Een bediening voor u?
JEHOVAH heeft zijn edelmoedigheid getoond door op aarde volmaakte voorzieningen te treffen opdat wij van het leven kunnen genieten. Hij liet deze voorzieningen zelfs nadat Adam en Eva in opstand waren gekomen, edelmoedig bestaan. Dat niet alleen, maar hij heeft zijn weergaloze liefde getoond door zijn Zoon te zenden om mensen die geloof hebben te redden van de rampspoed van zonde. — Mattheüs 5:45; Johannes 3:16.
Hoe kunnen wij deze liefde beantwoorden? Jezus zei dat wij Jehovah, onze God, moeten liefhebben met geheel ons hart, onze ziel, ons verstand en onze kracht. Dit duidt erop dat wij hem onze aanbidding en loyaliteit verschuldigd zijn en dat wij in overeenstemming met zijn wil moeten leven. — Markus 12:30; 1 Petrus 4:2.
Maar wat is er bij het doen van Gods wil betrokken? Is er een dienst die wij voor hem kunnen verrichten — een bediening waaraan wij deel moeten nemen?
Een behoefte aan bedienaren
De kerken hebben de mensen in verwarring gebracht wat betreft de manier waarop God aanbeden en gediend moet worden. Toch laat de bijbel zien dat er slechts één ware religie is, „één Heer, één geloof, één doop; één God en Vader van allen”. Jezus zei: ’Ware aanbidders zullen de Vader met geest en waarheid aanbidden.’ Dus wordt hun de raad gegeven ’in overeenstemming met elkaar te spreken’ en ’geen verdeeldheid onder hen’ te laten bestaan. — Efeziërs 4:3-6; Johannes 4:23; 1 Korinthiërs 1:10.
De verwarring aangaande wat de ware religie is, begon in Eden toen Satan de rechtmatigheid van Jehovah’s soevereiniteit betwistte door Gods manier van regeren in twijfel te trekken (Genesis 3:1-6, 13). Satan zet deze oppositie tegen God nu kracht bij door middel van valse leerstellingen die worden verbreid door bedrieglijke religieuze bedienaren, die „zich blijven veranderen in dienaren van rechtvaardigheid”. Daarom zegt de bijbel: „Geliefden, gelooft niet elke geïnspireerde uiting . . . want er zijn vele valse profeten tot de wereld uitgegaan.” — 2 Korinthiërs 11:14, 15; 1 Johannes 4:1.
Gelukkig heeft God stappen ondernomen om deze strijdvraag inzake heerschappij te beslechten. Na zijn Zoon gezonden te hebben om de mensheid los te kopen, heeft hij Jezus nu als Koning van Gods hemelse koninkrijk aangesteld, met de autoriteit om Satan en diens profeten, of bedienaren, te vernietigen. Hierdoor zal verzekerd worden dat Gods wil op aarde wordt gedaan, tot eeuwige zegening van gehoorzame mensen. — Daniël 7:13, 14; Hebreeën 2:9.
Satan heeft deze waarheden versluierd (2 Korinthiërs 4:4). Daarom bestaat er een noodzaak dat wij als dienaren van God optreden om Satans leugens aan de kaak te stellen en getuigenis af te leggen van de waarheid. Jehovah dwingt ons niet tot deze dienst. Hij wil dat wij ons, net als Jezus, vrijwillig aanbieden, uit waardering voor hem en voor wat hij voor ons heeft gedaan. — Psalm 110:3; Hebreeën 12:1-3.
De christelijke bediening
Jezus „trok . . . van stad tot stad en van dorp tot dorp, terwijl hij het goede nieuws van het koninkrijk Gods predikte en bekendmaakte” (Lukas 8:1). Ook leidde hij zijn discipelen op om net als hij bedienaren te zijn en zond hen uit om te prediken (Mattheüs 10:1-14, 27). Later gaf hij hun de opdracht om de bediening tot de einden der aarde uit te breiden. — Mattheüs 28:19, 20; Handelingen 1:8.
