Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w93 15/4 blz. 25-28
  • Het gebruik en misbruik van religieuze afbeeldingen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het gebruik en misbruik van religieuze afbeeldingen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Wat zegt de bijbel?
  • Als decoratieve hulpmiddelen bij het onderwijs
  • Hoe rechtvaardigden kerkleiders dit?
  • Moeten we iconen gebruiken bij onze aanbidding?
    Ontwaakt! 2005
  • Aanbid God „in geest”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • Iconen en hun oorsprong
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • De christelijke kijk op beelden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
w93 15/4 blz. 25-28

Het gebruik en misbruik van religieuze afbeeldingen

HET speelt zich af in Sint-Petersburg (Rusland). De datum is 2 augustus 1914. Opgewonden mensen, zwaaiend met iconen, hebben zich bij het paleis van de tsaar verzameld. In het midden van een grote zaal is een altaar opgericht. Boven op het altaar staat een schildering van een vrouw met een kind in haar armen. Deze icoon wordt de „Moeder Gods van Vladimir” genoemd. De menigte beschouwt deze als de heiligste schat in Rusland.

Men gelooft zelfs dat de icoon wonderen tot stand brengt. In 1812, toen de Russische legers tegen Napoleon optrokken, bad generaal Koetoezov vóór de icoon. Nu staat tsaar Nicolaas II, na zijn land in een oorlog te hebben gestort, voor de icoon. Met zijn rechterhand opgeheven, legt hij een eed af: „Ik zweer plechtig dat ik nooit vrede zal sluiten zolang er één vijand op Russische grond staat.”

Twee weken later maakt de tsaar een pelgrimstocht naar Moskou om Gods zegen over zijn troepen af te smeken. In de Maria Hemelvaartkathedraal knielt en bidt hij voor de grote, met juwelen versierde iconostase — een wand met schilderingen van Jezus, Maria, engelen en „heiligen”.

Deze religieuze handelingen konden het onheil niet afwenden. In nog geen vier jaar sneuvelden er meer dan zes miljoen soldaten van de Russische legers, en verloor Rusland veel gebied. Bovendien werden de tsaar, zijn keizerin en hun vijf kinderen wreed vermoord. In plaats van de eeuwenoude monarchie kwam er in het land een revolutionaire regering die gekant was tegen religie. Tsaar Nicolaas’ vertrouwen in iconen bleek tevergeefs te zijn.

Toch vereren tot op deze dag miljoenen mensen in Rusland en andere landen nog steeds iconen. Dit doet belangrijke vragen rijzen. Hoe beziet God daden van devotie die vóór zulke afbeeldingen worden verricht? En hoe staat het met de gewoonte om ze in huis aan de muur te hangen?

Wat zegt de bijbel?

Toen Jezus op aarde was, gehoorzaamde hij Gods wet die door bemiddeling van Mozes was gegeven. Tot deze wet behoorde ook het tweede van de zogenoemde Tien Geboden, dat verklaart: „Gij moogt u geen gesneden beeld maken, noch enige gedaante gelijkend op iets wat in de hemel boven of wat op de aarde beneden of wat in de wateren onder de aarde is. Gij moogt u voor die niet buigen, noch u ertoe laten bewegen ze te dienen, want ik, Jehovah, uw God, ben een God die exclusieve toewijding eist.” — Exodus 20:4, 5.

Bijgevolg aanbad Jezus God niet met behulp van door mensenhanden gemaakte afbeeldingen of beelden. Zijn aanbidding was veeleer in overeenstemming met de verklaring van zijn Vader: „Ik ben Jehovah. Dat is mijn naam; en aan niemand anders zal ik mijn eigen heerlijkheid geven, noch mijn lof aan gehouwen beelden.” — Jesaja 42:8.

Bovendien legde Jezus uit waarom God niet met behulp van stoffelijke voorwerpen aanbeden dient te worden. „Het uur komt,” zei hij, „waarin de ware aanbidders de Vader met geest en waarheid zullen aanbidden, ja, want de Vader zoekt zulke mensen om hem te aanbidden. God is een Geest, en wie hem aanbidden, moeten hem met geest en waarheid aanbidden.” — Johannes 4:23, 24.

Net als Jezus onderwezen zijn ware discipelen anderen de juiste manier van aanbidden. De apostel Paulus sprak bijvoorbeeld eens tot een menigte van Griekse filosofen die afgodsbeelden gebruikten om hun onzichtbare goden te aanbidden. Hij vertelde hun over de Schepper van de mens en zei: „Wij [moeten] niet menen dat het Goddelijk Wezen op goud of zilver of steen gelijkt, op iets wat door menselijke kunstvaardigheid en menselijk vernuft is gebeeldhouwd.” Later legde dezelfde apostel uit dat christenen „wandelen door geloof, niet door aanschouwen”, en dat zij ’de afgoderij moeten ontvlieden’. — Handelingen 17:16-31; 2 Korinthiërs 5:7; 1 Korinthiërs 10:14.

Een gebeurtenis in het leven van de apostel Petrus toont aan dat hij er snel bij was elke daad die tot afgoderij zou kunnen leiden, te corrigeren. Toen de Romeinse legeroverste Cornelius aan zijn voeten neerviel, maakte Petrus bezwaar. Hij richtte Cornelius op en zei: „Sta op, ikzelf ben ook een mens.” — Handelingen 10:26.

En de apostel Johannes was zo geïmponeerd door goddelijke visioenen dat hij aan de voeten van een engel neerviel. „Pas op!”, waarschuwde de engel. „Doe dat niet! Ik ben slechts een medeslaaf van u en van uw broeders die profeten zijn en van hen die de woorden van deze boekrol onderhouden. Aanbid God” (Openbaring 22:8, 9). De apostel waardeerde deze raad. Liefdevol tekende hij het voorval tot ons nut op.

Maar wat hebben de bovenstaande voorvallen met het gebruik van religieuze afbeeldingen te maken? Welnu, als het verkeerd was dat Cornelius zich voor een van Christus’ apostelen neerwierp, wat valt er dan te zeggen over de verering van levenloze afbeeldingen van „heiligen”? En als het verkeerd was dat een van Christus’ apostelen zich voor een levende engel neerwierp, wat valt er dan te zeggen over de verering van levenloze afbeeldingen van engelen? Zulke handelingen zijn beslist strijdig met Johannes’ waarschuwing: „Kindertjes, hoedt u voor de afgoden.” — 1 Johannes 5:21.

Als decoratieve hulpmiddelen bij het onderwijs

Dit betekent niet dat louter het bezitten van een afbeelding van een bijbels tafereel afgoderij is. Dit tijdschrift maakt een goed gebruik van afbeeldingen van bijbelse gebeurtenissen als hulpmiddelen bij het onderwijs. Ook kunnen taferelen van bijbelse gebeurtenissen worden gebruikt als versiering aan de muren van huizen en andere gebouwen. Maar een ware christen zou geen afbeelding willen ophangen waarvan bekend is dat die door anderen wordt vereerd, en hij zou evenmin een afbeelding aan zijn muur hangen die een verkeerde voorstelling van de bijbel geeft. — Romeinen 14:13.

Op de meeste iconen van de christenheid wordt een lichtkrans afgebeeld rond het hoofd van Jezus, Maria, engelen en „heiligen”. Dit wordt een nimbus genoemd. Waar vond de nimbus zijn oorsprong? „De oorsprong van [de nimbus] was niet christelijk”, wordt in The Catholic Encyclopedia (uitgave van 1987) toegegeven, „want hij werd door heidense schilders en beeldhouwers gebruikt om de grote waardigheid en kracht van de verschillende godheden symbolisch voor te stellen.” Bovendien staat er in het boek The Christians, door Bamber Gascoigne, een door de Musei Capitolini in Rome verschafte foto van een zonnegod met een nimbus. Deze god werd door heidense Romeinen aanbeden. Later, zo verklaart Gascoigne, werd „de nimbus van de zon door het christendom geleend”. Ja, de nimbus heeft met heidense zonaanbidding te maken.

Is het passend om afbeeldingen die bijbelse gebeurtenissen met symbolen van heidense afgodenaanbidding vermengen, in een christelijk huis aan de muur te hangen? Nee. De bijbel geeft de raad: „Welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? . . . ’„Gaat daarom uit hun midden vandaan en scheidt u af”, zegt Jehovah, „en raakt het onreine niet langer aan”’; ’„en ik wil u aannemen.”’” — 2 Korinthiërs 6:16, 17.

In de loop van de tijd begonnen belijdende christenen die raad te negeren. Er ontwikkelde zich afval, zoals Jezus en zijn apostelen hadden voorzegd (Mattheüs 24:24; Handelingen 20:29, 30; 2 Petrus 2:1). In het begin van de vierde eeuw G.T. maakte de Romeinse keizer Constantijn het afvallige christendom tot staatsreligie. Nu begonnen grote aantallen heidenen zich „christenen” te noemen. Het aanbidden van beeltenissen van de keizer was onder hen een algemeen gebruik. Zij hadden ook de gewoonte afbeeldingen van hun voorouders en van andere beroemde mensen op te hangen. „In samenhang met de keizercultus”, legt John Taylor in zijn boek Icon Painting uit, „aanbaden mensen zijn portret dat op linnen en hout was geschilderd, en vandaar was het slechts een kleine stap naar de verering van iconen.” Zo werd de heidense aanbidding van afbeeldingen vervangen door de verering van afbeeldingen van Jezus, Maria, engelen en „heiligen”.

Hoe rechtvaardigden kerkleiders dit?

Volgens The Encyclopedia of Religion gebruikten kerkleiders de geijkte argumenten die ook de heidense filosofen gebruikten. Mannen als Plutarchus, Dio Chrysostomus, Maximus van Tyrus, Celsus, Porphyrius en Julianus hebben toegegeven dat afgoden levenloos waren. Maar deze heidenen rechtvaardigden het gebruik van afgoden door te argumenteren dat ze hulpmiddelen bij de aanbidding van hun onzichtbare goden waren. De Russische iconograaf Leonid Ouspensky geeft in het boek The Meaning of Icons toe: „De Kerkvaders maakten gebruik van de Griekse filosofie, en pasten de opvattingen en taal ervan aan de christelijke theologie aan.” — Vergelijk Kolossenzen 2:8.

Veel mensen vonden de theologische argumenten waarmee de verering van beeltenissen werd gerechtvaardigd, moeilijk te begrijpen. „Het onderscheid tussen het aanbidden van een icoon om wat ze zou voorstellen, en het aanbidden ervan om de icoon zelf . . . was voor iedereen, behalve degenen die een hoge opleiding hadden genoten, te subtiel om het te kunnen aangeven”, zegt John Taylor in Icon Painting.

Wat de bijbel over religieuze beeltenissen zegt is daarentegen gemakkelijk te begrijpen. Kijk eens naar Emilia, die in Johannesburg (Zuid-Afrika) woont. Zij was een vrome katholiek en knielde en bad altijd voor afbeeldingen. Toen klopte er een getuige van Jehovah bij haar aan. Emilia was enthousiast toen zij in de Portugese bijbel las dat God een naam heeft, Jehovah (Psalm 83:18, Almeida). Na een aantal bijbelstudies vroeg zij: „Wat moet ik doen om het te vermijden Jehovah te mishagen?” De Getuige wees op de afbeeldingen die bij haar aan de muur hingen en vroeg haar Psalm 115:4-8 te lezen. Toen Emilia’s echtgenoot die avond thuiskwam, vertelde zij hem dat zij haar religieuze afbeeldingen wilde wegdoen. Hij stemde hiermee in. De volgende dag liet zij haar twee zonen, Tony en Manuel, de afbeeldingen in stukken breken en verbranden. Heeft Emilia hier nu, zo’n 25 jaar later, spijt van? Nee. Zij heeft zelfs, samen met haar gezin, veel van haar naasten geholpen gelukkige aanbidders van Jehovah te worden.

Soortgelijke ervaringen hebben zich vele keren herhaald. Als gevolg van het wereldomvattende werk van Jehovah’s Getuigen dat bestaat in het maken van discipelen, leren miljoenen God „met geest en waarheid” te aanbidden. Ook u kunt de zegeningen ervaren van deze verheven manier van aanbidden, want, zoals Jezus zei, „de Vader zoekt zulke mensen om hem te aanbidden”. — Johannes 4:23, 24.

[Illustratie op blz. 26]

Tsaar Nicolaas II zegent zijn troepen met een icoon

[Verantwoording]

Foto: C.N.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen