Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w94 1/3 blz. 24-28
  • „De hand van Jehovah” in mijn leven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „De hand van Jehovah” in mijn leven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn beginjaren in de prediking
  • Ons werk in Canada verboden
  • Vele facetten van de volle-tijddienst
  • Onze kinderen in Brazilië grootbrengen
  • Terug naar Canada
  • ’Eerst het koninkrijk zoeken’
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Juiste keuzes hebben geleid tot levenslange zegeningen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
  • Wij ontvingen een doel in het leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Jehovah heeft me van jongs af aan opgeleid
    De Wachttoren – Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2026
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
w94 1/3 blz. 24-28

„De hand van Jehovah” in mijn leven

ZOALS VERTELD DOOR LAWRENCE THOMPSON

OP EEN avond in 1946 zaten mijn vader en ik in de auto naar het noorderlicht te kijken dat langs de hemel danste. Wij spraken erover hoe groots Jehovah is en hoe nietig wij zijn. Wij dachten terug aan gebeurtenissen in de jaren waarin het werk van Jehovah’s Getuigen in Canada verboden was. Vader doordrong mij ervan hoe Jehovah Zijn volk in die jaren had ondersteund en geleid.

HOEWEL ik nog maar dertien jaar was, kon ik de waarheid van wat Vader zei, inzien. Hij bracht mij ook een gevoel bij van de dringendheid en de omvang van het predikingswerk dat nog gedaan moest worden. Vader haalde Numeri 11:23 aan en drukte mij op het hart dat de hand van Jehovah in feite nooit verkort is. Alleen ons gebrek aan geloof en vertrouwen in hem beperkt wat hij voor ons zal doen. Het was een bijzonder waardevol gesprek tussen vader en zoon, een gesprek dat ik nooit zal vergeten.

Ook het bestuderen van Wachttoren-publikaties, vooral het boek Redding, [in het Engels] uitgegeven in 1939, heeft mij al vroeg in mijn leven sterk beïnvloed. Ik zal nooit de aangrijpende illustratie vergeten waarmee het boek begint: „De stroomlijn-expres, zwaar bezet met passagiers, snelde met een vaart van bij de honderdvijftig kilometer zijn bestemming tegemoet. Aan het einde van een scherpe bocht liep de spoorbaan over een brug, die de beide oevers van een in de diepte gelegen rivier verbond, zoodat het voor reizigers, die zich op het achterbalcon van het laatste rijtuig bevonden, mogelijk was, de locomotief te zien. . . . Twee mannen stonden op het achterbalcon . . . [en] zagen . . . dat de laatste boogspanning van de brug in brand stond en reeds een bruggedeelte in de rivier stortte! Oogenblikkelijk drong het tot hen door, dat zij in het grootste gevaar verkeerden. Dat was toch wel een onvoorziene noodtoestand! Zou de trein nog tijdig genoeg kunnen stoppen, om het leven van de talrijke passagiers te kunnen redden?”

Het boek paste de illustratie toe door te concluderen: „Zoo is het ook heden; alle natiën en volken der aarde zien zich voor de grootste catastrophe aller tijden geplaatst. Overeenkomstig God’s bevel zijn zij er voor gewaarschuwd, dat het onheil van Armageddon vlak voor de deur staat. . . . Een ieder, die gewaarschuwd is, moet nu voor zichzelf bepalen, welken weg hij zal volgen.”

De voortsnellende trein, de brandende brug en de dringendheid van het predikingswerk stonden onuitwisbaar in mijn geest gegrift.

Mijn beginjaren in de prediking

Ik begon in 1938, toen ik vijf jaar was, aan de prediking deel te nemen. Henry en Alice Tweed, twee pioniers (volle-tijdbedienaren), namen mij altijd mee, en wij spraken tien tot twaalf uur per dag met mensen. Ik genoot intens van die lange dagen in Jehovah’s dienst. Ik was dan ook opgetogen toen ik het jaar daarop van Vader en Moeder verkondiger mocht worden en mijn activiteit mocht rapporteren.

In die beginperiode namen wij deel aan informatieoptochten, waarbij wij in steden door de hoofdstraat liepen en borden droegen met leuzen die valse religie aan de kaak stelden en Gods koninkrijk verkondigden. Wij gebruikten ook draagbare grammofoons en draaiden bij de huisbewoner op de stoep bijbelse boodschappen af. Wij speelden toespraken af van J. F. Rutherford, de president van het Wachttorengenootschap, waarvan ik sommige uit mijn hoofd kende. Ik hoor hem nog zeggen: „Het is al vaak gezegd: Religie is een valstrik en afpersing!”

Ons werk in Canada verboden

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het werk van Jehovah’s Getuigen in Canada, net zoals dat in nazi-Duitsland en andere landen was gebeurd, verboden verklaard. Wij gebruikten dus alleen de bijbel, maar gingen in gehoorzaamheid aan bijbelse instructies door met ons door God opgedragen werk (Mattheüs 28:19, 20; Handelingen 5:29). Wij leerden berekend te zijn op politie-invallen tijdens onze vergaderingen en bij ons thuis. Ook raakten wij erin bedreven ten overstaan van rechters verklaringen af te leggen en in een kruisverhoor vragen te beantwoorden.

Mijn broer Jim en ik werden experts in het gooien van brochures op stoepen en veranda’s vanuit een rijdend voertuig. Daarnaast traden wij als koeriers op en soms als wachtposten voor degenen die de grens overstaken om een congres in de Verenigde Staten bij te wonen.

Ons huis stond aan de rand van Port Arthur (nu Thunder Bay) in Ontario op ongeveer een hectare grond, omringd door bomen en struiken. Wij hadden een koe, een kalf, varkens en kippen — die allemaal als voortreffelijke camouflage dienden voor onze hulpverlening aan jonge medechristenen die achternagezeten werden om wegens het prediken van Gods koninkrijk gevangengezet te worden.

’s Nachts reden auto’s, vracht- en kampeerwagens met jonge christenen ons afgeschermde erf op en af. Wij boden deze jongeren onderdak en een schuilplaats, vermomden hen, gaven hun te eten en hielpen hen op weg. Mijn vader en moeder waren, samen met die andere vroege werkers, mensen die van ganser harte dienst verrichtten en mijn jonge hart vormden om Jehovah God te dienen en lief te hebben.

In augustus 1941 droeg ik mijn leven aan Jehovah op en werd in een meertje diep in de bossen gedoopt. Enkelen van ons waren voor deze gebeurtenis ’s avonds laat in een met een lantaarn verlichte hut bijeengekomen. De politie, die blijkbaar achterdochtig was, patrouilleerde en speurde het meer de hele tijd met zoeklichten af, maar vond ons niet.

Vele facetten van de volle-tijddienst

In 1951 haalde ik mijn diploma van de middelbare school en legde bijna 1600 kilometer af om een pionierstoewijzing in Cobourg (Ontario) te gaan behartigen. De gemeente was klein en ik had geen pionierspartner. Maar ik hield in gedachte dat Jehovah’s hand niet verkort is en ik huurde een kamer, kookte zelf, en was gelukkig omdat ik Jehovah diende. Het jaar daarop kreeg ik een uitnodiging om op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Toronto te dienen. Daar leerde ik vele waardevolle lessen die mij voor toekomstige Koninkrijksdienst louterden.

Nadat ik meer dan een jaar in Toronto als pionier had gediend, trouwde ik met Lucy Trudeau, en in de winter van 1954 kregen wij een pionierstoewijzing in Levis (Quebec). Het was intens koud, het getreiter door het gepeupel en de politie was intimiderend, en het was een uitdaging om Frans te leren. Al die tijd was Jehovah’s hand nooit verkort, dus hoewel er moeilijke tijden waren, hadden wij ook veel zegeningen.

Ons werd bijvoorbeeld gevraagd twee schepen (de Arosa Star en de Arosa Kulm) te inspecteren die het Genootschap van plan was te gebruiken voor het vervoer van afgevaardigden naar de grote internationale congressen in Europa in 1955. Directeuren van scheepvaartmaatschappijen, die het Genootschap graag als klant wilden hebben, betoonden ons af en toe gastvrijheid, wat een prettige afwisseling vormde met de zware bediening in Quebec in die tijd.

In de herfst van 1955 werd ik uitgenodigd om als reizende opziener te dienen, en wij brachten die winter door met het bezoeken van verafgelegen gemeenten in het ijskoude noorden van Ontario. Het jaar daarop bezochten wij de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in de Verenigde Staten, en daarna werden wij als zendelingen aan Brazilië (Zuid-Amerika) toegewezen.

Wij wierpen ons met hart en ziel op onze nieuwe toewijzing en al gauw konden wij in het Portugees prediken en onderwijzen. Begin 1957 kreeg ik opnieuw de toewijzing als reizende opziener te werken. Nu hadden wij in plaats van de ijzige kou van het noorden met een verzengende hitte te kampen. Menigmaal moesten wij even stoppen en het brandende zand uit onze schoenen verwijderen of suikerriet snijden en erop kauwen om weer op krachten te komen. Maar er waren zegeningen.

In de stad Regente Feijo sprak ik met de commissaris van politie, en hij verordende dat alle winkels werden gesloten en zei dat iedereen naar het stadsplein moest komen. In de schaduw van een bloeiende boom met brede bladeren hield ik voor alle inwoners een bijbelse toespraak. Nu is daar een gemeente van Getuigen.

Onze kinderen in Brazilië grootbrengen

Toen Lucy in 1958 zwanger werd, vestigden wij ons in Juíz de Fora en gingen als speciale pioniers dienen. In de twee jaar daarna werden onze dochters, Susan en Kim, geboren. Zij bleken een ware zegen in de bediening te zijn en werden een bezienswaardigheid in de stad. Als wij hun wandelwagentjes over de straatkeien voortduwden, kwamen de mensen naar buiten om hen te zien. Aangezien de behoefte aan Koninkrijksverkondigers in Recife, net ten zuiden van de evenaar, groot was, verhuisden wij naar die buitengewoon warme plaats.

In 1961 kon ik niet alleen helpen met het regelen van luchttransport voor Getuigen die naar het congres in São Paulo gingen, maar ik kon ook zelf dat gedenkwaardige congres bijwonen. Na twintig minuten vliegen dook het vliegtuig echter plotseling pijlsnel omlaag, en de passagiers werden door de hele cabine geslingerd. In het vliegtuig was het een puinhoop; stoelen waren van hun bevestiging losgerukt, en de passagiers waren bont en blauw en hadden bloedende wonden. Gelukkig was de piloot in staat het vliegtuig uit zijn val te trekken, en wij landden veilig. Wij waren geen van allen zo erg gewond dat wij niet met een ander vliegtuig naar São Paulo konden doorreizen. Wij hadden een geweldig congres, maar ik zei dat ik nooit meer zou vliegen!

Toen ik echter van het congres thuiskwam, lag er een andere toewijzing op mij te wachten. Ik moest diep in het oerwoud in Teresina (de staat Piauí) een congres organiseren. Ik zou daarheen moeten vliegen. Hoe bang ik ook was, ik aanvaardde de toewijzing en vertrouwde op de hand van Jehovah.

In 1962 werd onze zoon, Greg, in Recife geboren. Hoewel ik niet meer kon pionieren omdat ik nu een groeiend gezin had, kon ik een positieve invloed op de kleine gemeente uitoefenen. De kinderen stonden altijd te popelen om met ons mee te gaan in de dienst, want wij maakten de bediening interessant voor hen. Zij konden ieder vanaf hun derde jaar een aanbieding aan de deur doen. Wij maakten er een gewoonte van nooit de vergaderingen of de velddienst over te slaan. Zelfs als er iemand in het gezin ziek was en een ander misschien bij de zieke thuis bleef, ging de rest altijd naar de vergadering of in de velddienst.

In de loop der jaren hebben wij geregeld als gezin de schoolopleiding van de kinderen en hun doeleinden in het leven besproken en hen op een carrière binnen Jehovah’s organisatie voorbereid. Wij zagen er zorgvuldig op toe dat zij niet aan verzwakkende invloeden zoals televisie werden blootgesteld. Wij hadden geen tv in huis totdat de kinderen in de tienerleeftijd waren. En hoewel wij over de financiële middelen beschikten, verwenden wij hen niet met materiële dingen. Wij kochten bijvoorbeeld maar één fiets, die zij met z’n drieën moesten gebruiken.

Wij deden zoveel mogelijk dingen samen: basketballen, zwemmen en gezinsuitstapjes maken. Onze uitstapjes hielden verband met christelijke congressen of bezoeken aan Bethelhuizen in verschillende landen. Tijdens die uitstapjes hadden wij de tijd openhartig met elkaar te praten, zodat Lucy en ik wisten wat er in het hart van onze kinderen leefde. Wij zijn Jehovah heel dankbaar voor die heerlijke jaren!

Uiteindelijk eisten de tien jaar die wij in de tropen rond de evenaar hadden doorgebracht hun tol van Lucy’s gezondheid. Wij waren dan ook blij dat wij een andere toewijzing kregen, in het zachtere klimaat van het zuiden, in Curitiba in de staat Paraná.

Terug naar Canada

In 1977, nadat wij twintig jaar in Brazilië hadden gewoond, gingen Lucy en ik met onze kinderen naar Canada terug om mijn zieke vader te helpen verzorgen. Wat was dat een cultuurschok voor ons gezin! Maar geen schok in geestelijk opzicht, want wij gingen met onze liefdevolle christelijke broederschap in dezelfde routine voort.

In Canada werd de volle-tijdbediening een gezinsaangelegenheid aangezien onze dochters beiden de pioniersdienst op zich namen. Wij leverden allemaal een bijdrage aan onze gezinsonderneming. Al de inkomsten uit deeltijdbanen werden in de huishoudpot gedaan voor het onderhoud van ons huis en van de drie auto’s die nodig waren om ons verspreid liggende gebied te bewerken. Elke week bespraken wij na onze gezinsbijbelstudie onze gezinsplannen. Deze besprekingen hielpen ons allen te bepalen in welke richting wij gingen en wat wij met ons leven deden.

Onze zoon, Greg, had net als zijn oudere zussen de volle-tijdbediening als doel. Vanaf zijn vijfde jaar had hij de wens geuit op een bijkantoor van het Genootschap, Bethel genaamd, te werken. Hij verloor dat doel nooit uit het oog, en na zijn middelbare school te hebben afgemaakt, vroeg hij zijn moeder en mij: „Vinden jullie dat ik me voor Bethel moet opgeven?”

Hoewel het ons aan het hart ging onze zoon te laten gaan, antwoordden wij zonder aarzeling: „Je zult Jehovah’s hand nergens zo sterk voelen als op Bethel — het hart van Jehovah’s organisatie.” Binnen twee maanden ging hij naar het Canadese Bethelhuis. Dat was in 1980, en hij dient daar nog steeds.

De jaren tachtig brachten nieuwe uitdagingen voor Lucy en mij. Het was weer zoals wij waren begonnen — alleen wij met ons tweetjes. Tegen die tijd was Susan getrouwd en pionierde zij samen met haar man, en Kim en Greg dienden beiden op Bethel. Wat zouden wij gaan doen? Die vraag werd in 1981 snel beantwoord toen wij werden uitgenodigd om een Portugese kring te bedienen, die over zo’n 2000 kilometer in Canada verspreid ligt. Wij zijn nog steeds in de reizende dienst.

Kim is ondertussen getrouwd en heeft de Gileadschool doorlopen, en nu is zij met haar man in de kringdienst in Brazilië. Susan en haar man wonen nog altijd in Canada en brengen hun twee kinderen groot, terwijl hij pioniert. Al is ons gezin in de afgelopen jaren fysiek gescheiden vanwege onze verschillende toewijzingen in de volle-tijddienst, in geestelijk en emotioneel opzicht blijven wij nauw met elkaar verbonden.

Lucy en ik zien uit naar een stralende toekomst met ons gezin op de gereinigde aarde (2 Petrus 3:13). Net als Mozes in de oudheid hebben wij uit de eerste hand de waarheid ondervonden van het antwoord op de retorische vraag in Numeri 11:23: „Is de hand van Jehovah soms verkort? Nu zult gij zien of hetgeen ik zeg, u al dan niet overkomt.” Inderdaad, niets kan Jehovah ervan weerhouden zijn dienstknechten te zegenen voor hun van ganser harte verrichte dienst.

[Illustratie op blz. 25]

Met mijn vrouw, Lucy

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen