Jehovah is mijn toevlucht geweest
ZOALS VERTELD DOOR PENELOPE MAKRIS
Mijn moeder verzocht mij dringend: „Ga weg bij je man; je broers zullen een betere voor je vinden.” Waarom zou mijn liefdevolle moeder willen dat ik mijn huwelijk beëindigde? Wat had haar zo van streek gemaakt?
IK BEN in 1897 in het dorpje Ambelos, op het Griekse eiland Sámos, geboren. De leden van ons gezin waren vrome leden van de Grieks-Orthodoxe Kerk. Vader stierf kort voor mijn geboorte, en Moeder, mijn drie broers en ik moesten hard werken om te midden van de vreselijke armoede in die dagen het hoofd boven water te houden.
In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit, en kort daarna werden mijn twee oudere broers opgeroepen voor militaire dienst. Maar om hier onderuit te komen, emigreerden zij naar Amerika, terwijl zij mij en mijn andere broer thuis bij Moeder achterlieten. Enkele jaren later, in 1920, trouwde ik met Dimitris, een jonge onderwijzer in ons dorp.
Een belangrijk bezoek
Kort na mijn huwelijk kwam de broer van mijn moeder uit Amerika over om ons een bezoek te brengen. Hij bleek een van de delen van Studies in the Scriptures, geschreven door Charles Taze Russell, bij zich te hebben. Het was een publikatie van de Bijbelonderzoekers, nu bekend als Jehovah’s Getuigen.
Toen Dimitris het boek opensloeg, merkte hij een onderwerp op waarover hij reeds als kind vragen had gehad: „Wat gebeurt er met de mens wanneer hij sterft?” Op de middelbare school had hij een Grieks-orthodoxe theoloog over dit onderwerp vragen gesteld, maar hij had geen bevredigend antwoord gekregen. De duidelijke en logische uitleg in de publikatie beviel hem zozeer, dat hij onmiddellijk naar het dorpskoffiehuis ging, waar de mannen in Griekenland gewoonlijk bijeenkomen, om daar te vertellen wat hij uit de bijbel had geleerd.
Ons standpunt voor de bijbelse waarheid
Omstreeks deze tijd — in het begin van de jaren ’20 — was Griekenland weer in een oorlog gewikkeld. Dimitris werd onder de wapenen geroepen en naar het Turkse vasteland, in Klein-Azië, gezonden. Hij raakte gewond en werd naar huis gestuurd. Na zijn herstel vergezelde ik hem naar Smyrna, Klein-Azië (nu Izmir, Turkije). Toen de oorlog in 1922 plotseling eindigde, moesten wij vluchten. Wij ontkwamen maar ternauwernood op een zwaarbeschadigde boot die naar Sámos ging. Toen wij thuiskwamen, knielden wij en dankten God — een God die wij nog steeds nauwelijks kenden.
Dimitris kreeg kort daarna een aanstelling als onderwijzer op een school in Vathy, de hoofdstad van het eiland. Hij bleef de lectuur van de Bijbelonderzoekers lezen, en op een regenachtige avond brachten twee van hen, afkomstig van het eiland Chios, ons een bezoek. Zij waren uit Amerika teruggekomen om als colporteurs, zoals volle-tijdevangeliepredikers destijds werden genoemd, dienst te doen. Wij verleenden hun die nacht onderdak en zij bespraken vele dingen betreffende Gods voornemens met ons.
Daarna zei Dimitris tegen mij: „Penelope, ik besef dat dit de waarheid is, en ik moet deze weg inslaan. Dit betekent dat ik niet meer in de Grieks-orthodoxe kerk kan zingen en dat ik niet meer met de schoolkinderen de kerkdiensten kan bijwonen.” Hoewel onze kennis van Jehovah beperkt was, was ons verlangen om hem te dienen, sterk. Ik antwoordde daarom: „Ik zal je geen strobreed in de weg leggen. Ga gerust je gang.”
Toen zei hij enigszins aarzelend: „Ja, maar als onze handelwijze algemeen bekend wordt, zal ik mijn baan verliezen.”
„Dat geeft niet,” zei ik, „komen alle mensen aan de kost als onderwijzer? Wij zijn jong en sterk, en met Gods hulp kunnen wij ander werk vinden.”
Omstreeks deze tijd vernamen wij dat er nog een Bijbelonderzoeker — ook een colporteur — naar Sámos was gekomen. Toen wij hoorden dat hij geen toestemming van de politie had ontvangen om een openbare bijbellezing te houden, gingen wij op zoek naar hem. Wij vonden hem in een winkel waar hij met twee Grieks-orthodoxe theologen sprak. In verlegenheid gebracht omdat zij hun geloof niet aan de hand van de bijbel konden verdedigen, gingen de theologen al gauw weg. Mijn man, onder de indruk van de kennis van de colporteur, vroeg: „Hoe komt het dat u zo goed met de bijbel overweg kunt?”
„Wij bestuderen de bijbel systematisch”, antwoordde hij. Hij opende zijn tas, nam het studieboek De Harp Gods eruit en liet ons zien hoe dit boek bij zo’n studie gebruikt kon worden. Wij wilden zo graag meer leren dat mijn man en ik, de colporteur en twee andere mannen de winkelier onmiddellijk naar zijn huis vergezelden. De colporteur gaf ieder van ons een exemplaar van De Harp Gods en wij begonnen meteen te studeren. Wij gingen tot ver na middernacht met onze studie door, en toen, tegen het aanbreken van de dag, begonnen wij de liederen te leren die door de Bijbelonderzoekers werden gezongen.
Vanaf die tijd begon ik een paar uur per dag de bijbel te bestuderen. Bijbelonderzoekers uit het buitenland bleven ons van bijbelstudiehulpmiddelen voorzien. In januari 1926 droeg ik mij in gebed aan God op en beloofde plechtig om onvoorwaardelijk zijn wil te doen. Later, die zomer, symboliseerden mijn man en ik onze opdracht door de waterdoop. Wij hadden het krachtige verlangen om de dingen die wij leerden aan anderen te vertellen en daarom begonnen wij met behulp van het traktaat Message of Hope aan de van-huis-tot-huisbediening deel te nemen.
Hevige tegenstand verduren
Op zekere dag kreeg ik bezoek van een jonge vrouw die mij voor een kerkdienst in een kleine Grieks-orthodoxe kapel uitnodigde. „Ik aanbid God niet langer op die manier”, legde ik uit. „Nu aanbid ik hem met geest en waarheid, zoals de bijbel leert” (Johannes 4:23, 24). Zij was geschokt en bazuinde het gebeurde overal uit, terwijl zij ook mijn man erin betrok.
Vrijwel iedereen begon tegenstand te bieden. Nergens konden wij rust vinden — niet in ons huis en ook niet op de vergaderingen die wij met de paar geïnteresseerden op het eiland hielden. Op instigatie van de orthodoxe priesters ontstond buiten onze vergaderplaats een oploop van gepeupel dat stenen gooide en ons beledigingen toeriep.
Toen wij het traktaat Message of Hope verspreidden, liepen kinderen rondom ons te hoop die „Millenaristen” en andere denigrerende woorden schreeuwden. De collega’s van mijn man begonnen het hem ook moeilijk te maken. Eind 1926 moest hij voor de rechter verschijnen. Hij werd ervan beschuldigd ongeschikt te zijn voor de positie van openbare-schoolonderwijzer en kreeg vijftien dagen gevangenisstraf.
Toen Moeder dit te weten kwam, gaf zij mij de raad mijn man te verlaten. „Luister, lieve moeder,” antwoordde ik, „u weet net zo goed als ik hoezeer ik u liefheb en respecteer. Maar ik kan u eenvoudig niet tussen ons en onze aanbidding van de ware God, Jehovah, laten komen.” Zij ging bitter teleurgesteld naar haar dorp terug.
In 1927 werd er in Athene een congres van de Bijbelonderzoekers gehouden, en Jehovah opende voor ons de weg er aanwezig te zijn. Wij waren dolgelukkig en werden geestelijk opgebouwd door met tientallen medegelovigen bijeen te komen. Toen wij op Sámos terug waren, verspreidden wij in de steden en dorpen van ons eiland 5000 exemplaren van het traktaat A Testimony to the Rulers of the World.
Omstreeks die tijd kreeg Dimitris ontslag als onderwijzer, en wegens het vooroordeel dat tegen ons bestond, was het bijna onmogelijk werk te vinden. Maar omdat ik kon naaien en Dimitris een bekwaam huisschilder was, konden wij genoeg verdienen om de eindjes aan elkaar te knopen. In 1928 werden mijn man en de vier andere christelijke broeders op Sámos tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat zij het goede nieuws predikten. Aangezien ik de enige Bijbelonderzoeker was die op vrije voeten was, kon ik hun in de gevangenis van voedsel voorzien.
De strijd tegen ernstige ziekten
Op een gegeven moment kreeg ik tuberculeuze spondylitis, een destijds onbekende chronische ziekte. Ik verloor mijn eetlust en had voortdurend hoge koorts. De behandeling hield in dat ik van mijn nek tot mijn dijen in het gips moest. Om het financieel te redden, verkocht mijn man een stuk land opdat ik de therapie kon voortzetten. Intens verdrietig bad ik God elke dag om kracht.
Wanneer familieleden mij bezochten, wakkerden zij de vlammen van tegenstand voortdurend aan. Moeder zei dat wij al deze moeilijkheden ondervonden omdat wij van religie veranderd waren. Niet in staat mij te verroeren, doordrenkte ik mijn kussen met tranen terwijl ik onze hemelse Vader smeekte mij geduld en moed te geven om te kunnen volharden.
Op een tafeltje naast mijn bed had ik mijn bijbel en een voorraadje brochures en traktaten voor bezoekers. Het was een zegen dat de vergaderingen van onze kleine gemeente bij ons thuis werden gehouden, want zo kon ik geregeld geestelijke aanmoediging ontvangen. Wij moesten nog een stuk land verkopen om de medische behandeling van een dokter in Athene te kunnen bekostigen.
Kort daarna kwam de reizende opziener bij ons op bezoek. Hij had met ons te doen toen hij mij in deze toestand en Dimitris zonder werk aantrof en was zo vriendelijk er regelingen voor te treffen dat wij in Mytiléne, op het eiland Lésbos, konden gaan wonen. Wij verhuisden in 1934 en Dimitris kon er werk vinden. Er waren daar ook fantastische christelijke broeders en zusters die mij tijdens mijn ziekte verzorgden. Geleidelijk aan, na vijf jaar behandeld te zijn, was ik helemaal hersteld.
Maar in 1946, kort na de Tweede Wereldoorlog, werd ik opnieuw ernstig ziek. Deze keer had ik tuberculeuze peritonitis. Ik heb vijf maanden met hoge koorts en vreselijke pijnen het bed moeten houden. Maar net als voorheen hield ik er niet mee op met mijn bezoekers over Jehovah te praten. Na verloop van tijd werd ik weer gezond.
Ondanks tegenstand pionieren
In de naoorlogse jaren hadden Jehovah’s Getuigen in Griekenland met niet-aflatende tegenstand te maken. Wij werden tijdens de van-huis-tot-huisbediening tientallen keren gearresteerd. Mijn man heeft in totaal bijna een jaar in de gevangenis doorgebracht. Wanneer wij de deur uitgingen voor de bediening, hielden wij er gewoonlijk rekening mee dat wij de nacht in een cel op het politiebureau zouden doorbrengen. Toch heeft Jehovah ons nooit in de steek gelaten. Hij heeft ons altijd de nodige moed en kracht gegeven om te volharden.
In de jaren ’40 las ik in de Informateur (nu Onze Koninkrijksdienst) over de voorziening van de vakantiepioniersdienst. Ik besloot te proberen een aandeel te hebben aan deze tak van dienst, hetgeen inhield 75 uur per maand aan de bediening te besteden. Als resultaat hiervan namen mijn nabezoeken en bijbelstudies toe — een tijdlang leidde ik wekelijks zeventien studies. Ik bouwde ook een tijdschriftenroute op in de zakenwijk van Mytiléne, waar ik geregeld ongeveer 300 exemplaren van De Wachttoren en Ontwaakt! bezorgde bij winkels, kantoren en banken.
Toen een reizende opziener in 1964 onze gemeente bediende, zei hij: „Zuster Penelope, ik zag op je verkondigerskaart dat je zulke schitterende resultaten in je bediening hebt. Waarom vul je niet een aanvraag voor de gewone pioniersdienst in?” Ik ben nog altijd dankbaar voor zijn aanmoediging, want ik verheug mij nu al meer dan dertig jaar in de volle-tijddienst.
Een lonende ervaring
In Mytiléne is een dichtbevolkte buurt, Langada genaamd, waar Griekse vluchtelingen woonden. Wij vermeden het daar van huis tot huis te gaan wegens de fanatieke tegenstand die wij er hadden ondervonden. Maar toen mijn man in de gevangenis zat, moest ik door die buurt heen om hem te bezoeken. Op een regenachtige dag nodigde een vrouw mij binnen om te informeren waarom mijn man in de gevangenis zat. Ik legde uit dat het was omdat hij het goede nieuws van Gods koninkrijk predikte en dat hij leed net zoals Christus had geleden.
Na verloop van tijd trof een andere vrouw regelingen dat ik bij haar thuis zou komen. Toen ik kwam, bleek zij in totaal twaalf vrouwen te hebben uitgenodigd. Ik verwachtte eventuele tegenstand, en daarom bad ik God of hij mij wijsheid en moed wilde geven om het hoofd te bieden aan wat er zou kunnen komen. De vrouwen hadden vele vragen en sommige kwamen met tegenwerpingen, maar ik kon schriftuurlijke antwoorden geven. Toen ik opstond om weg te gaan, vroeg de vrouw des huizes mij of ik de volgende dag weer wilde komen. Verheugd accepteerde ik de uitnodiging. Toen een mede-Getuige en ik de volgende dag kwamen, bleken de vrouwen al op ons te wachten.
Daarna werden onze schriftuurlijke besprekingen op een geregelde basis voortgezet, en er werden veel bijbelstudies opgericht. Een aantal van de vrouwen groeide in nauwkeurige kennis, en dat gold ook voor hun respectieve gezinnen. Deze groep vormde later de kern van een nieuwe gemeente van Jehovah’s Getuigen in Mytiléne.
Jehovah is goed voor mij geweest
In de loop der jaren heeft Jehovah de inspanningen van mijn man en mij om Hem te dienen gezegend. Het handjevol Getuigen dat in de jaren ’20 op Sámos was, is uitgegroeid tot twee gemeenten en één groep met in totaal ongeveer 130 verkondigers. En op het eiland Lésbos zijn vier gemeenten en vijf groepen waartoe ongeveer 430 Koninkrijksverkondigers behoren. Mijn man heeft Gods koninkrijk actief bekendgemaakt tot hij in 1977 stierf. Wat is het een voorrecht degenen die wij hebben geholpen nog steeds ijverig in de bediening te zien! Ja, samen met hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen vormen zij een grote schare die Jehovah verenigd dient!
Mijn christelijke dienst, die ik nu al ruim zeventig jaar verricht, is niet zonder problemen verlopen. Toch is Jehovah een onvergelijkelijke vesting geweest. Wegens mijn vergevorderde leeftijd en afnemende gezondheid moet ik het bed houden en kan ik op slechts zeer beperkte schaal prediken. Maar net als de psalmist kan ik tot Jehovah zeggen: „Gij zijt mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik wil vertrouwen.” — Psalm 91:2.
(Zuster Makris stierf toen dit artikel werd voorbereid. Zij had een hemelse hoop.)
[Illustratie op blz. 26]
Met haar man in 1955
[Illustratie op blz. 26]
In januari 1997 zou zuster Makris 100 zijn geworden