Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w92 1/3 blz. 26-30
  • Een op zesjarige leeftijd gesteld doel nastreven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een op zesjarige leeftijd gesteld doel nastreven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • In de richting van mijn doel werken
  • Eindelijk Gilead!
  • Zendelingen in Marokko
  • Op naar Centraal-Afrika
  • Ten slotte naar Sierra Leone
  • Onze ouders hebben ons geleerd God lief te hebben
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
  • Ik vond vrede met God en met mijn moeder
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2015
  • Een uitzonderlijke christelijke erfenis
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Eerst het Koninkrijk zoeken — Een beschermd, gelukkig leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
w92 1/3 blz. 26-30

Een op zesjarige leeftijd gesteld doel nastreven

ZOALS VERTELD DOOR SANDRA COWAN

Veel ouders kiezen een carrière voor hun kinderen, zoals muziek of ballet, en beginnen hen op zeer jonge leeftijd daarin te oefenen. Dat is precies wat mijn moeder voor mij deed. Vanaf de tijd dat ik twee weken oud was, werd ik meegenomen naar alle christelijke vergaderingen en in de velddienst.

TOEN ik vier was, vond Ma dat ik eraan toe was alleen te prediken. Ik herinner me mijn eerste poging nog levendig. Wij waren naar een grote boerderij gereden, en terwijl Ma en de anderen in de auto wachtten, stapte ik uit en liep naar de deur. Een vriendelijke mevrouw luisterde terwijl ik haar tien brochures aanbood. Om ze te betalen, gaf zij mij een groot stuk zeep. Ik had mijn beide handen nodig om het vast te houden. Ik was overgelukkig!

In datzelfde jaar, 1943, opende de Wachttoren-Bijbelschool Gilead haar deuren om volle-tijd pionierbedienaren voor zendingswerk op te leiden. Ma moedigde mij aan om de zendingsdienst tot mijn doel in het leven te maken. De Tweede Wereldoorlog woedde destijds in Europa, en Ma vertelde mij altijd over jonge kinderen van Getuigen in Europa die van hun ouders gescheiden werden. Zij wilde dat ik sterk genoeg was om elke soort van beproeving te doorstaan.

In de zomer van 1946 werd ik op het internationale congres in Cleveland (Ohio) gedoopt. Hoewel ik pas zes jaar was, had ik het vaste besluit genomen om mijn opdracht aan Jehovah te volbrengen. Die zomer diende ik voor het eerst als pionier. Ik herinner mij dat ik op een morgen veertig tijdschriften verspreidde bij mensen die in San Diego (Californië) op The Plaza zaten. Ik weet zeker dat het feit dat ik heel klein en een gezellige praatster was er veel mee te maken had.

Wij predikten vaak vlak bij Beth-Sarim, waar de president van het Wachttorengenootschap, broeder Rutherford, toen hij al ziek was, vóór zijn dood in 1942 de winters had doorgebracht. Wij bezochten de volle-tijdbedienaren daar geregeld en aten met hen. Die vreugdevolle bezoekjes brachten mij tot het vaste besluit dat dit werkelijk het soort van leven was dat ik wilde leiden. Toen maakte ik de Gileadschool en de zendingsdienst tot mijn doel in het leven.

Het jaar daarna gingen mijn ouders scheiden, maar de veranderde gezinssituatie deed onze geestelijke gezindheid niet afnemen. Ma was pionierster en hield zich druk bezig met de opleiding die mijn broer en ik ontvingen. Onze kleine caravan zat altijd vol met christelijke broeders en zusters die op bezoek waren. Ma deed er speciaal moeite voor dat ik gegradueerden van Gilead ontmoette. Twee van die gegradueerden waren Lloyd en Melba Barry, die ons bezochten toen zij in het reizende werk waren, terwijl zij wachtten totdat zij naar hun buitenlandse toewijzing in Japan konden gaan. Zij namen de tijd om mij — een meisje dat ernaar verlangde een zendelinge te zijn — aan te moedigen, en dat maakte werkelijk indruk op mij.

