Vragen van lezers
Betekent de uitdrukking „met de geest begiftigd”, die in 1 Korinthiërs 14:37 staat, dat iemand de heilige geest heeft ontvangen in de zin dat hij gezalfd is, of betekent het dat hij een wonderbare gave van de geest bezit?
In de Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift luidt dit vers: „Indien iemand denkt dat hij een profeet is of met de geest begiftigd is, laat hij de dingen die ik u schrijf, dan erkennen, want ze zijn het gebod des Heren.” — 1 Korinthiërs 14:37.
Een lezer zou de zinsnede „met de geest begiftigd” kunnen opvatten als doelend op het feit dat eerste-eeuwse christenen door de geest werden verwekt en geestelijke zonen van God werden. Of men zou de zinsnede zo kunnen begrijpen dat ze van toepassing is op iemand die een speciale gave van de heilige geest had ontvangen. Deze laatste betekenis is de meest waarschijnlijke, zoals zal blijken uit een onderzoek van de achtergrond.
De apostel Paulus gebruikte hier het Griekse woord pneu·maʹti·kos, dat de grondbetekenis heeft van „op de geest betrekking hebbend, geestelijk”. Vormen ervan worden gebruikt in de beschrijvingen „geestelijk lichaam”, „geestelijke zegen”, „geestelijk inzicht” en „geestelijk huis”. — 1 Korinthiërs 15:44; Efeziërs 1:3; Kolossenzen 1:9; 1 Petrus 2:5.
In deze gevallen noemt de bijbel specifiek het subject (lichaam, zegen, inzicht, huis), dat nader bepaald wordt door de aanduiding „geestelijk”. Maar in andere gevallen moet uit de context worden opgemaakt wat de betekenis en de juiste weergave van „geestelijk” is. In 1 Korinthiërs 2:14, 15 bijvoorbeeld wordt de houding van een fysiek mens gesteld tegenover de houding van ho pneu·maʹti·kos, wat logischerwijs doelt op „de geestelijke mens”.
In 1 Korinthiërs hoofdstuk 12 tot en met 14 wordt de aandacht gevestigd op de wonderbare gaven van de heilige geest. God schonk deze gaven aan enkele vroege christenen om duidelijk te laten uitkomen dat hij zich niet langer van het natuurlijke Israël bediende maar nu het christelijke „Israël Gods” zegende (Galaten 6:16). Over deze gaven schreef Paulus: „Nu is er verscheidenheid van gaven, maar het is dezelfde geest” (1 Korinthiërs 12:4). Tot de gaven van de geest behoorden speciale gaven van wijsheid, kennis en geloof, alsook de gave van het profeteren, het spreken in tongen of talen en het uitleggen van talen. — 1 Korinthiërs 12:8-11.
De christenen in Korinthe, aan wie Paulus schreef, waren met Gods heilige geest gezalfd. Paulus zei: „Maar gij zijt rein gewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt rechtvaardig verklaard in de naam van onze Heer Jezus Christus en met de geest van onze God” (1 Korinthiërs 6:11; 12:13). Ja, allen hadden „het onderpand van wat komen zal . . ., namelijk de geest”, ontvangen (2 Korinthiërs 5:5). Maar niet allen van hen ontvingen door middel van de heilige geest een speciale gave. En het schijnt dat velen gefascineerd waren door het spreken in talen en een ongepaste belangrijkheid aan deze gave toekenden. Paulus schreef om hun denkwijze recht te zetten en wees erop dat het spreken in talen niet zo veel mensen tot voordeel zou strekken als de gave van het profeteren. Aan het eind van hoofdstuk 12 raadde Paulus de Korinthiërs aan: „Blijft . . . ijverig naar de grotere gaven streven.” — 1 Korinthiërs 12:28-31.
Vervolgens geeft hij aan het begin van hoofdstuk 14 de aansporing: „Streeft de liefde na, doch blijft u beijveren [ta pneu·maʹti·ka] te verkrijgen, maar bij voorkeur dat gij moogt profeteren.” Waarvoor moesten die christenen zich beijveren? Niet voor het verkrijgen van een zalving met de geest, want die bezaten zij reeds. Het spreekt vanzelf dat Paulus „gaven” van de geest bedoelde, tot het streven waarnaar hij hen aan het eind van hoofdstuk 12 aanspoorde. Derhalve geeft de Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift 1 Korinthiërs 14:1 als volgt weer: „Blijft u beijveren de geestelijke gaven te verkrijgen.” Ook andere bijbelvertalingen geven ta pneu·maʹti·ka hier met „de geestelijke gaven” of „de gaven van de Geest” weer.
Met die achtergrond merken wij op dat Paulus tegen het eind van hoofdstuk 14 het profeteren in verband brengt met pneu·maʹti·kos. Net als in vers 1 geeft de context te verstaan dat hij bedoelde dat iemand met de geest begiftigd was. The New Testament in Modern Speech, door R. F. Weymouth geeft als vertaling: „Indien iemand zich als een profeet beschouwt of als een man met geestelijke gaven, laat hij dan erkennen dat wat ik nu schrijf het gebod van de Heer is.”
Ja, alle christenen, of zij nu de gave van het profeteren of welke andere gave van de geest maar ook hadden, moesten de raad die Paulus schreef over de manier waarop het in de gemeente diende toe te gaan, aanvaarden en opvolgen.