Deze opdracht rust op ware christenen, en Gods geest motiveert hen om te prediken. Zoals met Pinksteren in 33 G.T. gebeurde, nemen allen die het goede nieuws aanvaarden de verantwoordelijkheid op zich om een openbare bekendmaking van hun geloof te doen. — Handelingen 2:1-4, 16-21; Romeinen 10:9, 13-15.
Maar de meeste mensen kunnen zichzelf niet als bedienaren zien. Peter, een van Jehovah’s Getuigen, zegt: „Men beschouwt het in Duitsland vaak beneden zijn waardigheid om over religie te praten. ’Dat is iets voor geestelijken’, zeggen zij.” Volgens Tony, die al tientallen jaren zendeling is, hebben mensen in Engeland gezegd: „Wat je vertelt is goed, en ik denk dat Jehovah’s Getuigen fijne mensen zijn. Maar om van huis tot huis te gaan prediken — dat zou ik gewoon niet kunnen.” Ben bestudeerde de bijbel een tijdje met een Nigeriaanse man die hem vertelde: „Ik kan zelf niet in het openbaar verschijnen door van huis tot huis te gaan; maar ik zou geld aan je gemeente kunnen geven om degenen te helpen die wel bereid zijn dat te doen.” Ja, de meeste mensen ontbreekt het aan het geloof en de overtuiging die nodig zijn voor de christelijke bediening.
Niettemin is de openbare prediking de verantwoordelijkheid van allen in de christelijke gemeente, ongeacht hun leeftijd of geslacht. Het is niet alleen iets voor de ouderlingen en de dienaren in de bediening, die „de leiding nemen”, maar ook voor christenen in het algemeen. Allen worden aangespoord: ’Breng God een slachtoffer van lof, namelijk de vrucht der lippen die zijn naam in het openbaar bekendmaken. Wees gehoorzaam aan hen die onder u de leiding nemen.’ — Hebreeën 13:15, 17.
Toen Jezus in zijn Bergrede een gemengde schare toesprak, zei hij: „Niet een ieder die tot mij zegt: ’Heer, Heer’, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is.” Bij een andere gelegenheid toonde hij aan dat het doen van Gods wil prediken tot ongelovigen omvat. Zijn discipelen drongen er bij hem op aan te stoppen met het prediken tot enkele Samaritanen om te kunnen eten, maar hij zei: „Mijn voedsel is, dat ik de wil doe van hem die mij heeft gezonden en zijn werk voleindig.” — Mattheüs 7:21; Johannes 4:27-38.
Zou het uw loopbaan moeten zijn?
Mensen geven er gewoonlijk de voorkeur aan stoffelijk voedsel en materiële rijkdommen na te jagen. Maar eerder in de Bergrede raadde Jezus zijn toehoorders aan om die dingen niet langer begerig na te jagen. Hij zei: „Vergaart u veeleer schatten in de hemel . . . Blijft dan eerst het koninkrijk en [Gods] rechtvaardigheid zoeken.” — Mattheüs 6:20, 33.
Eerst het Koninkrijk zoeken betekent dat wij onze bediening niet door andere belangen laten overschaduwen. Maar dit te doen betekent niet dat wij al het andere moeten buitensluiten. De bijbel moedigt ons er bijvoorbeeld toe aan echte gezinsverplichtingen niet te verwaarlozen. Wij hebben deze verplichtingen gemeen met alle mensen. Door ze te verwaarlozen, handelen wij in strijd met het christelijke geloof (1 Timotheüs 5:8). Niettemin moeten wij in de bediening alles doen wat wij redelijkerwijs kunnen, terwijl wij andere verantwoordelijkheden op een evenwichtige wijze behartigen.
Jezus zei: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal . . . worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen” (Mattheüs 24:14). Uit de context van die profetie blijkt dat de vervulling ervan in onze tijd plaatsvindt. Sinds 1914 houdt het goede nieuws in dat het Koninkrijk gemachtigd is ten gunste van Jehovah’s soevereiniteit en tegen Satan en zijn wereld op te treden (Openbaring 11:15-18). Wij moeten er ernstig over nadenken wat dit betekent. Het einde zal komen, en wij moeten zorgen dat wij vóór die tijd het predikingswerk gedaan krijgen. Er staan levens op het spel; wij kunnen helpen veel levens te redden.
Streef naar een vollediger bediening
Veel getuigen van Jehovah besteden er iedere maand tien of meer uur aan om het goede nieuws met anderen te delen. Duizenden brengen als hulppionier twee of meer uur per dag in de prediking door, en anderen dienen voortdurend als gewone of speciale pionier. Zij beseffen de dringendheid van dit werk en willen alles doen wat in hun vermogen ligt om het gedaan te krijgen voordat het einde van deze ongelukkige wereld komt.
Bent u al een actieve getuige van Jehovah? Streef er dan naar een vollediger aandeel te hebben in de dienst. Verbeter uw bekwaamheid in het prediken en onderwijzen, door te proberen meer in de bediening tot stand te brengen. Als u in de gelegenheid bent te gaan pionieren, doe dit dan. Als uw omstandigheden u echt niet toestaan dit te doen, moedig dan degenen die dit wel kunnen aan naar deze dienst te streven.
Als u geen opgedragen getuige van Jehovah bent, zeg dan niet dat de bediening niet voor u is. Een andere man, die Peter heet, een werktuigkundig ingenieur, had er hevige bezwaren tegen dat zijn vrouw het goede nieuws met anderen deelde. „Hoe kan ik nu toelaten dat mijn vrouw van huis tot huis predikt?”, vroeg hij altijd. Na haar vaste overtuiging in verband met de waarheid van Gods Woord jarenlang te hebben gadegeslagen, besloot ook hij de bijbel te gaan bestuderen. Nu is hij, net als zijn vrouw, een opgedragen, gedoopte bedienaar van het goede nieuws.
Ontzeg u dus niet het voorrecht om Jehovah te dienen. Wij moedigen u aan de bijbel te bestuderen en met ware christenen op hun vergaderingen om te gaan. Dit zal u helpen uw leven in overeenstemming met Gods rechtvaardigheid te vormen en een krachtig geloof in zijn voornemens op te bouwen. Indien u hierin vorderingen maakt, zal ook u ervoor in aanmerking komen een dienaar van God te zijn. U zult dan het voorrecht krijgen een aandeel te hebben aan het ten uitvoer brengen van het door Jezus gegeven gebod: „Gaat daarom en maakt discipelen . . . en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb.” — Mattheüs 28:19, 20.
Ja, er is een bediening waar u een aandeel aan kunt hebben, en het is voor u dringender dan ooit om dat te doen.
[Kader op blz. 25]
Een verpleegster die een gezin heeft waarvoor zij moet zorgen, zegt: „Ik reis iedere dag meer dan een uur naar het ziekenhuis waar ik werk, dus dacht ik dat ik niet in de hulppioniersdienst kon. Maar ik regelde mijn werkzaamheden zorgvuldig zodat ik altijd vroeg in de morgen voordat ik naar mijn werk ging, tijdens de pauzes en op vrije dagen een aandeel aan de velddienst kon hebben. U kunt u mijn vreugde voorstellen toen ik aan het eind van één maand 117 uur aan de prediking had besteed! Ik verspreidde 263 tijdschriften, sloot 22 abonnementen op de tijdschriften af en kon 3 bijbelstudies beginnen.”
[Kader op blz. 27]
Michael heeft zeven kleine kinderen, en hij heeft een verantwoordelijke betrekking bij een universiteit in Nigeria. Hij is tevens ouderling in de christelijke gemeente. Hij deelt de mening van duizenden Getuigen:
„Ik beschouw de bediening als mijn loopbaan en denk er altijd aan dat Paulus zei: ’Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God bleef het wasdom geven.’ Mijn vrouw en ik ’planten’ tijdens korte van-huis-tot-huisgesprekken over het goede nieuws. Wij ’begieten’ door hen die belangstelling tonen na te bezoeken om hen uit de bijbel te onderwijzen, zoals Jezus zei dat wij moesten doen. Door middel van wekelijkse huisbijbelstudies zijn heel wat mensen — in sommige gevallen hele gezinnen — geholpen tot een kennis van de waarheid te komen.”