Toen ik tien jaar was, trouwde Ma met een geweldige Getuige die ook een pionierbedienaar was. Hij adopteerde mijn broer en mij niet alleen op papier maar ook in zijn hart. Zijn liefde voor Jehovah en zijn ijver voor de dienst waren zeer aanstekelijk.

Pa en Ma werkten als een team om ons, hun twee kinderen, door de moeilijke tienerjaren heen te leiden. Ons huis was in geestelijk opzicht een veilige haven waar ik dierbare herinneringen aan heb. Het was voor hen niet gemakkelijk te pionieren met een klein inkomen terwijl zij twee kinderen moesten grootbrengen; het kostte zelfopoffering. Maar Pa en Ma vertrouwden op Jehovah en stelden de Koninkrijksbelangen op de eerste plaats.

Wat herinner ik mij het internationale congres van 1950 in New York goed! Pa kreeg een lening van de bank, en wij namen drie passagiers mee om de kosten te delen. Ma, Pa, mijn broer en ik zaten de hele reis van San Diego tot New York samen op de voorbank, en de anderen zaten achterin. Omdat Pa’s werkgever weigerde hem twee weken vrij te geven, kostte het bijwonen van dat congres hem zijn baan. Maar zoals Pa ons verzekerde, zou Jehovah in onze behoeften voorzien, en dat deed Hij ook. Pa verkocht de auto om de lening af te betalen, en daarna kreeg hij een betere baan. Deze en soortgelijke ervaringen bleken jaren later voor mij van onschatbare waarde te zijn toen mijn man en ik met moeilijke situaties werden geconfronteerd.

Op onze terugreis van New York brachten wij een bezoek aan de Koninkrijksboerderij, waar ik voor het eerst de Gileadschool te zien kreeg. Ik herinner mij dat ik in een van de klaslokalen stond en tegen mijzelf zei: ’Ik ben nog niet eens elf jaar. Ik zal hier wel nooit komen. Armageddon komt vast eerder.’ Maar door dat bezoek werd mijn besluit vaster dan ooit om Gilead tot mijn doel te maken.

In de richting van mijn doel werken

Tijdens mijn hele schooltijd, vanaf de eerste klas, stond ik iedere zomervakantie in de pioniersdienst. Daarna werd ik, twee weken nadat ik in juni 1957 mijn diploma van de middelbare school gehaald had, een gewone pionierster.

De vergadering voor belangstellenden voor Gilead die op het districtscongres van 1957 in Los Angeles gehouden werd, was voor mij heel bijzonder. Toen ik de tent waar die vergadering gehouden werd inliep, ontmoette ik Bill, een jonge broeder die ik al vanaf mijn zesde jaar kende. Het afgelopen jaar had hij in Louisiana gediend, waar de behoefte groter was. Wij waren verrast te ontdekken hoezeer wij beiden in de zendingsdienst geïnteresseerd waren. Zes maanden later besloten wij er een gemeenschappelijk project van te maken. Wij schreven naar het Genootschap en vroegen om een toewijzing, en een maand voor ons huwelijk ontvingen wij de toewijzing om naar Romney (West-Virginia) te gaan.

Wij verhuisden daarheen toen wij op weg waren naar het congres van 1958 in New York. Op dat congres woonden wij de vergadering voor belangstellenden voor Gilead bij. Er waren honderden aanwezigen. Toen wij naar die schare keken, voelden wij dat onze kans om een uitnodiging voor Gilead te krijgen, echt klein was. Niettemin vulden wij een voorlopig aanvraagformulier in, hoewel wij pas elf weken getrouwd waren. Het jaar daarop vulden wij op het districtscongres in Philadelphia weer een aanvraagformulier in.

Bill en ik leerden in Romney ons op Jehovah te verlaten om ons door moeilijke situaties heen te helpen. Romney was een plaats met ongeveer 2000 inwoners. Het was onmogelijk er werk te vinden. Wij woonden in een zelfgebouwde caravan van vijf meter lang die ontworpen was voor het weer in Californië. Wij hadden geen stromend water, geen verwarming en geen koelkast. Het werd binnen zo koud dat wij het ijs in de emmer moesten breken om aan water te komen. De broeders hielpen ons zoveel zij konden door het voedsel dat zij door te jagen hadden bemachtigd, met ons te delen. Wij aten hert, wasbeer en eekhoorn. Meerdere malen dachten wij dat wij die dag niets te eten zouden hebben, en als wij dan uit de dienst thuiskwamen, vonden wij altijd wat appels of kaas voor onze deur.

Wij zwoegden negen maanden lang terwijl wij soms te weinig hadden om van te leven en te veel om dood te gaan. Uiteindelijk besloten wij dat het verstandig was naar Baltimore (Maryland) te verhuizen, waar Bill werk zou kunnen vinden. Toen wij de broeders over ons besluit inlichtten, huilden zij, en wij ook. Dus besloten wij nog even vol te houden.

Vlak daarna bood een Getuige die bedrijfsleider was van een supermarkt in Westernport (Maryland), ongeveer zestig kilometer bij ons vandaan, Bill een part-timebaan aan. Diezelfde maand bood een van onze bijbelstudies ons een schattig gemeubileerd huisje aan met een grote kolenkachel. Toen werd Maleachi 3:10 mijn lievelingstekst. Jehovah had een zegen over ons uitgegoten die groter was dan wij verwacht hadden.

Eindelijk Gilead!

Een van de opwindendste dagen van ons leven was de dag in november 1959 waarop wij onze uitnodiging voor Gilead ontvingen. Wij werden uitgenodigd voor de 35ste klas, de laatste die op de Koninkrijksboerderij gehouden werd. Toen ik in hetzelfde klaslokaal stond dat ik als kind had bezocht, had ik een warm, gelukkig gevoel dat niet met woorden te beschrijven is.

Gilead was een geestelijke oase. Het was alsof wij vijf maanden in de nieuwe wereld leefden. Zelden wachten wij in ons leven jarenlang op iets en ervaren het dan als beter dan wij verwacht hadden. Maar Gilead was dat wel.

Wij werden aan India toegewezen, maar ten langen leste werd ons een visum geweigerd. Na een jaar wachten in de stad New York kregen wij derhalve een nieuwe toewijzing voor Marokko (Noord-Afrika).

Zendelingen in Marokko

Wij hebben 24 vreugdevolle jaren in Marokko doorgebracht, en wij werden meteen toen wij arriveerden verliefd op de mensen. Wij leerden Frans en Spaans, talen die ons hielpen met de mensen van vele nationaliteiten die daar woonden te communiceren. Het waren meestal degenen die uit andere landen kwamen, die op de Koninkrijksboodschap reageerden.

Eén vrouw met wie ik de bijbel bestudeerde was een Spaanse flamencodanseres die bij een variété-restaurant in Casablanca werkte. Na de bijbelse beginselen geleerd te hebben, verliet zij de eigenaar van het variété-restaurant met wie zij samenwoonde, en ging naar Spanje terug. Daar gaf zij getuigenis aan heel haar familie, en sommigen van hen accepteerden de bijbelse waarheden die zij met hen deelde. Later keerde zij naar Casablanca terug, waar zij tot haar dood in 1990 trouw aan God bleef.

In de eerste paar jaar dat wij in Marokko waren, nam het aantal Koninkrijksverkondigers toe. Maar toen het voor buitenlanders moeilijk werd werk en een verblijfsvergunning te krijgen, vond er een uittocht van Getuigen naar Europa plaats. Sommigen van degenen met wie wij studeerden, wonen nu in Nieuw-Zeeland, Canada, de Verenigde Staten, Bulgarije, Rusland en Frankrijk, en enkelen van hen zijn in de volle-tijddienst.

