Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w95 1/9 blz. 22-26
  • „De liefde faalt nimmer”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „De liefde faalt nimmer”
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Er wordt een bijbelstudiegroep gevormd
  • Tegenstand van de geestelijken
  • Onze predikingsactiviteiten
  • De oorlogsjaren
  • De door Jehovah gestelde huwelijksmaatstaf duidelijk gemaakt
  • Dienstvoorrechten
  • Ware liefde faalt nimmer
  • Ik was een verloren zoon
    Ontwaakt! 2006
  • De familie die echt van mij hield
    Ontwaakt! 1995
  • ’Een geringe werd tot duizenden’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Jehovah is mijn vesting
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
w95 1/9 blz. 22-26

„De liefde faalt nimmer”

ZOALS VERTELD DOOR SAMUEL D. LADESUYI

Ik sta versteld wanneer ik op de jaren terugkijk en zie wat er allemaal tot stand is gebracht. Jehovah doet schitterende dingen op heel de aarde. In Ilesha (Nigeria) zijn wij, de paar personen die in 1931 met de prediking zijn begonnen, tot 36 gemeenten uitgegroeid. De ongeveer 4000 verkondigers die er in Nigeria waren toen in 1947 de eerste afgestudeerden van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead aankwamen, zijn uitgegroeid tot meer dan 180.000. Dat er zo’n expansie zou komen, was iets wat wij in die vroege dagen niet hadden verwacht en waarvan wij zelfs niet hadden gedroomd. Wat ben ik dankbaar dat ik een aandeel aan dit prachtige werk heb gehad! Laat ik u erover vertellen.

MIJN vader reisde voor zijn handel in vuurwapens en buskruit van stad tot stad; hij was zelden thuis. Voor zover ik weet, had hij zeven vrouwen, maar die woonden niet allemaal bij hem. Mijn vader had mijn moeder geërfd van zijn broer, die gestorven was. Zij werd zijn tweede vrouw, en ik woonde bij haar.

Op een dag kwam Vader thuis van een bezoek aan zijn eerste vrouw, die in een naburig dorp woonde. Toen hij daar was, vernam hij dat mijn halfbroertje naar school ging. Mijn halfbroertje was tien jaar, net zo oud als ik. Daarom besloot Vader dat ik ook naar school moest. Hij gaf mij negen pennies — drie pennies voor een leerboek en zes pennies voor een lei. Dat was in 1924.

Er wordt een bijbelstudiegroep gevormd

Van mijn prilste jeugd af had ik liefde voor Gods Woord, de bijbel. Ik genoot van de bijbelles op school en werd door mijn zondagsschoolonderwijzers altijd geprezen. Daarom greep ik in 1930 de gelegenheid aan om naar een lezing te gaan die gehouden werd door een Bijbelonderzoeker die op bezoek was, een van de eersten die in Ilesha predikten. Na de lezing verschafte hij mij een exemplaar van het boek De Harp Gods in het Joruba.

Ik was geregeld naar de zondagsschool gegaan. Nu nam ik De Harp Gods mee en gebruikte het boek om sommige van de leerstellingen die daar onderwezen werden te weerleggen. Dat leidde tot debatten, en ik werd door voorgangers van de kerk herhaaldelijk gewaarschuwd deze ’nieuwe leer’ niet te volgen.

Toen ik het jaar daarop eens op straat wandelde, stuitte ik op een groep mensen die naar een man luisterde die een toespraak voor hen hield. Die spreker was J. I. Owenpa, een Bijbelonderzoeker. Hij was daarheen gestuurd door William R. Brown (dikwijls Bijbel-Brown genoemd), die vanuit Lagos het opzicht voerde over de Koninkrijksprediking.a Ik vernam dat er in Ilesha een bijbelstudiegroepje was opgericht om De Harp Gods te bestuderen, en dus sloot ik mij bij hen aan.

Ik was de jongste in de groep — nog maar een schooljongen van een jaar of zestien. Normaal gesproken zou ik verlegen en zelfs bang geweest zijn om zo nauw om te gaan met mannen van in de dertig en ouder. Maar zij waren heel blij mij in hun midden te hebben, en zij moedigden mij aan. Zij waren als vaders voor mij.

Tegenstand van de geestelijken

Weldra kregen wij te maken met ernstige tegenstand van de geestelijken. Katholieken, anglicanen en anderen, die voordien elkaar in de haren gezeten hadden, verenigden zich nu tegen ons. Samen met de plaatselijke hoofden beraamden zij plannen om actie te ondernemen met het doel ons te ontmoedigen. Zij stuurden de politie om onze boeken in beslag te nemen, met de bewering dat ze schadelijk voor het volk waren. Maar de districtscommissaris waarschuwde dat zij niet het recht hadden om beslag op de boeken te leggen, en twee weken later werden ze teruggegeven.

Hierna werden wij ontboden voor een vergadering waar wij de oba, het opperhoofd, aantroffen, alsmede andere prominenten uit de stad. Wij waren destijds ongeveer met ons dertigen. Het was de bedoeling ons van het lezen van de „gevaarlijke” boeken af te brengen. Zij vroegen of wij vreemdelingen waren, maar toen zij aandachtig onze gezichten opnamen, zeiden zij: „Dit zijn onze zonen, hoewel er enkele vreemdelingen onder hen zijn.” Zij deelden ons mee dat zij niet wilden dat wij ermee doorgingen de boeken te bestuderen van een religie die ons kwaad zou berokkenen.

Wij gingen naar huis zonder iets te zeggen, want wij hadden besloten ons niets van die prominenten aan te trekken. De meesten van ons waren heel blij met wat wij geleerd hadden en waren vastbesloten met de studie door te gaan. Dus hoewel enkelen zich lieten intimideren en zich uit onze groep terugtrokken, zetten de meesten van ons onze studie voort in de werkplaats van een timmerman. Een studieleider hadden wij niet. Wij begonnen met gebed en lazen dan gewoon om de beurt de paragrafen van het boek. Na ongeveer een uur baden wij weer en gingen dan naar huis. Maar wij werden bespioneerd, en de hoofden en religieuze leiders bleven ons elke twee weken ontbieden om ons te waarschuwen tegen het bestuderen van de lectuur van de Bijbelonderzoekers.

Intussen probeerden wij het beetje kennis dat wij hadden te gebruiken om de mensen te helpen, en velen stemden met ons in. Eén voor één sloten zich mensen bij ons aan. Wij waren heel blij, maar wij wisten nog steeds niet veel van de religie waarmee wij ons ophielden.

Begin 1932 kwam er een broeder uit Lagos om ons te helpen ons te organiseren, en in april kwam ook „Bijbel”-Brown. Toen broeder Brown zag dat wij een groep van ongeveer dertig personen hadden, informeerde hij hoe ver wij met ons lezen waren gevorderd. Wij vertelden hem alles wat wij wisten. Hij zei dat wij gedoopt konden worden.

Omdat wij in het droge seizoen zaten, moesten wij naar een rivier op veertien kilometer afstand van Ilesha reizen, en ongeveer dertig van ons werden gedoopt. Van toen af aan bezagen wij onszelf als predikers van het Koninkrijk en begonnen van huis tot huis te gaan. Wij hadden niet gedacht dit te zullen doen, maar nu hadden wij het vurige verlangen om wat wij wisten met anderen te delen. Wij moesten ons goed voorbereiden om de valse leerstellingen waar wij op stuitten, aan de hand van de bijbel te kunnen weerleggen. Daarom bespraken wij op onze vergaderingen altijd de leerstellingen en hielpen elkaar met wat wij wisten.

Onze predikingsactiviteiten

Wij bewerkten de hele streek met onze prediking. De mensen bespotten ons en schreeuwden ons na, maar dat vonden wij niet erg. Onze vreugde was groot omdat wij de waarheid hadden, al moesten wij nog veel leren.

Elke zondag gingen wij van huis tot huis. De mensen stelden vragen, en wij probeerden ze te beantwoorden. Op zondagavond hielden wij een openbare toespraak. Wij hadden geen Koninkrijkszaal en daarom hielden wij vergaderingen in de open lucht. Wij brachten mensen bij elkaar, hielden een toespraak en nodigden hen uit vragen te stellen. Soms predikten wij in de kerken.

Wij reisden ook naar gebieden waar de mensen nog nooit van Jehovah’s Getuigen gehoord hadden. Meestal gingen wij op de fiets, maar soms huurden wij een bus. Als wij bij een dorp kwamen, bliezen wij luid op een horen. Het hele dorp hoorde ons dan! De mensen snelden naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Dan spraken wij onze boodschap uit. Na afloop verdrongen de mensen zich om exemplaren van onze lectuur te bemachtigen. Wij verspreidden er hele stapels van.

Vol verlangen zagen wij naar de komst van Gods koninkrijk uit. Ik weet nog dat toen wij het Jaarboek 1935 kregen, een van de broeders bij het zien van het schema van schriftplaatsbesprekingen voor het hele jaar, vroeg: „Betekent dit dat wij nog een heel jaar te gaan hebben voordat Armageddon komt?”

De studieleider gaf ten antwoord: „Denk je broeder, dat als Armageddon morgen komt, wij het Jaarboek niet meer zullen lezen?” Toen de broeder nee antwoordde, zei de leider: „Waarom maak je je dan druk?” Wij zagen, en zien nog steeds, verlangend uit naar Jehovah’s dag.

De oorlogsjaren

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de invoer van onze boeken verboden. Een broeder in Ilesha bood nietsvermoedend het boek Rijkdom aan een politieman aan. Deze vroeg: „Van wie is dit boek?” De broeder zei dat het zijn eigendom was. De agent zei dat het een verboden boek was, bracht hem naar het politiebureau en sloot hem op.

Ik ging naar het politiebureau, en na inlichtingen te hebben ingewonnen, kon ik de broeder op borgtocht vrij krijgen. Toen belde ik broeder Brown in Lagos om hem van het gebeurde op de hoogte te stellen. Ik vroeg ook of er een wet was die de verspreiding van onze boeken verbood. Broeder Brown vertelde mij dat alleen de invoer, en niet de verspreiding van onze boeken verboden was. Drie dagen later stuurde broeder Brown een broeder uit Lagos om te zien wat er gaande was. Deze broeder besloot dat wij de volgende dag allemaal met tijdschriften en boeken in het predikingswerk zouden uittrekken.

Wij verspreidden ons in verschillende richtingen. Na ongeveer een uur kreeg ik te horen dat de meesten van onze broeders gearresteerd waren. Dus togen de broeder die op bezoek was en ik naar het politiebureau. De politie weigerde te luisteren naar onze verklaring dat de boeken niet verboden waren.

De 33 broeders die gearresteerd waren, werden naar de hoogste politierechtbank in Ife gestuurd, en ik ging met hen mee. De mensen van de stad die zagen hoe wij werden afgevoerd, riepen: „Vandaag is het met deze mensen gedaan. Die komen hier niet meer terug.”

De aanklacht werd voorgelegd aan de hoogste politierechter, een Nigeriaan. Alle boeken en tijdschriften werden uitgestald. Hij vroeg wie de politiecommissaris opdracht had gegeven deze mensen te arresteren. De politiecommissaris antwoordde dat hij had gehandeld volgens instructies van de districtscommissaris. De politierechter riep de politiecommissaris en vier van onze vertegenwoordigers, met inbegrip van mij, bij zich in zijn kantoor.

Hij vroeg wie de heer Brown was. Wij vertelden hem dat hij de vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap in Lagos was. Vervolgens vertelde hij dat hij een telegram van de heer Brown had gekregen betreffende ons. Hij verdaagde de zaak en liet de broeders op borgtocht vrij. De volgende dag sprak hij de broeders vrij, ontsloeg hen uit hechtenis en gaf de politie bevel de boeken terug te geven.

Zingend keerden wij naar Ilesha terug. Weer begonnen de mensen te roepen, maar deze keer zeiden zij: „Ze zijn weer terug!”

De door Jehovah gestelde huwelijksmaatstaf duidelijk gemaakt

In 1947 kwamen de eerste drie afgestudeerden van Gilead in Nigeria aan. Een van deze broeders, Tony Attwood, is nog steeds hier en dient op Bethel. Van die tijd af zagen wij grote veranderingen in Jehovah’s organisatie in Nigeria komen. Een van die grote veranderingen was onze zienswijze ten aanzien van polygamie.

Ik was in februari 1941 getrouwd met Olabisi Fashugba en had wel zoveel kennis dat ik er geen andere vrouwen bij nam. Maar totdat in 1947 de zendelingen kwamen, was polygamie in de gemeenten heel gewoon. De polygame broeders kregen te horen dat zij in onwetendheid meer dan één vrouw getrouwd hadden. Dus als zij twee of drie of vier of vijf vrouwen hadden, mochten zij die houden, maar zij dienden er geen meer bij te nemen. Dat was ons beleid.

Veel mensen wilden zich graag bij ons aansluiten, vooral de Cherubim and Seraphim Society in Ilesha. Zij zeiden dat Jehovah’s Getuigen de enige mensen waren die de waarheid leerden. Zij waren het eens met onze leringen en wilden hun kerken in Koninkrijkszalen veranderen. Wij werkten er hard aan om dit tot stand te brengen. Wij hadden zelfs centra om hun ouderlingen op te leiden.

Toen kwamen er nieuwe richtlijnen betreffende polygamie. Een van de zendelingen hield op een kringvergadering in 1947 een lezing. Hij sprak over goed gedrag en goede gewoonten. Vervolgens haalde hij 1 Korinthiërs 6:9, 10 aan, waar staat dat de onrechtvaardigen Gods koninkrijk niet zullen beërven. Toen voegde hij eraan toe: „En de polygamisten zullen Gods koninkrijk niet beërven!” Mensen in de zaal schreeuwden: „O, polygamisten zullen Gods koninkrijk niet beërven!” Er ontstond verdeeldheid. Het leek wel oorlog. Velen van degenen die zich nog maar pas met ons verbonden hadden, trokken zich terug en zeiden: „Goddank dat wij ons nog niet te zeer met deze organisatie ingelaten hebben.”

Maar de meerderheid van de broeders ging ertoe over verandering in hun huwelijkssituatie te brengen door hun vrouwen de vrijheid te geven. Zij gaven hun geld en zeiden: ’Als je nog jong bent, ga dan maar een andere man zoeken. Het was fout van mij met jou te trouwen. Nu moet ik de man van één vrouw zijn.’

Weldra stak een ander probleem de kop op. Na besloten te hebben één bepaalde vrouw aan te houden en de overigen hun vrijheid te geven, veranderden sommigen van gedachten en besloten dat zij een van de andere vrouwen terug wilden nemen en degene die zij eerst aangehouden hadden, weg wilden laten gaan! Dus weer begonnen de moeilijkheden.

Er kwamen verdere richtlijnen van het hoofdbureau in Brooklyn, gebaseerd op Maleachi 2:14, waar gesproken wordt over „de vrouw van uw jeugd”. De richtlijn was dat mannen de eerste vrouw met wie zij getrouwd waren, dienden te houden. Zo werd de kwestie uiteindelijk opgelost.

Dienstvoorrechten

In 1947 begon het Genootschap de gemeenten te versterken en ze in kringen te organiseren. Zij wilden rijpe broeders met gevorderde kennis aanstellen als ’broederdienaren’, thans kringopzieners genoemd. Broeder Brown vroeg mij of ik zo’n aanstelling zou aanvaarden. Ik zei dat de reden waarom ik mij had laten dopen, was dat ik Jehovah’s wil zou doen, en voegde eraan toe: „Je hebt mij nota bene zelf gedoopt. Als er een kans is om Jehovah nu vollediger te dienen, denk je dan dat ik zal weigeren?”

In oktober van dat jaar werden zeven van ons naar Lagos geroepen en kregen een opleiding voordat wij in het kringwerk werden uitgezonden. In die dagen waren de kringen verschrikkelijk groot. Het hele land was opgedeeld in slechts zeven kringen. Er waren maar weinig gemeenten.

Ons werk als broederdienaar was zwaar. Wij liepen elke dag vele kilometers, dikwijls door smoorhete tropische wouden. Elke week moesten wij van het ene dorp naar het andere reizen. Af en toe dacht ik dat mijn benen het begaven. Soms dacht ik dat ik doodging! Maar er was ook heel veel vreugde, vooral omdat wij zagen hoe steeds meer mensen de waarheid aanvaardden. Ja, in slechts zeven jaar tijd verviervoudigde het aantal verkondigers in het land!

Ik heb een aandeel aan het kringwerk gehad tot 1955, toen een slechte gezondheid mij noopte terug te keren naar Ilesha, waar ik als stadsopziener werd aangesteld. Nu ik thuis was, kon ik meer aandacht besteden aan geestelijke hulp voor mijn gezin. Nu dienen mijn kinderen alle zes Jehovah in getrouwheid.

Ware liefde faalt nimmer

Wanneer ik op de jaren terugkijk, heb ik zoveel om dankbaar voor te zijn. Er zijn teleurstellingen geweest, zorgen en ziekte, maar er was ook heel veel vreugde. Hoewel onze kennis en ons begrip in de loop der jaren gegroeid zijn, heb ik door ervaring de betekenis geleerd van 1 Korinthiërs 13:8, waar staat: „De liefde faalt nimmer.” Wanneer wij Jehovah liefhebben en standvastig aan zijn dienst vasthouden, zal hij ons door onze moeilijkheden heen helpen en ons rijkelijk zegenen.

Het waarheidslicht wordt steeds helderder. In de dagen dat wij net begonnen waren, dachten wij dat Armageddon snel zou komen; daarom haastten wij ons om te doen wat wij maar konden. Maar dat alles is heilzaam voor ons geweest. Daarom stem ik in met de woorden van de psalmist: „Ik wil Jehovah loven mijn leven lang. Ik wil melodieën spelen voor mijn God zolang ik er ben.” — Psalm 146:2.

[Voetnoot]

a Broeder Brown werd Bijbel-Brown genoemd wegens zijn gewoonte om altijd op de bijbel als de hoogste autoriteit te wijzen. — Zie „De oogst van een ware evangelist” in De Wachttoren van 1 september 1992, blz. 32.

[Illustratie op blz. 23]

Samuel met Milton Henschel in 1955

[Illustratie op blz. 24]

Samuel met zijn vrouw, Olabisi

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen