Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w95 1/1 blz. 20-23
  • Een kostbare schat om met anderen te delen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een kostbare schat om met anderen te delen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het bezielende voorbeeld van Moeder
  • Onze schat op volle-tijdbasis met anderen delen
  • Een doel verwezenlijken
  • Malta en Libië
  • Een nieuwe toewijzing
  • De leprakolonie
  • Geschraagd door de schat
  • Jehovah heeft me geleerd zijn wil te doen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2012
  • Malta’s gastvrijheid werpt zegeningen af
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Het oog en het hart op de prijs gericht houden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Vastbesloten mijn Schepper te blijven dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2005
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
w95 1/1 blz. 20-23

Een kostbare schat om met anderen te delen

ZOALS VERTELD DOOR GLORIA MALASPINA

Toen de kustlijn van Sicilië uit het zicht verdween, begonnen mijn man en ik onze aandacht te concentreren op onze bestemming, het eiland Malta in de Middellandse Zee. Wat een opwindend vooruitzicht! Terwijl het schip de zee overstak, dachten wij aan wat de apostel Paulus in de eerste eeuw op Malta had meegemaakt. — HANDELINGEN 28:1-10.

HET was het jaar 1953, en het predikingswerk van Jehovah’s Getuigen werd toentertijd niet erkend op Malta. Het jaar daarvoor waren wij afgestudeerd van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead en aan Italië toegewezen. Na slechts een korte tijd Italiaans te hebben geleerd, popelden wij om te zien wat ons op Malta te wachten stond.

Hoe kwam het dat ik, een jonge vrouw, een zendelinge in het buitenland werd? Laat ik het eens uitleggen.

Het bezielende voorbeeld van Moeder

In 1926, toen ons gezin in Fort Frances (Ontario, Canada) woonde, nam mijn moeder de brochure Millioenen nu levende menschen zullen nimmer sterven aan van een Bijbelonderzoeker (zoals Jehovah’s Getuigen destijds bekendstonden). Zij las die brochure met intense belangstelling, en nog diezelfde week bezocht zij een groepsbijbelstudie, waarbij De Wachttoren werd gebruikt. Moeder was een enthousiast bijbellezeres en zij aanvaardde de boodschap omtrent Gods koninkrijk als de schat waarnaar zij had gezocht (Mattheüs 6:33; 13:44). Ondanks felle tegenstand van Vader en de zorg voor drie dochtertjes nam zij haar standpunt in voor wat zij leerde.

Moeders onwrikbare geloof in de volgende twintig jaar hielp mij en mijn twee oudere zussen, Thelma en Viola, ons bewust te blijven van de schitterende hoop op eeuwig leven in een nieuwe wereld van rechtvaardigheid (2 Petrus 3:13). Zij moest veel zware beproevingen verduren, maar wij hebben er nooit aan getwijfeld dat de door haar gekozen weg juist was.

In 1931, toen ik nog maar tien was, verhuisden wij naar een boerderij in Noord-Minnesota (VS). Daar waren wij verstoken van geregelde omgang met Jehovah’s Getuigen maar niet van bijbels onderricht van Moeder. Haar toegewijde dienst als colporteuse, of volle-tijdpredikster, heeft mij ertoe aangezet mij in dat werk bij haar aan te sluiten. In 1938 symboliseerden mijn twee zussen en ik onze opdracht aan Jehovah door ons op een grote vergadering in Duluth (Minnesota) te laten dopen.

Toen ik in 1938 van de middelbare school kwam, moedigde Moeder mij aan een handelscursus te volgen, zodat ik mij als pionierster (de nieuwe naam voor colporteuse) zou kunnen bedruipen. Dit bleek een goed advies te zijn, vooral aangezien Vader besloot bij ons weg te gaan en ons aan ons lot overliet.

Onze schat op volle-tijdbasis met anderen delen

Na verloop van tijd verhuisde ik naar Californië, en in 1947 begon ik met het pionierswerk in San Francisco. Terwijl ik meewerkte aan de voorbereidingen voor de „Uitbreiding tot alle natiën”-vergadering in Los Angeles, maakte ik kennis met Francis Malaspina. Ons gemeenschappelijke doel, het zendingswerk, leidde ertoe dat wij een liefdevolle band met elkaar kregen. Wij trouwden in 1949.

In september 1951 werden Francis en ik voor de achttiende klas van Gilead uitgenodigd. Op de graduatiedag, 10 februari 1952, na vijf maanden intensieve opleiding, werden de landen waarheen wij zouden worden uitgezonden, door de president van de school, Nathan H. Knorr, in alfabetische volgorde voorgelezen. Toen hij zei: „Italië, broeder en zuster Malaspina”, waren wij in gedachten al op reis!

Een paar weken later gingen wij in New York aan boord van het schip voor de tiendaagse reis naar Genua (Italië). Giovanni DeCecca en Max Larson van het hoofdbureau in Brooklyn stonden ons op de kade uit te zwaaien. In Genua werden wij opgewacht door zendelingen die bekend waren met de ingewikkelde immigratieprocedures.

Verrukt over alles om ons heen stapten wij op de trein naar Bologna. Bij onze aankomst zagen wij een stad die nog steeds gehavend was door de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog. Maar er waren ook veel aangename dingen, zoals het onweerstaanbare aroma van het branden van koffie waarmee de ochtendlucht werd vervuld en de kruidige geur van heerlijke sauzen die voor de talloze soorten pasta werden bereid.

Een doel verwezenlijken

Wij begonnen in de bediening met een uit het hoofd geleerde aanbieding en wij herhaalden die totdat de boodschap werd aanvaard of de deur werd gesloten. Het verlangen om ons te uiten, zette ons ertoe aan de taal ijverig te studeren. Na vier maanden werden wij aan een nieuw zendelingenhuis in Napels toegewezen.

Deze enorme stad staat bekend om haar schitterende uitzichten. Wij genoten van onze dienst daar, maar na nog eens vier maanden kreeg mijn man het kring- of reizende werk als toewijzing en bezochten wij gemeenten van Rome tot Sicilië. Mettertijd bezochten wij ook Malta en zelfs Libië in Noord-Afrika.

De treinreizen van Napels naar Sicilië waren in die jaren een beproeving op het lichamelijke uithoudingsvermogen. Wij stapten in een afgeladen trein en stonden soms zes tot acht uur lang in overvolle gangpaden. Maar het bood ons een prachtige gelegenheid om de mensen om ons heen te bestuderen. Vaak fungeerde een grote mandfles met zelfgemaakte wijn als zitplaats voor de eigenaar, die af en toe van de inhoud dronk om tijdens de lange reis zijn dorst te lessen. Vriendelijke passagiers boden vaak aan hun brood en salami met ons te delen, een gastvrij en hartverwarmend gebaar dat wij op prijs stelden.

Op Sicilië werden wij opgewacht door broeders die onze koffers de berg op droegen tijdens een gestadige klim van drie en een half uur naar de gemeente op de top. Het hartelijke welkom van onze christelijke broeders en zusters deed ons onze vermoeidheid vergeten. Soms reden wij op muildieren die stevig op hun poten stonden, maar wij keken nooit naar de diepte beneden ons waarin wij door een enkele misstap van het muildier terecht zouden komen. Het krachtige standpunt dat onze broeders en zusters ondanks hun ontberingen innamen voor de bijbelse waarheid, sterkte ons, en de liefde die ons werd betoond, stemde ons dankbaar dat wij bij hen waren.

Malta en Libië

Vol herinneringen aan onze broeders en zusters op Sicilië, voeren wij naar Malta. De apostel Paulus had daar vriendelijke bewoners aangetroffen en dat ondervonden wij eveneens. Een storm in de Sint-Paulusbaai deed ons beseffen wat voor gevaar kleine schepen in de eerste eeuw moesten trotseren (Handelingen 27:39–28:10). Maar wij hadden Libië nog voor de boeg. Hoe zou het ons vergaan in dit Afrikaanse land waar ons werk verboden was?

Opnieuw maakten wij kennis met een totaal andere cultuur. De aanblik en de geluiden van de stad Tripoli trokken mijn aandacht terwijl wij in de door zuilen geflankeerde straten van de binnenstad liepen. Mannen droegen kleding van geweven kameelhaar om zich te beschermen tegen de verzengende hitte van de Sahara overdag en de kou ’s nachts. Wij leerden er begrip en respect voor te hebben hoe mensen zich aanpassen aan de klimatologische omstandigheden van de plaats waar zij wonen.

De omzichtige ijver van de broeders en zusters heeft ons veel geleerd over vertrouwen op Jehovah en over het volgen van de richtlijnen van degenen die weten hoe er onder zulke omstandigheden moet worden gepredikt. Onze christelijke broeders en zusters hadden verschillende nationaliteiten; toch werkten zij eensgezind samen in hun dienst voor Jehovah.

Een nieuwe toewijzing

Wegens de tegenstand die ons predikingswerk ondervond, moesten wij Italië verlaten, maar wij vonden het fijn in 1957 een nieuwe predikingstoewijzing in Brazilië te aanvaarden. Francis en ik pasten ons aan het leven en de gebruiken aan en na acht maanden kreeg Francis een uitnodiging voor het kringwerk. Wij reisden per bus, per vliegtuig en te voet. Het reizen door dit immense, prachtige land was als een aardrijkskundeles.

Onze eerste kring omvatte tien gemeenten in de stad São Paulo, alsook tien stadjes in het binnenland en langs het zuidelijke kustgebied van de staat São Paulo. Er bestonden destijds geen gemeenten in die stadjes. Wij zochten gewoonlijk een logeerplaats, en na ons te hebben geïnstalleerd, gingen wij van huis tot huis met de Koninkrijksboodschap. Wij lieten ook uitnodigingen achter voor de vertoning van een van de leerzame films van het Wachttorengenootschap.

Het was een heel karwei om in de bus te stappen met films, een projector, een transformator, archiefmappen, lectuur, uitnodigingen en benodigdheden om het adres waar de film werd vertoond, handmatig op de uitnodigingen te stempelen. Vergeleken daarmee was onze kleine koffer met kleren niet groot. De projector moesten wij voorzichtig op onze schoot houden opdat het apparaat niet kapot zou schudden door het reizen over oneffen wegen.

Na een plaats te hebben gevonden waar de film kon worden vertoond, gingen wij van deur tot deur en lieten uitnodigingen voor de filmvertoning achter. Soms kregen wij toestemming om de film in een restaurant of in een hotel te draaien. Andere keren spanden wij in de openlucht een laken tussen twee palen. Het dankbare publiek, van wie velen nog nooit een film hadden gezien, stond aandachtig te luisteren terwijl Francis de tekst voorlas. Na afloop verspreidden wij bijbelse lectuur.

Om dorpen te bereiken, reisden wij per bus. Sommige rivieren waren niet door een brug overspannen, dus dan werd de bus op een groot vlot gereden en zo naar de andere kant vervoerd. Wij kregen de raad om uit de bus te stappen en, als wij de bus in de rivier zagen glijden, van de andere kant van het vlot af te springen, zodat wij niet naar beneden zouden worden gezogen. Gelukkig zijn wij nooit een bus aan de rivier kwijtgeraakt — dat was gunstig, vooral aangezien het bekend was dat er vleesetende piranha’s in de rivier zwommen!

Nadat wij in 1958 het internationale congres in New York hadden bezocht, keerden wij naar Brazilië terug, waar wij al gauw het reizende werk hervatten. Ons district strekte zich uit tot de Uruguayaanse grens in het zuiden, Paraguay in het westen, de staat Pernambuco in het noorden, en de Atlantische Oceaan aan de oostzijde van Brazilië.

De leprakolonie

In het midden van de jaren zestig aanvaardden wij een uitnodiging om een van de films van het Genootschap in een leprakolonie te vertonen. Ik moet toegeven dat ik een beetje bang was. Wij wisten weinig van lepra, of melaatsheid, behalve wat wij erover in de bijbel hadden gelezen. Nadat wij het witgeverfde complex waren binnengegaan, werden wij naar een grote gehoorzaal geleid. Er was in het midden een gedeelte met touwen afgezet voor ons en onze uitrusting.

De elektricien die ons hielp, was een veertigjarige bewoner van de kolonie. Hij was zijn handen tot aan de pols kwijtgeraakt en ook enkele andere delen van zijn lichaam, waardoor hij ernstig verminkt was. Ik was in het begin geschokt, maar zijn vrolijke manier van doen en de vaardigheid waarmee hij zijn werk deed, stelde mij op m’n gemak. Wij raakten al gauw over heel wat dingen aan de praat terwijl wij de laatste hand legden aan de noodzakelijke voorbereidingen. Van de duizend melaatsen die in het gebouw woonden, kwamen er ruim tweehonderd. Terwijl zij naar binnen strompelden, merkten wij veel verschillende stadia op van de ziekte waaraan zij leden. Wat was dat een ontroerende, emotionele ervaring voor ons!

Wij dachten aan wat Jezus tegen de melaatse zei die smeekte: „Heer, als u het alleen maar wilt, kunt u mij rein maken.” Jezus raakte de man aan en verzekerde hem: „Ik wil het. Word rein” (Mattheüs 8:2, 3). Na afloop van het programma kwamen velen naar ons toe om ons te bedanken voor onze komst, en hun verminkte lichaam vormde een levend getuigenis van het enorme lijden van de mensheid. Later bestudeerden plaatselijke Getuigen de bijbel met degenen die meer wilden weten.

In 1967 keerden wij wegens enkele ernstige gezondheidsproblemen naar de Verenigde Staten terug. Terwijl wij er nog steeds mee te kampen hadden, kregen wij opnieuw het voorrecht in het kringwerk te dienen. De volgende twintig jaar bracht ik met Francis in het reizende werk in de Verenigde Staten door. In die periode gaf hij tevens les op de Koninkrijksbedieningsschool.

Wat was het voor mij een bron van aanmoediging om een liefdevolle man en trouwe metgezel te hebben die zich van elke toewijzing kweet die hij kreeg! Samen hadden wij het voorrecht de schat van bijbelse waarheid op gedeelten van vier continenten met anderen te delen.

Geschraagd door de schat

In 1950 was Moeder getrouwd met David Easter, een getrouwe broeder die in 1924 was gedoopt. Zij hebben samen vele jaren in de volle-tijddienst gestaan. Maar in de laatste jaren van Moeders leven begon de ziekte van Alzheimer de kop op te steken. Zij had veel verzorging nodig, aangezien haar verstandelijke vermogens door de ziekte werden aangetast. Mijn zussen, die een grote steun waren, namen met David de zware verantwoordelijkheid op zich om voor haar te zorgen, omdat zij niet wilden dat wij onze speciale voorrechten van de volle-tijddienst zouden opgeven. Moeders getrouwe voorbeeld tot haar dood in 1987 is een grote hulp voor ons geweest bij het bepalen van onze levenskoers, en de door haar gekoesterde hoop op een hemelse beloning was ons tot troost.

Tegen 1989 kon ik merken dat Francis niet zo energiek was als vroeger. Wij waren ons er niet van bewust dat schistosomiasis, een ziekte die in veel delen van de wereld heel bekend is, haar tol eiste. In 1990 zegevierde deze meedogenloze vijand, en ik verloor mijn geliefde partner met wie ik meer dan veertig jaar in Jehovah’s dienst had doorgebracht.

Aanpassingen horen bij het leven. Sommige zijn gemakkelijk, en andere moeilijk. Maar Jehovah, de Gever van de kostbare schat van bijbelse waarheid, heeft mij door middel van zijn organisatie en de liefde en aanmoediging van mijn familie geschraagd. Ik ervaar nog altijd voldoening terwijl ik uitzie naar de vervulling van alle onfeilbare beloften van Jehovah.

[Illustratie op blz. 23]

Toen mijn man en ik zendelingen in Italië waren

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen