Volharding leidt tot vooruitgang
ZOALS VERTELD DOOR JOSÉ MAGLOVSKY
Toen de politieman mij bij de arm greep, keek ik waar mijn vader was. Zonder dat ik het wist, was hij echter al naar het politiebureau gebracht. Toen ik daar aankwam, namen de politieagenten al onze publikaties in beslag, met inbegrip van onze bijbels, en stapelden ze op de vloer op. Toen mijn vader dit zag, vroeg hij: „Legt u zelfs de bijbels op de vloer?” Het hoofd van politie verontschuldigde zich, pakte vervolgens de bijbels en legde ze op tafel.
HOE waren wij op het politiebureau terechtgekomen? Wat hadden wij gedaan? Bevonden wij ons in een atheïstische politiestaat, zodat zelfs de bijbel van ons werd afgepakt? Om deze vragen te beantwoorden, zullen wij terug moeten gaan naar 1925, toen ik nog niet eens geboren was.
In dat jaar verlieten mijn vader, Estefano Maglovsky, en mijn moeder, Juliana, het toenmalige Joegoslavië en emigreerden naar Brazilië, waar zij zich in São Paulo vestigden. Hoewel Vader protestant was en Moeder katholiek, vormde religie geen verdeeldheid veroorzakende factor tussen hen. Tien jaar later gebeurde er zelfs iets waardoor zij in religieus opzicht bij elkaar werden gebracht. Vaders zwager gaf hem een Hongaarse vierkleurenbrochure over de toestand van de doden. Hij had de brochure als geschenk gekregen, en hij vroeg Vader die te lezen en hem zijn mening over de inhoud te geven, vooral over het gedeelte over de „hel”. Pap bracht de hele nacht door met het lezen en herlezen van de brochure, en de volgende dag, toen zijn zwager kwam om zijn mening te horen, verklaarde Vader onomwonden: „Dit is de waarheid!”
Een klein begin
Aangezien het een publikatie van Jehovah’s Getuigen was, gingen beiden naar hen op zoek om meer te weten te komen over hun geloofsovertuigingen en leringen. Toen er eindelijk contact was gelegd, begonnen verschillende leden van onze familie bijbelse besprekingen met de Getuigen. Datzelfde jaar, 1935, werd er een geregelde bijbelstudie in het Hongaars opgericht, met een gemiddelde van acht aanwezigen, en sindsdien hebben wij steeds geregelde bijbelstudies in ons huis gehad.
Na twee jaar bijbelstudie werd Vader in 1937 gedoopt, en hij werd een enthousiaste getuige van Jehovah die deelnam aan de van-huis-tot-huisprediking en tevens als aangestelde dienaar en studieleider dienst verrichtte. Hij hielp bij de oprichting van de eerste gemeente in São Paulo, in de buitenwijk Vila Mariana. De gemeente werd later verplaatst naar het centrum van de stad en kwam bekend te staan als Gemeente Centrum. Tien jaar later werd de tweede gemeente opgericht, in de wijk Ypiranga, en Vader werd daar als gemeentedienaar aangesteld. In 1954 werd een derde gemeente opgericht, in de wijk Moinho Velho, waar hij eveneens als gemeentedienaar dienst verrichtte.
Zodra deze groep sterk genoeg was geworden, ging hij een groep in het nabijgelegen São Bernardo do Campo helpen. Dank zij Jehovah’s zegen op de krachtsinspanningen van deze groepjes Getuigen in de loop der jaren, is de groei fenomenaal geweest, zodat er in 1994 meer dan 70.000 verkondigers in de 760 gemeenten in Gran São Paulo waren. Jammer genoeg heeft Vader niet lang genoeg geleefd om deze groei mee te maken. Hij stierf in 1958 op 57-jarige leeftijd.
Ik streef ernaar Vaders voorbeeld te volgen
Een opvallende eigenschap van mijn vader, alsook van andere rijpe christenen, was zijn gastvrijheid. (Zie 3 Johannes 1, 5-8.) Daardoor hadden wij het voorrecht Antonio Andrade en zijn vrouw en zoon te gast te hebben, die in 1936 samen met broeder en zuster Yuille vanuit de Verenigde Staten naar Brazilië waren gekomen. Ook waren bij ons te gast twee afgestudeerden van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, Harry Black en Dillard Leathco, die in 1945 de eerste aan Brazilië toegewezen zendelingen waren. Vele anderen volgden hen. Deze broeders en zusters vormden een voortdurende bron van aanmoediging voor iedereen in ons gezin. Uit waardering hiervoor en tot nut van mijn gezin heb ik ernaar gestreefd het voorbeeld van mijn vader met betrekking tot de christelijke hoedanigheid gastvrijheid te volgen.
Hoewel ik nog maar negen jaar was toen Vader in 1935 de waarheid leerde kennen, ging ik, als oudste zoon, hem in zijn theocratische activiteiten vergezellen. Wij bezochten allemaal samen met hem de vergaderingen in de Koninkrijkszaal op het bijkantoor van de Getuigen in São Paulo aan de Eça de Queiroz-straat nummer 141. Dank zij het onderwijs en de opleiding van Vader ontwikkelde ik een vurig verlangen om Jehovah te dienen, en in 1940 droeg ik mij aan Jehovah op en symboliseerde dit door middel van de waterdoop in de nu verontreinigde rivier de Tietê, die door het centrum van São Paulo stroomt.
Ik leerde al gauw wat het betekent een geregelde verkondiger van het goede nieuws te zijn, de boodschap van de waarheid in anderen te planten en te begieten en huisbijbelstudies met hen te leiden. Nu ik de duizenden opgedragen getuigen van Jehovah in Brazilië zie, voel ik intense vreugde omdat ik weet dat ik door Hem werd gebruikt om velen van hen te helpen tot een kennis van de waarheid te komen of hun waardering ervoor te verdiepen.
Een van degenen die ik heb geholpen, was Joaquim Melo, die ik in de van-huis-tot-huisbediening heb getroffen. Ik sprak tot drie andere mannen die weliswaar luisterden maar zonder veel belangstelling. Op een gegeven moment zag ik een jonge knaap die bij ons was komen staan en aandachtig luisterde. Toen ik zijn belangstelling opmerkte, richtte ik mijn aandacht op hem en nodigde hem na een goed getuigenis uit voor de gemeenteboekstudie. Hij kwam niet naar de studie maar verscheen wel op de theocratische bedieningsschool en bezocht daarna geregeld de vergaderingen. Hij maakte goede vorderingen, werd gedoopt, en diende jarenlang als reizende opziener, vergezeld door zijn vrouw.
Verder was er Arnaldo Orsi, die ik op mijn werk ontmoette. Ik gaf regelmatig getuigenis aan een collega maar merkte dat een jonge man met baard altijd meeluisterde, dus begon ik rechtstreeks tot hem te spreken. Hij kwam uit een trouw katholiek gezin maar stelde veel vragen over zaken als roken, het kijken naar pornofilms en het beoefenen van de vechtsport judo. Ik liet hem zien wat de bijbel zegt, en ik was blij verrast toen hij mij de volgende dag bij hem thuis uitnodigde om er getuige van te zijn dat hij zijn pijp en aansteker, alsook zijn crucifix brak, zijn pornofilms vernietigde en zijn baard afschoor. In een paar minuten een ander mens! Hij hield ook op met judo en vroeg of hij dagelijks de bijbel met mij kon bestuderen. Ondanks tegenstand van zijn vrouw en zijn vader maakte hij met de hulp van de broeders die in zijn buurt woonden, goede geestelijke vorderingen. Binnen korte tijd werd hij gedoopt en nu dient hij als gemeenteouderling. Zijn vrouw en kinderen hebben eveneens de waarheid aanvaard.
Een aandeel aan de Koninkrijksbediening
Toen ik ongeveer veertien was, ging ik bij een reclamebureau werken, waar ik reclameborden leerde schilderen. Dit bleek heel nuttig te zijn, en jarenlang was ik de enige broeder in São Paulo die werd gebruikt voor het schilderen van de loopborden en spandoeken waarmee openbare lezingen en congressen van Jehovah’s Getuigen werden aangekondigd. Bijna dertig jaar had ik het voorrecht opziener van de afdeling schilderwerk op de congressen te zijn. Ik bewaarde altijd mijn vakantiedagen om op de congressen te kunnen werken en sliep zelfs in de congresfaciliteit om de opschriften op tijd klaar te krijgen.
Ik had ook de gelegenheid met de geluidswagen van het Genootschap te werken, die voor die tijd echt iets nieuws was. Wij zetten onze bijbelse publikaties in een kraampje en terwijl de geluidswagen een opgenomen boodschap uitzond, spraken wij tot de mensen die uit hun huis kwamen om te kijken wat er aan de hand was. Een ander middel dat wij gebruikten om het goede nieuws van het Koninkrijk bekend te maken, was de draagbare grammofoon, en ik heb nog steeds de platen die werden gebruikt om de publikaties van het Genootschap aan te bieden. Als gevolg daarvan werd er veel bijbelse lectuur verspreid.
In die tijd hield de Katholieke Kerk lange processies in de straten van São Paulo, waarbij vaak mannen vooropliepen om de weg vrij te maken. Op een zondag waren Vader en ik op straat De Wachttoren en Ontwaakt! aan het aanbieden toen er een lange processie verscheen. Zoals gewoonlijk had Vader zijn hoed op. Een van de mannen die voor de processie uitliepen, schreeuwde: „Neem uw hoed af! Ziet u niet dat er een processie aankomt?” Toen Vader zijn hoed niet afnam, kwamen er meer mannen, die ons opzij duwden tegen een winkelruit en opschudding veroorzaakten. Dit trok de aandacht van een politieagent, die kwam kijken wat er gaande was. Een van de mannen nam hem bij de arm en wilde hem spreken. „Blijf met uw handen van mijn uniform af!”, beval de politieagent en sloeg de hand van de man van zich af. Toen vroeg hij wat er aan de hand was. De man legde uit dat Vader zijn hoed niet voor de processie afnam en voegde eraan toe: „Ik ben apostolisch rooms-katholiek.” Het onverwachte antwoord luidde: „Zegt u dat u rooms bent? Ga dan terug naar Rome! Dit is Brazilië.” Daarop wendde hij zich tot ons en vroeg: „Wie was hier het eerst?” Toen Vader antwoordde dat wij dat waren, stuurde de politieagent de mannen weg en zei tegen ons dat wij ons werk konden voortzetten. Hij bleef naast ons staan totdat de hele processie voorbij was — en Vaders hoed bleef op!
Zulke incidenten kwamen zelden voor. Maar wanneer ze zich voordeden, was het aanmoedigend te weten dat er mensen waren die in een rechtvaardige behandeling van minderheden geloofden en die niet door het stof gingen voor de Katholieke Kerk.
Bij een andere gelegenheid trof ik een tiener die belangstelling toonde en mij vroeg de week daarop terug te komen. Toen ik terugging, ontving hij mij vriendelijk en nodigde mij binnen. Wat was ik verbaasd toen ik merkte dat ik werd omringd door een bende jongeren die mij bespotten en probeerden te provoceren! De situatie werd erger en ik had het gevoel dat zij mij elk ogenblik konden aanvallen. Ik zei tegen degene die mij had binnengenodigd dat als er iets met mij zou gebeuren, hij alleen verantwoordelijk zou zijn en dat mijn familie wist waar ik was. Ik vroeg hun mij te laten gaan, en dat deden zij. Maar voordat ik wegging, zei ik dat als iemand van hen mij alleen wilde spreken, ik daarvoor open zou staan. Later kwam ik te weten dat zij een groep fanatiekelingen waren, vrienden van de plaatselijke priester, die hen hiertoe had aangezet. Ik was blij dat ik aan hun greep was ontsnapt.
In het begin verliep de vooruitgang in Brazilië natuurlijk langzaam, bijna onmerkbaar. Wij bevonden ons in de beginfase van het „planten”, terwijl er weinig tijd was voor het „kweken” en het „oogsten” van de vruchten van onze arbeid. Wij hielden altijd in gedachte wat de apostel Paulus schreef: „Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God bleef het wasdom geven, zodat noch hij die plant iets is, noch hij die begiet, maar God, die het wasdom geeft” (1 Korinthiërs 3:6, 7). Met de komst van de eerste twee afgestudeerden van Gilead in 1945 voelden wij dat de tijd voor deze langverwachte groei was aangebroken.
Vrijmoedigheid ondanks tegenstand
De groei zou echter niet zonder tegenstand komen, vooral nadat de Tweede Wereldoorlog in Europa was uitgebroken. Er was regelrechte vervolging omdat de mensen in het algemeen en sommige van de autoriteiten ons neutrale standpunt niet begrepen. Bij één gelegenheid, in 1940, toen wij in het centrum van São Paulo met loopborden straatwerk aan het doen waren, benaderde een politieagent mij van achteren, trok de loopborden van mij af en nam mij bij de arm mee naar het politiebureau. Ik keek om mij heen waar mijn vader was, maar hij was nergens te bekennen. Wat ik niet wist, was dat hij en verscheidene andere broeders en zusters, onder wie broeder Yuille, die de leiding over het werk in Brazilië had, al naar het politiebureau waren gebracht. Zoals ik al in de eerste paragraaf beschreef, zag ik Vader daar weer.
Aangezien ik minderjarig was, kon ik niet vastgehouden worden en werd al gauw door een politieagent naar huis gebracht en aan mijn moeder overgedragen. Diezelfde avond werden ook de zusters vrijgelaten. Later besloot de politie alle broeders, ongeveer tien in getal, vrij te laten, behalve broeder Yuille. De broeders hielden echter vol: „Of wij gaan met z’n allen of er gaat niemand.” De politieagenten waren onvermurwbaar, dus brachten alle broeders de nacht samen door in een koude ruimte op een cementen vloer. De volgende dag werden zij allen onvoorwaardelijk vrijgelaten. Verschillende keren werden broeders gearresteerd wegens het getuigenis geven met loopborden. De borden kondigden een openbare lezing aan, alsook een brochure getiteld Fascisme of Vrijheid, en sommige autoriteiten dachten dat dit betekende dat wij voorstanders van het fascisme waren, wat natuurlijk tot misverstanden leidde.
Ook de militaire dienstplicht leverde problemen op voor de jonge broeders. In 1948 was ik de eerste in Brazilië die in verband met deze kwestie werd gevangengezet. De autoriteiten wisten gewoon niet wat zij met mij moesten doen. Ik werd overgeplaatst naar de legerbarakken in Caçapava en moest in de tuin groente planten en verzorgen, alsook de ruimte schoonmaken die de officieren gebruikten om te schermen. Ik had veel gelegenheden om getuigenis te geven en publikaties aan de mannen te verspreiden. De bevelhebbende officier was de eerste die een exemplaar aannam van het boek Kinderen van het Genootschap. Later moest ik zelfs godsdienstles geven aan ongeveer dertig of veertig soldaten die niet konden exerceren en binnen moesten blijven. Uiteindelijk, nadat ik ongeveer tien maanden in de gevangenis had doorgebracht, kwam mijn zaak voor de rechter en werd ik vrijgelaten. Ik ben Jehovah dankbaar dat hij mij de kracht heeft gegeven om het hoofd te bieden aan de dreigementen, vernederingen en spot die ik van sommige mannen daar te verduren kreeg.
Een getrouwe en loyale helpster
Op 2 juni 1951 trouwde ik met Barbara, en sindsdien is zij een loyale en getrouwe metgezellin geweest in het opvoeden en grootbrengen van onze kinderen in „het strenge onderricht en de ernstige vermaning van Jehovah” (Efeziërs 6:4). Vier van onze vijf kinderen dienen Jehovah vreugdevol in verschillende hoedanigheden. Wij hopen dat zij samen met ons in de waarheid zullen volharden en een bijdrage zullen blijven leveren aan de vooruitgang van de organisatie en het werk dat gedaan wordt. Al de familieleden die u op bijgaande foto ziet, zijn opgedragen dienstknechten van Jehovah, behalve de jongste, die nog maar een peuter is. Vier zijn ouderling en twee van hen zijn tevens gewone pionier, waaruit blijkt hoe waar de woorden van Spreuken 17:6 zijn: „De kroon der ouden zijn de kleinzonen, en de luister der zonen zijn hun vaders.”
Nu ben ik 68 jaar en mijn gezondheid is niet zo best. In 1991 moest ik een drievoudige bypass-operatie ondergaan en later gedotterd worden. Maar ik ben blij dat ik als presiderende opziener kan blijven dienen in een gemeente in São Bernardo do Campo en in de voetstappen van mijn vader kan treden, die een van de eersten was die met het werk hier zijn begonnen. Het geslacht waarin wij leven, is beslist uniek omdat wij in de gelegenheid zijn deel te hebben aan het nimmer terugkerende voorrecht de oprichting van Jehovah’s Messiaanse koninkrijk aan te kondigen. Wij mogen dus nooit Paulus’ woorden aan Timotheüs vergeten: „Gij echter . . . doe het werk van een evangelieprediker, volbreng uw bediening ten volle.” — 2 Timotheüs 4:5.
[Illustratie op blz. 23]
Mijn ouders, Estefano en Juliana Maglovsky
[Illustratie op blz. 26]
José en Barbara met leden van hun familie die opgedragen dienstknechten van Jehovah zijn