In april 1973 werd ons predikingswerk in Marokko plotseling verboden. Wat een klap was dat! Op een donderdagavond waren wij een gelukkige schare in de Koninkrijkszaal geweest, en wij hadden gepraat tot de lichten werden uitgedaan om ons te laten merken dat het tijd was om naar huis te gaan. Wij wisten niet dat wij die lichten nooit meer zouden zien schijnen op zo’n openlijke christelijke broederschap. Onder de verbodsbepaling werden onze vergaderingen en kringvergaderingen beperkt tot kleine groepjes in particuliere woningen. Om districtscongressen bij te wonen, reisden de Getuigen naar Frankrijk of Spanje.

Naarmate onze aantallen afnamen, raakten de paar Getuigen die nog in Marokko over waren zeer aan elkaar gehecht. Dus toen het Wachttorengenootschap uiteindelijk de beslissing nam het bijkantoor te sluiten en ons een andere toewijzing te geven, vergoten wij allemaal vele tranen.

Op naar Centraal-Afrika

Onze nieuwe toewijzing was de Centraal Afrikaanse Republiek. Wat een enorm verschil met Noord-Afrika! Terwijl er in Marokko een klimaat heerste dat veel op het klimaat in het zuiden van Californië leek, bevonden wij ons nu in de hete, vochtige tropen.

Wij kregen met nieuwe problemen te maken. Ik moest nu bijvoorbeeld mijn angst voor kruipende dieren beheersen. Drie keer viel er een hagedis op mijn hoofd toen ik door een deuropening liep. Soms besloot een rat ons gezelschap te houden terwijl wij een bijbelstudie leidden! Hoewel ik de neiging voelde op te springen en weg te rennen, leerde ik mij te beheersen, terwijl ik meneer Rat constant in de gaten hield en mijn boekentas en voeten van de vloer hield totdat hij besloot weg te gaan. Ik bemerkte dat je aan alles kunt wennen als je maar volhoudt.

Toen wij daar zes maanden waren, werd er via de radio bekendgemaakt dat ons werk verboden was. Dus werden onze Koninkrijkszalen gesloten en werd de zendelingen gevraagd te vertrekken. Alleen wij en een ander echtpaar slaagden erin nog drie jaar op het bijkantoor te blijven. Toen kwamen er op een zondagmorgen tijdens onze Wachttoren-studie gewapende politieagenten binnen en namen ons mee naar het hoofdbureau van politie. Zij lieten de vrouwen en kinderen vrij, maar hielden 23 broeders gevangen, onder wie mijn man, Bill. Na zes dagen lieten zij hem vrij om naar huis te gaan en in te pakken; drie dagen later, in mei 1989, verlieten wij op bevel van de regering het land. Het was weer een vertrek vol tranen op het vliegveld, waar veel van onze liefdevolle broeders en zusters waren gekomen om afscheid van ons te nemen.

Ten slotte naar Sierra Leone

Onze huidige toewijzing is Sierra Leone (West-Afrika), een mooi land met prachtige, witte zandstranden. De mensen zijn erg vriendelijk, en het is een genoegen in de velddienst te staan. Wij worden bij ieder huis uitgenodigd te gaan zitten, vaak in de schaduw van een mangoboom of een kokospalm. De mensen spreken graag over God en halen hun eigen exemplaar van de bijbel om met ons mee te lezen.

Bill en ik werken allebei in het Bethelhuis in Freetown. Ik werk als receptioniste en houd mij ook bezig met de abonnementen en de boekhouding van de gemeenten. Na zestien jaar gediend te hebben in landen waar ons werk verboden was, is het geweldig om in een land te zijn waar het werk vrij is en vruchten afwerpt.

In juni 1991 maakte ik dertig jaar zendingsdienst vol. Ma heeft mij beslist een doel voor ogen gehouden dat de moeite waard is! Als zij nog in leven zou zijn, zou ik haar heel graag nog eens willen zeggen: „Dank u wel, Ma!” Ik kan gelukkig nog steeds zeggen: „Dank u wel, Pa!”

[Illustratie van Sandra Cowan op blz. 26]

[Illustratie van Sandra Cowan als kind op blz. 27]

[Illustratie op blz. 28]

Congres in New York, 1958

[Illustratie op blz. 29]

35th class — July, 1960

[Illustratie op blz. 30]

Bill en Sandra Cowan, 1991

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen