Zie wat Jehovah voor ons heeft gedaan!
„WIJ hebben altijd om zo’n gelegenheid gebeden”, zei een man. Een ander stond elke ochtend om vier uur op om te bidden. Waar bad hij om? „Dat wij ooit de vrijheid zouden hebben om Jehovah openlijk te aanbidden”, zei hij. In januari 1992, toen Jehovah’s Getuigen in Ethiopië in Addis Abeba bijeenkwamen voor hun „Vrijheidlievende mensen”-districtscongres, was het duidelijk dat deze nederige, oprechte gebeden verhoord waren.
Dat Ethiopische congres vormde een aanwijzing voor het feit dat er in Afrika veranderingen aan de gang zijn. In recente jaren hebben Jehovah’s dienstknechten daar in dertien landen waar zij vroeger verboden of aan beperkingen onderhevig waren, de vreugde ervaren dat zij wettelijke vrijheid kregen. In Ethiopië kwam er op 11 november 1991, na 34 jaar, een eind aan de officiële verbodsbepaling toen regeringsfunctionarissen erkenning verleenden en er opnieuw een registratie plaatsvond. Onmiddellijk troffen de Getuigen regelingen om een internationaal congres te houden. Toch werden ieders stoutste verwachtingen overtroffen toen zij een menigte van 7573 mensen in het Addis Abeba City Stadium bijeenvergaderd zagen. Voor de meeste aanwezigen was het alsof zij droomden. Telkens weer zeiden zij tegen elkaar: „Broeder, zie eens wat Jehovah, onze God, voor ons heeft gedaan!” — Vergelijk Psalm 66:1-5; 126:1.
Doordat zij 34 jaar onder verbodsbepalingen hadden gestaan, ontstonden er onverwachte problemen. De meesten waren niet bekend met de prachtige Koninkrijksliederen. Hoe zouden zij ze vóór het congres leren zingen? Veertig liederen, waaronder de zeventien voor het congresprogramma, werden in het Amharisch vertaald. Daarna werd er een speciaal koor samengesteld om de liederen op geluidscassette op te nemen. Elke gemeente in de hoofdstad kreeg een exemplaar van de band, en de hele gemeente zou dertig minuten voor en na de vergaderingen de liederen oefenen. Het resultaat? Tijdens het congres werd het stadion vervuld met vreugdevol gezang dat recht uit het hart kwam.
Vanwege beroeringen in het oostelijke gedeelte van het land was de weg van Dire Dawa en Harar naar de hoofdstad afgesneden. Men kon alleen per vliegtuig vanuit die plaatsen reizen. Acht broeders in Harar, die zich geen vliegticket konden veroorloven maar toch vastbesloten waren om op het congres te zijn, gingen naar een militaire basis en vroegen of zij met een militair vliegtuig mee mochten. Tot hun verbazing werd hun verzoek ingewilligd. Zij kregen een gratis reisje naar het congres!
Toen deze Ethiopische broeders zagen dat hun gebeden waren verhoord, welden er vreugdetranen in hun ogen op, want zij hadden de afgelopen drie decennia ontberingen en vervolgingen verduurd en waren er zelfs getuige van geweest dat hun vrienden wegens hun geloof werden terechtgesteld. Eén afgevaardigde zei: „Ik heb vanaf het begin van het congres gehuild.” Een ander: „Als je in mijn hart kon kijken, zou je zien hoe gelukkig ik ben.” Ja, wat heeft Jehovah iets geweldigs voor deze getrouwe Getuigen gedaan! — Psalm 66:16, 19.
Grotere vrijheid in West- en Centraal-Afrika
Benin is nog een land waar het werk van Jehovah’s volk onlangs wettelijk erkend is. Wat vinden de Getuigen hiervan? Een spreker op een christelijke bijeenkomst daar erkende: „Vrijheid van aanbidding in dit land is werkelijk een gave van Jehovah.” Ja, Jehovah’s dienstknechten daar zijn intens dankbaar dat zij nu onbeperkte vrijheid kunnen genieten om voor aanbidding bijeen te komen en tot hun naasten over Jehovah’s koninkrijk te spreken — vrijheden die zovelen van ons als vanzelfsprekend beschouwen.
Hoe zullen zij hun vreugde tonen? De hierboven geciteerde spreker wees op één manier toen hij zei: „Onze deelname aan het predikingswerk — vooral het van huis tot huis gaan met het goede nieuws — weerspiegelt onze waardering voor deze vrijheid.” In Benin is dit beslist het geval geweest. Kijk voor het bewijs hiervan eens naar de aantallen pioniers. In januari 1990, de maand waarin de verbodsbepaling, die 14 jaar had geduurd, werd opgeheven, hadden 77 verkondigers een aandeel aan de gewone volle-tijddienst. Twee jaar later was het aantal meer dan verdrievoudigd tot 244!
Dit wil niet zeggen dat de Getuigen in Benin niet actief waren voordat de verbodsbepaling werd opgeheven. Hun volharding had een diepgaande uitwerking op een legerofficier die aan een kamp was toegewezen waar zij heen werden gebracht wanneer zij gearresteerd werden. Aangezien hun vastbeslotenheid om Jehovah te dienen tot veelvuldige arrestaties leidde, had hij bijna voortdurend contact met hen. Maar hij werd hierdoor alleen maar herinnerd aan de prettige bijbelse besprekingen die hij vroeger, toen zij wettelijke vrijheid genoten, met hen had gehad.
Uiteindelijk wekte hun sterke geloof een geestelijk hongergevoel bij hem op. Hij bezocht verschillende kerken en sekten maar kon die honger nooit stillen. Pas toen de verbodsbepalingen in januari 1990 werden opgeheven, kon hij openlijk de bijbel met de Getuigen bespreken en de oplossing voor zijn geestelijke nood vinden. Hij is nu gedoopt en dient als pionier. Zijn verandering doet de broeders in Benin in een bepaald opzicht denken aan wat er met Saulus van Tarsus gebeurde: „Hij die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het goede nieuws over het geloof.” — Galaten 1:23.
In december 1991 werden Jehovah’s Getuigen in een ander Westafrikaans land, Niger, als een wettelijke corporatie geregistreerd en kwam er een einde aan de beperkingen betreffende hun werk. Ook hier was een vreugdevolle reactie. Het Nigeriaanse bijkantoor, waaronder Niger valt, bericht de reactie die op één congres plaatsvond: „Na de thematoespraak op vrijdag op het congres in Maradi werd de broeders meegedeeld dat wij nu in Niger wettelijke erkenning hadden. Zij waren erg opgewonden en applaudisseerden minutenlang. Aan het einde van het programma gaven de broeders duidelijk uiting aan hun gevoelens door elkaar te omhelzen en zich over dat goede nieuws te verheugen.” Wij kunnen ons het tafereel voorstellen en wij verheugen ons met hen.
Hoe zullen de broeders daar hun pasverworven vrijheid gebruiken? Een pionierster in Niger heeft geen twijfels over het antwoord op die vraag. Zij schrijft: „De feiten tonen aan dat het aantal mensen dat voor het einde in ons gebied in Niger uit Babylon de Grote zal komen, enorm is. Als bewijs hiervan heb ik elke maand 80 tot 85 nabezoeken kunnen rapporteren en leid ik 13 of 14 bijbelstudies, ondanks het feit dat ik veel van mijn adressen aan andere verkondigers heb overgedragen.” Deze getrouwe zuster voegt eraan toe: „Vanwege mijn gezondheidsproblemen kan ik niet zoveel doen in de velddienst als ik zou willen, maar iedereen doet wat hij kan.”
In Rwanda (Centraal-Afrika) is de situatie van Jehovah’s Getuigen ook opzienbarend veranderd. In april 1992 werd een document uitgegeven met de strekking dat zij eindelijk een wettelijke organisatie waren. Het document werd in de week van de Gedachtenisviering ontvangen en de 1526 verkondigers in Rwanda waren verrukt te zien dat 6228 personen die gelegenheid bijwoonden. Zullen deze geliefde broeders hun vreugde en waardering tonen door meer activiteit in het bekendmaken van het goede nieuws? Blijkbaar wel! In diezelfde maand april hadden de gemeenteverkondigers een gemiddelde van 27,7 uur in het predikingswerk, 17 nabezoeken en leidden zij gemiddeld 2,4 bijbelstudies. En ongeveer 40 procent van hen nam deel aan de een of andere vorm van volle-tijddienst.
Wettelijk erkend in Zuidelijk Afrika
In Zuidelijk Afrika waaiden de frisse winden van vrijheid door twee prachtige landen, Mozambique en Angola. In Mozambique werd in februari 1991 wettelijke erkenning verleend. Toen de situatie daar gemakkelijker werd, zond het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap zendelingen naar dat land, dat op tragische wijze door burgeroorlog was verwoest. De zendelingen troffen vruchtbare grond. Er is grote vraag naar bijbelse lectuur — vooral het boek Wat jonge mensen vragen — Praktische antwoorden. Eén zendelinge bericht dat zij in minder dan twee en een half uur vijftig boeken verspreidde.
Geïnteresseerde mensen reageren snel. Een zendeling bezocht een adres dat aan het Genootschap was doorgegeven, en het bleek het adres van een militair te zijn. Er werd een goed gesprek gevoerd met de man zelf en twee familieleden van hem. Bij een nabezoek werd er weer een nuttige bespreking met de man en vijf anderen gehouden. Toen namen zij de uitnodiging aan om de openbare lezing en de Wachttoren-studie bij te wonen — en dat allemaal binnen vier dagen.
In Angola hebben de Getuigen steeds meer vrijheid gekregen, welke ontwikkeling in april 1992 haar hoogtepunt bereikte toen hun werk wettelijk erkend werd. Hoe gebruiken zij hun grotere vrijheid? Zij nemen deel aan de velddienst! Er zijn ongeveer 17.000 verkondigers in Angola en die leiden bijna 60.000 bijbelstudies. Wat een vooruitzicht voor toekomstige groei!
Ook de jongeren geven getuigenis
In deze landen waar het predikingswerk onlangs wettelijk erkend is, tonen zelfs de jongeren en degenen die nog niet gedoopt zijn hun waardering door actief te zijn in de dienst. In Kaapverdië, waar Jehovah’s Getuigen in november 1990 wettelijk erkend werden, stond op een congres een zeventienjarig meisje op om in het openbaar uitdrukking te geven aan haar geloof. Na de doop zag een bezoeker een groep mensen om haar heen. Hij ging naar haar toe om haar te feliciteren en vroeg wie die mensen waren. „O,” zei ze, „dit zijn mijn bijbelstudies.” Zij leidde zeven studies en zij waren daar om haar met haar doop te feliciteren. Zij had haar aanvraag voor de hulppioniersdienst al ingeleverd en keek ernaar uit om uiteindelijk als gewone pionier te mogen dienen.
Een tienjarig meisje in Angola werd gevraagd of zij een verkondigster was. Zij antwoordde: „Ja.” Leidde zij bijbelstudies? „Natuurlijk.” Hoeveel? „Zeven”, antwoordde deze tienjarige.
Wij lezen in het boek Handelingen dat er op een gegeven moment in de eerste eeuw ’voor de gemeente in heel Judea en Galilea en Samaria werkelijk een periode van vrede intrad en ze opgebouwd werd; en daar ze in de vrees van Jehovah en in de vertroosting van de heilige geest wandelde, bleef ze in aantal toenemen’ (Handelingen 9:31). Wij bidden dat dit voor onze broeders in Afrika ook een periode van vrede zal worden. Wij verheugen ons met hen naarmate zij worden opgebouwd, en wij bidden dat Jehovah’s geest op hen mag rusten terwijl zij hun vrijheid benutten om het goede nieuws te verbreiden en in aantal te blijven toenemen.
[Kaart op blz. 24]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Landen waar Jehovah’s Getuigen wettelijk erkend werden of waar de voor hen geldende beperkende bepalingen werden opgeheven
1. Gambia, december 1989
2. Benin, januari 1990
3. Kaapverdië, november 1990
4. Mozambique, februari 1991
5. Ghana, november 1991
6. Ethiopië, november 1991
7. Kongo, november 1991
8. Niger, december 1991
9. Togo, december 1991
10. Tsjaad, januari 1992
11. Kenia, maart 1992
12. Angola, april 1992
13. Rwanda, april 1992
[Illustratie op blz. 23]
In Benin slaat een Koninkrijksverkondiger de woorden van Mattheüs 24:14 op zijn sprekende trommel
[Illustratie op blz. 25]
In veel Afrikaanse landen maken ware christenen goed gebruik van hun pasverworven vrijheid
[Illustratie op blz. 26]
Nieuwe Getuigen symboliseren hun opdracht aan Jehovah door middel van de waterdoop