn vader op zoek naar de bijbelse waarheid en naar een rechtvaardige regering. Toen mijn ouders het „Photo-Drama der Schepping” zagen, waren zij opgetogen.a Vader had gevonden waarnaar hij op zoek was geweest — Gods koninkrijk.

Vader en Moeder lieten zich op 2 maart 1923 samen met ons, hun zes kinderen, uit de kerk uitschrijven. Wij woonden in Chemnitz in Sachsen, en daar verbonden wij ons met de Bijbelonderzoekers. (Drie van mijn broers en zusters zijn getuigen van Jehovah geworden.)

Op de vergaderingen van de Bijbelonderzoekers werden mij schriftplaatsen en kostbare waarheden ingeprent, en deze vulden mijn jonge hart met een gevoel van geluk. Bovenal was er het onderwijs dat ons christelijke jongeren, meer dan vijftig in getal, op zondag werd gegeven en dat mijn zus Käthe en ik een tijdlang kregen. Tot onze groep behoorde de jonge Konrad Franke, die wandeltochten organiseerde en liederen met ons zong. Later, van 1955 tot 1969, heeft broeder Franke als opziener van het Wachttoren-bijkantoor in Duitsland gediend.

De jaren ’20 waren woelige jaren, soms zelfs onder Gods volk. Sommigen, die De Wachttoren niet langer als ’voedsel te rechter tijd’ aanvaardden, waren tegen de van-huis-tot-huisprediking (Mattheüs 24:45). Dit mondde uit in afval. Maar juist dit „voedsel” gaf ons de sterkte die wij in die tijd zo wanhopig nodig hadden. Daar waren bijvoorbeeld de Wachttoren-artikelen „Gezegend zijn de onbevreesden” (1919) en „Wie zal Jehovah eren?” (1926) Ik wilde Jehovah eren door middel van moedige activiteit, en daarom verspreidde ik veel van broeder Rutherfords boeken en brochures.

In maart 1933 werd ik als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt. In datzelfde jaar werd ons evangelisatiewerk in Duitsland verboden. Bij de doop werd als raad voor de toekomst Openbaring 2:10 meegegeven: „Wees niet bevreesd voor de dingen die gij gaat lijden. Zie! De Duivel zal voortgaan sommigen van u in de gevangenis te werpen, opdat gij volledig op de proef wordt gesteld en opdat gij tien dagen verdrukking hebt. Bewijs dat gij getrouw zijt, zelfs tot de dood, en ik zal u de kroon des levens geven.” Ik nam dit vers ter harte, en twijfelde er niet aan dat mij zware beproevingen te wachten stonden. Dat bleek inderdaad het geval te zijn.

Omdat wij politiek neutraal bleven, bekeken verschillende van onze buren ons met achterdocht. Na een politieke verkiezing kwam een delegatie geüniformeerde nazi-agenten voor ons huis schreeuwen: „Hier wonen verraders!” Het artikel „Vreest hen niet”, dat in december 1933 in de Duitse uitgave van De Wachttoren verscheen, vormde een speciale aanmoediging voor mij. Ik wilde zelfs onder de ongunstigste omstandigheden een getrouwe getuige van Jehovah blijven.

Het antwoord van de vijand — gevangenis

Tot de herfst van 1935 was het mogelijk in Chemnitz in het geheim De Wachttoren te produceren. Daarna moest de stencilmachine die gebruikt werd naar Beierfeld in het Ertsgebergte worden gebracht, waar ze tot augustus 1936 dienst heeft gedaan om lectuur te dupliceren. Käthe en ik brachten exemplaren naar broeders van wie Vader ons de adressen gaf. Een tijdlang ging alles goed. Maar toen liet de Gestapo mijn gangen nagaan en in augustus 1936 pakten zij mij thuis op en stelden mij in verzekerde bewaring in afwachting van de rechtszitting.

In februari 1937 verschenen 25 broeders en 2 zusters — onder wie ikzelf — voor een bijzondere rechtbank in Sachsen. Er werd beweerd dat de organisatie van Jehovah’s Getuigen staatsgevaarlijk was. De broeders die De Wachttoren hadden gedupliceerd, kregen vijf jaar gevangenisstraf. Ik kreeg twee jaar.

In plaats van in vrijheid gesteld te worden na mijn straf te hebben uitgezeten, werd ik door de Gestapo opgepakt. Zij wilden mij een verklaring laten tekenen dat ik niet langer actief zou zijn als een getuige van Jehovah. Ik weigerde standvastig, waarop de ambtenaar woedend werd, overeind sprong en een bevel uitschreef om mij gevangen te zetten. Dat bevel is op de afbeelding te zien. Zonder dat ik mijn ouders mocht zien, werd ik onmiddellijk naar een klein concentratiekamp voor vrouwen in Lichtenburg aan de Elbe gebracht. Kort daarop ontmoette ik Käthe. Zij had sinds december 1936 in het concentratiekamp in Moringen gezeten, maar toen dat gesloten werd, kwam zij samen met veel andere zusters naar Lichtenburg. Mijn vader was ook gedetineerd, en ik zag hem pas weer in 1945.

In Lichtenburg

Ik mocht mij niet meteen bij de andere vrouwelijke Getuigen voegen, omdat die voor het een of ander gestraft werden. In een van de zalen zag ik twee groepen gevangenen — vrouwen die merendeels aan tafels zaten en de Getuigen, die de hele dag op krukken moesten zitten en geen eten kregen.b

Gewillig aanvaardde ik iedere werktoewijzing, in de hoop Käthe ergens tegen te komen. En dat is precies wat er gebeurde. Zij was met twee andere gevangenen op weg naar haar werk toen onze wegen elkaar kruisten. Overgelukkig omhelsde ik haar stevig. Maar de bewaakster gaf ons onmiddellijk aan. Wij werden verhoord en van die tijd af werden wij opzettelijk uit elkaar gehouden. Dat was buitengewoon moeilijk te verdragen.

Twee andere voorvallen in Lichtenburg staan onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift. Bij één gelegenheid moesten alle gevangenen op de binnenplaats bijeenkomen om naar een van Hitlers politieke radioredes te luisteren. Wij als Jehovah’s Getuigen weigerden, omdat er patriottische ceremoniën bij betrokken waren. Daarom richtten de bewakers de brandslangen op ons en bespoten ons met de krachtige waterstraal uit een brandkraan, en joegen ons weerloze vrouwen van de vierde verdieping naar beneden, de binnenplaats op. Daar moesten wij doornat blijven staan.

Bij een andere gelegenheid kreeg ik samen met Gertrud Oehme en Gertel Bürlen bevel het hoofdkwartier van de commandant met lichtjes te versieren omdat Hitlers verjaardag naderde. Wij weigerden, want wij doorzagen Satans tactiek om te proberen ons zover te krijgen dat wij door compromissen in kleine dingen onze rechtschapenheid zouden verbreken. Voor straf moesten wij jonge zusters elk de volgende drie weken alleen in een kleine donkere cel doorbrengen. Maar Jehovah bleef dicht bij ons en bleek zelfs in een zo verschrikkelijk oord een toevlucht te zijn.

In Ravensbrück

In mei 1939 werden de gevangenen van Lichtenburg overgeplaatst naar het concentratiekamp Ravensbrück. Daar werd ik, samen met een aantal andere Getuigen-zusters, aan de wasserij toegewezen. Kort na het uitbreken van de oorlog moesten wij de hakenkruisvlag ophalen, hetgeen wij weigerden. Het gevolg was dat twee van ons, Mielchen Ernst en ik, in het strafblok werden geplaatst. Dat was een van de zwaarste vormen van straf en betekende dat wij iedere dag, zelfs op zondag, en onder alle weersomstandigheden, zwaar werk moesten verrichten. Normaal gesproken was de maximumstraf drie maanden, maar wij zijn daar een jaar gebleven. Zonder Jehovah’s hulp zou ik het nooit overleefd hebben.

In 1942 werden de omstandigheden voor ons gevangenen iets verlicht en werd ik als huishoudster toegewezen aan een SS-gezin niet ver van het kamp. Het gezin liet mij een zekere mate van vrijheid. Toen ik bijvoorbeeld eens met de kinderen een wandeling maakte, kwam ik Josef Rehwald en Gottfried Mehlhorn, twee gevangenen met een paarse driehoek, tegen en kon ik enkele woorden van aanmoediging met hen uitwisselen.c

Moeilijke naoorlogse jaren

Toen in 1945 de geallieerde troepen dichterbij kwamen, vluchtte het gezin waarvoor ik werkte, en ik moest met hen mee. Samen met andere SS-gezinnen vormden zij een lange colonne die in westelijke richting trok.

De laatste paar dagen van de oorlog waren chaotisch en vol gevaren. Ten slotte kwamen wij enkele Amerikaanse soldaten tegen, die mij toestonden mij in de volgende stad als vrij mens in te schrijven. En wie trof ik daar? Josef Rehwald en Gottfried Mehlhorn. Zij hadden vernomen dat alle Getuigen uit het concentratiekamp in Sachsenhausen na een dodenmars vol gevaren Schwerin hadden bereikt. Met ons drieën vertrokken wij daarom naar die stad, zo’n 75 kilometer van ons vandaan. Wat een vreugde was het weerzien in Schwerin met al die getrouwe broeders, die de concentratiekampen hadden overleefd, onder wie Konrad Franke.

Tegen december 1945 was de situatie in het land in zoverre verbeterd dat ik per trein kon reizen. Dus ging ik op weg naar huis! Maar ik moest de reis deels liggend op het dak van de treinwagon en deels staande op de treeplank afleggen. In Chemnitz begaf ik mij van het station naar de plek waar wij als gezin hadden gewoond. Maar in de straat waar nazi-agenten vroeger „Hier wonen verraders!” hadden staan schreeuwen, stond geen enkel huis meer. De hele woonwijk was volledig platgebombardeerd. Tot mijn opluchting vond ik Moeder, Vader, Käthe en mijn broers en zusters echter levend en wel terug.

De economische toestand in het naoorlogse Duitsland was een verschrikking. Niettemin begonnen overal in Duitsland gemeenten van Gods volk te gedijen. Het Wachttorengenootschap deed al het mogelijke om ons toe te rusten voor de prediking. Het werk op Bethel in Maagdenburg, dat de nazi’s hadden gesloten, werd hervat. In de lente van 1946 werd ik uitgenodigd daar te komen werken en werd ik aan de keuken toegewezen.

Nogmaals onder verbodsbepalingen en in verzekerde bewaring

Maagdenburg ligt in dat deel van Duitsland dat onder de communisten kwam te staan. Op 31 augustus 1950 verboden zij ons werk en sloten Bethel in Maagdenburg. Zo eindigde mijn Betheldienst, die een tijd van waardevolle opleiding had betekend. Ik keerde naar Chemnitz terug, vastbesloten zelfs onder de communisten stevig vast te houden aan de waarheid en Gods koninkrijk te verkondigen als de enige hoop voor de gekwelde mensheid.

In april 1951 reisde ik met een broeder naar Berlijn om exemplaren van De Wachttoren op te halen. Bij terugkeer ontdekten wij tot onze ontsteltenis dat het station in Chemnitz door burgerpolitie omsingeld was. Zij wachtten ons kennelijk op, en wij werden ter plekke gearresteerd.

Toen wij in het huis van bewaring aankwamen, had ik documenten bij mij die bewezen dat ik verscheidene jaren door de nazi’s gevangen gehouden was. Dit had tot gevolg dat de bewakers mij met respect behandelden. Een van de hoofdbewaaksters zei: „Jullie Jehovah’s Getuigen zijn geen misdadigers, jullie horen niet in de gevangenis.”

Op een keer kwam zij mijn cel in, waar ik met twee andere zusters zat, en legde stilletjes iets onder een van de bedden. Wat was het? Haar eigen bijbel, die zij ons liet houden. Bij een andere gelegenheid zocht zij mijn ouders thuis op, die niet ver van de gevangenis woonden. Zij kreeg exemplaren van De Wachttoren en wat voedsel mee, verborg het allemaal op haar lichaam en smokkelde alles mijn cel in.

Er is nog iets anders waar ik graag aan terugdenk. Soms zongen wij op zondagmorgen onze theocratische liederen zo luid dat de andere gevangenen na ieder lied applaudisseerden.

Sterkte en hulp van Jehovah

Tijdens de rechtszitting op 4 september 1951 maakte de rechter de opmerking die aan het begin van dit artikel staat. Ik diende mijn gevangenisstraf uit in Waldheim, vervolgens in Halle en ten slotte in Hoheneck. Een of twee kleine voorvallen zullen aantonen hoe God voor ons als Jehovah’s Getuigen een toevlucht en sterkte was en hoe zijn Woord ons kracht gaf.

In de gevangenis in Waldheim kwamen alle Getuigen-zusters geregeld in één zaal bij elkaar, zodat wij christelijke vergaderingen konden houden. Potlood en papier mochten wij niet hebben, maar enkele zusters namen een paar lappen en slaagden erin een spandoekje te maken waarop de jaartekst voor 1953 stond, die luidde: „Aanbidt Jehovah in heilige opstelling en kledij.” — Psalm 29:2, American Standard Version.

Een van de bewaaksters betrapte ons op heterdaad en gaf ons onmiddellijk aan. De directeur van de gevangenis kwam en beval twee van onze zusters het spandoek omhoog te houden. „Wie heeft dit gemaakt?”, moest hij weten. „Wat heeft dat te betekenen?”

Een van de zusters wilde bekennen en de schuld voor ons op zich nemen, maar wij fluisterden haastig onder elkaar en waren het erover eens dat de verantwoordelijkheid door ons allemaal gedragen diende te worden. Daarom antwoordden wij: „Wij hebben het gemaakt om ons geloof te sterken.” Het spandoek werd in beslag genomen en wij kregen voor straf geen eten. Maar tijdens het hele gesprek hielden de zusters het spandoek omhoog zodat wij de aanmoedigende schriftplaats in onze geest konden prenten.

Toen de vrouwengevangenis in Waldheim gesloten werd, werden wij zusters naar Halle overgebracht. Daar mochten wij pakjes ontvangen, en wat zat er in een paar pantoffels genaaid die mijn vader mij stuurde? Wachttoren-artikelen! Ik kan mij de artikelen met de titels „Ware liefde is praktisch” en „Leugens leiden tot het verlies van leven” nog herinneren. Deze en andere artikelen vormden ware delicatessen, en als wij ze in het geheim aan elkaar doorgaven, maakte ieder voor zich er aantekeningen van.

Tijdens een doorzoeking vond een van de bewaaksters mijn persoonlijke aantekeningen, die in mijn stromatras verborgen zaten. Later riep zij mij bij zich voor verhoor en zei dat zij beslist de betekenis wilde weten van het artikel „De vooruitzichten voor 1955 voor hen die Jehovah vrezen”. Zij was als communiste diep verontrust geweest over de dood van haar leider, Stalin, in 1953, en de toekomst zag er somber uit. Voor ons zou de toekomst enige verbetering in onze gevangenisomstandigheden brengen, maar dat wist ik toen nog niet. Vol vertrouwen legde ik uit dat de vooruitzichten voor Jehovah’s Getuigen opperbest waren. Waarom? Ik citeerde de thematekst van het artikel, Psalm 112:7: „Hij zal niet bevreesd zijn voor onheilstijdingen; zijn hart is onwankelbaar, vertrouwend op Jehovah.” — AS.

Jehovah blijft mijn toevlucht en sterkte

Na een ernstige ziekte werd ik twee jaar voor het einde van mijn straftijd, in maart 1957, vrijgelaten. De Oostduitse ambtenaren zetten mij opnieuw onder druk wegens mijn activiteiten in Jehovah’s dienst. Daarom nam ik op 6 mei 1957 de gelegenheid te baat om naar West-Berlijn te ontkomen, en van daar uit begaf ik mij naar West-Duitsland.

Het heeft enige jaren geduurd voordat ik mijn fysieke gezondheid terug had. Maar tot op de huidige dag heb ik nog een gezonde geestelijke eetlust en zie ik uit naar iedere nieuwe uitgave van De Wachttoren. Van tijd tot tijd onderzoek ik mijzelf. Ben ik nog geestelijk gezind? Heb ik voortreffelijke hoedanigheden aangekweekt? Is de beproefde hoedanigheid van mijn geloof een reden tot lof en eer aan Jehovah? Het is mijn doel God in alle dingen te behagen, zodat hij voor eeuwig mijn toevlucht en sterkte blijft.

[Voetnoten]

a Het „Photo-Drama” bestond uit dia’s en bewegende beelden en werd vanaf 1914 door vertegenwoordigers van de Watch Tower Bible and Tract Society op heel veel plaatsen in de wereld vertoond.

b Het tijdschrift Trost (Vertroosting), dat door het Wachttorengenootschap in Bern (Zwitserland) werd uitgegeven, berichtte in de uitgave van 1 mei 1940, op blz. 10, dat bij één gelegenheid de vrouwelijke Jehovah’s Getuigen in Lichtenburg veertien dagen lang geen middagmaal kregen omdat zij weigerden een eresaluut te brengen als er nazi-liederen werden gespeeld. Er zaten daar 300 getuigen van Jehovah.

c In de Ontwaakt! van 8 februari 1993, blz. 20-23, is de levensgeschiedenis van Josef Rehwald verschenen.

[Illustratie op blz. 26]

Het SS-kantoor in Ravensbrück

[Verantwoording]

Boven: Stiftung Brandenburgische Gedenkstätten

[Illustratie op blz. 26]

Mijn pasje om buiten het kamp te kunnen werken

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen