Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w95 15/9 blz. 30
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Onderwijzer, onderwijs
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Aangestelde ouderlingen om de kudde Gods te weiden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Bekwaamheid verwerven als leraren in de gemeente
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
w95 15/9 blz. 30

Vragen van lezers

Wat bedoelde de discipel Jakobus toen hij zei: „Niet velen van u moeten leraren worden, mijn broeders, daar gij weet dat wij een zwaarder oordeel zullen ontvangen”? — Jakobus 3:1.

Het was beslist niet zo dat Jakobus christenen ervan wilde weerhouden anderen de waarheid te onderwijzen. In Mattheüs 28:19, 20 gaf Jezus zijn discipelen het gebod: „Maakt discipelen van mensen uit alle natiën, . . . en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb.” Alle christenen dienen derhalve leraren te zijn. De apostel Paulus vermaande de Hebreeuwse christenen omdat zij nog geen leraren waren. Hij schreef: „Ofschoon gij eigenlijk leraren moest zijn met het oog op de tijd, hebt gij wederom iemand nodig die u van het begin af de elementaire dingen van de heilige uitspraken Gods leert.” — Hebreeën 5:12.

Waar sprak Jakobus dan over? Hij doelde op personen met speciale onderwijsvoorrechten in de gemeente. In Efeziërs 4:11 lezen wij: „Hij [Jezus Christus, het Hoofd van de gemeente] heeft sommigen gegeven als apostelen, sommigen als profeten, sommigen als evangeliepredikers, sommigen als herders en leraren.” In de eerste-eeuwse gemeenten waren er net als in deze tijd speciale onderwijsvoorrechten. Het Besturende Lichaam bijvoorbeeld vertegenwoordigt „de getrouwe en beleidvolle slaaf” en heeft de speciale verantwoordelijkheid toezicht te houden op het onderwijzen van de wereldomvattende gemeente (Mattheüs 24:45). Reizende opzieners en gemeenteouderlingen hebben eveneens speciale onderwijsverantwoordelijkheden.

Wilde Jakobus bekwame christelijke mannen zeggen dat zij uit vrees voor een zwaarder oordeel door God de rol van leraar niet dienden te aanvaarden? Beslist niet. Het ambt van ouderling is een groot voorrecht, zoals blijkt uit 1 Timotheüs 3:1, waar staat: „Indien iemand een opzienersambt tracht te verkrijgen, begeert hij een voortreffelijk werk.” Een van de vereisten voor de aanstelling als gemeenteouderling is dat een man „bekwaam [moet zijn] om te onderwijzen” (1 Timotheüs 3:2). Jakobus sprak Paulus’ geïnspireerde woorden niet tegen.

Het schijnt echter dat in de eerste eeuw G.T. sommigen zich als leraren opwierpen, hoewel zij niet de bekwaamheid bezaten en ook niet aangesteld waren. Waarschijnlijk meenden zij dat die rol met een zekere prominentie gepaard ging en verlangden zij naar persoonlijke roem. (Vergelijk Markus 12:38-40; 1 Timotheüs 5:17.) De apostel Johannes noemde Diotrefes, die ’graag de eerste plaats innam, maar niets van Johannes met achting ontving’ (3 Johannes 9). In 1 Timotheüs 1:7 wordt over zekere personen gesproken die ’leraren van de wet wilden zijn maar niet eens de dingen begrepen die zij zeiden noch de dingen waaromtrent zij sterke beweringen deden’. De woorden in Jakobus 3:1 zijn vooral van toepassing op mannen die leraren willen zijn maar de verkeerde beweegreden hebben. Zulke personen zouden de kudde ernstige schade kunnen berokkenen en zouden derhalve een zwaarder oordeel ontvangen. — Romeinen 2:17-21; 14:12.

Jakobus 3:1 is ook een goede vermaning voor degenen die wel de bekwaamheid bezitten en die als leraren dienen. Aangezien hun veel is toevertrouwd, zal er veel van hen verlangd worden (Lukas 12:48). Jezus zei: „De mensen [zullen] van elk nutteloos woord dat zij spreken, rekenschap . . . geven op de Oordeelsdag” (Mattheüs 12:36). Dit geldt vooral voor degenen wier woorden zwaarder wegen, namelijk de aangestelde ouderlingen.

Ouderlingen zullen rekenschap afleggen van de wijze waarop zij met Jehovah’s schapen omgaan (Hebreeën 13:17). Wat zij zeggen, beïnvloedt levens. Daarom dient een ouderling ervoor op te passen zijn eigen meningen te propageren of de schapen slecht te behandelen zoals de Farizeeën deden. Hij moet ernaar streven dezelfde intense liefde aan de dag te leggen die Jezus toonde. In elke onderwijssituatie, en vooral wanneer hij met rechterlijke aangelegenheden te maken heeft, dient een ouderling zijn woorden af te wegen en geen onnadenkende opmerkingen te maken of zuiver persoonlijke ideeën te uiten. Door zich sterk te verlaten op Jehovah, zijn Woord en de richtlijnen die hij via zijn organisatie verschaft, zal de herder Gods rijke zegen ontvangen, geen „zwaarder oordeel”.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen