Gelukkig in een echte wereldwijde broederschap
ZOALS VERTELD DOOR WILLIE DAVIS
In 1934 had de crisis van de jaren dertig de wereld in haar greep en bevonden de Verenigde Staten zich midden in de ellende van de economische beroering. Buiten het Prospect Relief Station in Cleveland (Ohio) waren een politieagent en een overtuigd communist met elkaar slaags geraakt. De agent trok zijn revolver en doodde de communist en een omstander, mijn grootmoeder, Vinnie Williams.
DE COMMUNISTEN grepen deze sterfgevallen aan om ze tot een raciaal incident te maken, omdat mijn grootmoeder zwart was en de politieagent blank. Zij verspreidden vlugschriften met titels als „Racistische Clevelandse politie” en „Wreek deze moorden”. De communisten regelden en verzorgden de begrafenis van mijn grootmoeder. Ik heb een foto van de baardragers — allen blank en allen partijleden. Ieder houdt een gebalde vuist omhoog op de manier die later tot symbool van de Black Power werd gemaakt.
Toen mijn grootmoeder stierf, was haar dochter zwanger van mij, en vier maanden later werd ik geboren. Ik groeide op met een spraakgebrek. Ik kon niet praten zonder te stotteren, zodat mijn vroege schoolonderricht ook spraaklessen omvatte.
Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik vijf jaar was, en mijn zuster en ik werden door onze moeder opgevoed. Op tienjarige leeftijd begon ik na schooltijd kruidenierswaren rond te brengen om in de gezinskosten bij te dragen. Twee jaar later begon ik zowel voor als na schooltijd te werken en werd ik de belangrijkste kostwinner van het gezin. Toen moeder in het ziekenhuis werd opgenomen en een aantal operaties moest ondergaan, ging ik van school en begon full-time te werken.
Opgenomen in een broederschap
In 1944 liet een van Jehovah’s Getuigen het boek „De Waarheid Zal U Vrijmaken” bij mijn aangetrouwde nicht achter, en ik begon deel te nemen aan de bijbelstudie die bij haar werd opgericht. In datzelfde jaar begon ik de theocratische bedieningsschool in de gemeente Eastside te bezoeken. De schoolopziener, Albert Cradock, had hetzelfde spraakprobleem als ik, maar hij had geleerd het onder de knie te krijgen. Wat was hij een aanmoediging voor mij!
De bewoners van onze buurt waren voornamelijk van Italiaanse, Poolse, Hongaarse en joodse afkomst, en de gemeente bestond uit mensen die tot deze en andere etnische groepen behoorden. Mijn aangetrouwde nicht en ik behoorden tot de eerste Afro-Amerikanen die met deze overigens blanke gemeente verbonden waren, maar de Getuigen hebben nooit van raciaal vooroordeel jegens ons blijk gegeven. Zij hadden mij zelfs geregeld thuis te gast voor een maaltijd.
In 1956 verhuisde ik naar het zuiden van de Verenigde Staten om te dienen waar de behoefte aan bedienaren groter was. Toen ik eens in de zomer voor het districtscongres naar het noorden terugkeerde, zochten veel broeders uit Cleveland mij op en toonden oprechte belangstelling voor mijn activiteiten. Hun zorg leerde mij een belangrijke les: Houd altijd „niet alleen uit persoonlijke belangstelling het oog . . . op uw eigen zaken, maar ook uit persoonlijke belangstelling op die van de anderen”. — Filippenzen 2:4.
Uitgebreide volle-tijdbediening
Na drie jaar als pionier in de volle-tijddienst gepredikt te hebben, werd ik in november 1959 uitgenodigd om op Brooklyn-Bethel, het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in New York, te dienen. Ik kreeg de toewijzing om op de verzendafdeling te werken. Mijn afdelingsopziener, Klaus Jensen, en mijn kamergenoot, William Hannan, die beiden blank waren, werden geestelijke vaders voor mij. Zij hadden ieder bijna veertig jaar op Bethel gediend toen ik arriveerde.
In het begin van de jaren zestig bestond de Bethelfamilie uit ongeveer zeshonderd leden, van wie ongeveer twintig personen Afro-Amerikanen waren. Omstreeks die tijd begonnen in de Verenigde Staten raciale conflicten de kop op te steken en waren de betrekkingen tussen de verschillende rassen gespannen. Toch leert de bijbel dat „God niet partijdig is”, en dat dienen wij ook niet te zijn (Handelingen 10:34, 35). De geestelijke besprekingen die wij elke ochtend aan de Betheltafel hoorden, hadden ten doel ons te sterken in ons besluit Gods kijk op zulke kwesties te aanvaarden. — Psalm 19:7.
Toen ik op Brooklyn-Bethel dienst verrichtte, ontmoette ik Lois Ruffin, een pionierster uit Richmond (Virginia), en wij trouwden in 1964. Wij hadden ons vast voorgenomen in de volle-tijdbediening te blijven, en daarom keerden wij na ons huwelijk naar het zuiden van de Verenigde Staten terug. Eerst dienden wij als speciale pioniers en toen, in 1965, kreeg ik de uitnodiging het kringwerk op me te nemen. In de loop van de volgende tien jaar bezochten wij gemeenten in de staten Kentucky, Texas, Louisiana, Alabama, Georgia, North Carolina en Mississippi.
Onze broederschap op de proef gesteld
Dat waren jaren van grote veranderingen. Voordat wij naar het zuiden verhuisden, waren de rassen gescheiden. Het was de zwarten bij de wet verboden naar dezelfde scholen te gaan, in dezelfde restaurants te eten, in dezelfde hotels te slapen, in dezelfde winkels inkopen te doen of zelfs van dezelfde drinkfonteinen gebruik te maken als de blanken. Maar in 1964 nam het Congres van de Verenigde Staten de wet op de burgerrechten aan, die discriminatie in openbare gelegenheden, met inbegrip van middelen van vervoer, verbood. Er bestond dus niet langer een wettelijke basis voor rassenscheiding.
Nu rees derhalve de vraag: Zouden onze broeders en zusters in puur zwarte en puur blanke gemeenten integreren en liefde en genegenheid voor elkaar tonen, of zouden druk van de zijde van de gemeenschap en diepgewortelde gevoelens uit het verleden hen ertoe brengen zich tegen integratie te verzetten? Het was voor hen een uitdaging om acht te slaan op het schriftuurlijke gebod: „Hebt in broederlijke liefde tedere genegenheid voor elkaar. Neemt de leiding in het betonen van eer aan elkaar.” — Romeinen 12:10.
Zo lang men zich kon heugen, was de overheersende opvatting, vooral in het zuiden, dat zwarten inferieur waren. Deze opvatting was door vrijwel elk facet van de maatschappij, met inbegrip van de kerken, diep in de geest van de mensen gegrift. Het was voor sommige blanken dus niet gemakkelijk om zwarten als hun gelijken te bezien. Ja, het was een tijd van beproeving voor onze broederschap — zowel voor de zwarten als voor de blanken.
Gelukkig werd er over het algemeen uitstekend op de integratie van onze gemeenten gereageerd. Eeuwen van zorgvuldig geïndoctrineerde opvattingen over raciale superioriteit konden niet een, twee, drie worden uitgewist. Toch werd de integratie, toen ze eenmaal op gang was gekomen, heel goed ontvangen door onze broeders en zusters, die in de meeste gevallen blij waren samen te kunnen vergaderen.
Het is interessant dat zelfs niet-Getuigen vaak welwillend stonden tegenover de integratie van onze gemeenten. In Lanett (Alabama) werd bijvoorbeeld aan omwonenden van de Koninkrijkszaal gevraagd of zij er bezwaar tegen hadden dat zwarten de vergaderingen bezochten. Een bejaarde blanke dame schudde de hand van een zwarte broeder en zei: „U kunt gerust naar onze buurt komen en uw God aanbidden zoals u dat wilt!”
Getrouwe broeders in Ethiopië
In 1974 waren wij verrukt een vijf en een halve maand durende zendelingenopleiding op de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in de stad New York te ontvangen. Wij werden daarna toegewezen aan het Afrikaanse land Ethiopië. Haile Selassie, de keizer, was zojuist afgezet en onder huisarrest geplaatst. Omdat ons predikingswerk verboden was, waardeerden wij de hartelijke band met onze christelijke broederschap.
Wij woonden en dienden met velen van degenen die later werden gevangengezet omdat zij aan de ware aanbidding vasthielden. Sommige van onze geliefde vrienden werden zelfs terechtgesteld. Adera Teshome was mijn medeouderling in een gemeente in de hoofdstad van Ethiopië, Addis Abeba.a Na drie jaar gevangengezeten te hebben, werd hij terechtgesteld. Zijn vrouw was natuurlijk diepbedroefd. Wat was het jaren later een vreugde haar stralend van blijdschap terug te zien als een actieve pionierster!
Worku Abebe, nog een getrouwe broeder, werd achtmaal ter dood veroordeeld.b Maar hij heeft zich nooit laten intimideren! Toen ik hem de laatste keer zag, liet hij mij zijn oren zien die door gevangenbewaarders met geweerkolven waren verbrijzeld. Hij grapte dat hij geweerkolven kreeg voor het ontbijt, het middageten en de avondmaaltijd. Hoewel hij nadien is gestorven, hebben de broeders en zusters nog altijd dierbare herinneringen aan hem.
Hailu Yemiru is nog een broeder aan wie ik met grote genegenheid terugdenk.c Hij toonde een voorbeeldige liefde voor zijn vrouw. Zij werd gearresteerd, maar omdat zij hoogzwanger was, vroeg Hailu aan de gevangenisautoriteiten of hij voor haar in de plaats gevangen kon zitten. Later, toen hij weigerde te schipperen ten aanzien van zijn geloof, werd hij terechtgesteld. — Johannes 15:12, 13; Efeziërs 5:28.
Wegens de verslechterende politieke situatie in Ethiopië verhuisden wij in 1976 naar Kenia. Zeven jaar waren wij in de reizende dienst en bezochten broeders en zusters in veel landen van Oost-Afrika — met inbegrip van Kenia, Ethiopië, Soedan, de Seychellen, Oeganda en Tanzania. Ik ben ook verscheidene keren naar Boeroendi en Rwanda geweest als lid van een delegatie die met regeringsfunctionarissen heeft gepraat over de wettelijke registratie van ons werk in die landen.
Het was een genoegen in januari 1992 naar Ethiopië terug te keren om het eerste districtscongres bij te wonen dat daar werd gehouden nadat het verbod op ons werk was opgeheven. Vele van de meer dan 7000 aanwezigen kenden elkaar niet, omdat de broeders en zusters voorheen alleen maar in kleine groepjes hadden vergaderd. De meesten waren elke congresdag twee uur voor de aanvang van het programma aanwezig en bleven tot laat in de avond om van onze liefdevolle broederschap te genieten.
Stambewustzijn overwonnen
Al eeuwenlang bestaat er in Afrika een sterk stambewustzijn. In Boeroendi en Rwanda bijvoorbeeld haten de belangrijkste etnische groepen, de Hutu en de Tutsi, elkaar reeds heel lang. Sinds deze landen in 1962 onafhankelijk zijn geworden van België hebben leden van de twee etnische groepen elkaar geregeld bij duizenden afgeslacht. Wat is het derhalve een vreugde leden van deze etnische groepen die Jehovah’s Getuigen zijn geworden, in vrede met elkaar te zien samenwerken! De oprechte liefde die zij jegens elkaar aan de dag leggen, heeft vele anderen aangemoedigd naar de bijbelse waarheden te luisteren.
Zo hebben ook etnische groepen in Kenia hun onenigheden gehad. Wat een contrast bestaat er in de christelijke broederschap van Jehovah’s volk in Kenia! Men kan mensen van verschillende etnische groepen eensgezind in de Koninkrijkszalen zien aanbidden. Ik heb het genoegen gehad te zien hoe velen van hen zich van hun stammenhaat ontdeden en oprechte liefde voor hun broeders en zusters van andere etnische groepen aan de dag legden.
Blij met onze broederschap
Als ik terugkijk op de vijftig jaar van omgang met Gods organisatie, wordt mijn hart met dankbaarheid jegens Jehovah en zijn Zoon, Jezus Christus, vervuld. Het is werkelijk verbazingwekkend te zien wat zij op aarde tot stand hebben gebracht! Nee, de toestanden zijn niet altijd volmaakt geweest onder Gods volk, en dat zijn ze ook nu niet. Maar er kan niet worden verwacht dat racistische leringen die honderden jaren lang door Satans wereld zijn gepropageerd, zo maar ineens worden uitgewist. Wij zijn per slot van rekening allen onvolmaakt. — Psalm 51:5.
Als ik Jehovah’s organisatie vergelijk met de wereld, loopt mijn hart over van waardering voor onze echte, wereldwijde broederschap. Ik denk nog steeds met grote genegenheid terug aan die broeders in Cleveland, allen blank, die mij in de waarheid hebben opgevoed. En toen ik zag hoe onze broeders en zusters in het zuiden van de Verenigde Staten, zowel blanken als zwarten, hun gevoelens van vooroordeel vervingen door oprechte broederlijke liefde, verheugde dit mijn hart. Toen ik vervolgens naar Afrika ging en persoonlijk zag hoe Jehovah’s Woord stammenhaat kan uitwissen, heeft dit mijn waardering voor onze wereldwijde broederschap nog vergroot.
Ja, koning David uit de oudheid heeft het goed onder woorden gebracht toen hij zei: „Zie! Hoe goed en hoe aangenaam is het als broeders in eenheid te zamen wonen!” — Psalm 133:1.
[Voetnoten]
a De foto’s van Adera Teshome en Hailu Yemiru staan op bladzijde 177 van het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1992; de ervaring van Worku Abebe wordt op bladzijde 178-181 verteld.
b De foto’s van Adera Teshome en Hailu Yemiru staan op bladzijde 177 van het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1992; de ervaring van Worku Abebe wordt op bladzijde 178-181 verteld.
c De foto’s van Adera Teshome en Hailu Yemiru staan op bladzijde 177 van het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1992; de ervaring van Worku Abebe wordt op bladzijde 178-181 verteld.
[Illustratie op blz. 23]
De begrafenis van mijn grootmoeder
[Illustratie op blz. 24]
Tutsi- en Hutu-Getuigen werken vreedzaam samen
[Illustratie op blz. 25]
Met mijn vrouw, Lois