Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w91 1/3 blz. 10-13
  • Wat heb ik veel redenen om dankbaar te zijn!

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat heb ik veel redenen om dankbaar te zijn!
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn schoolcarrière
  • Internationale congressen
  • Ik sluit mij bij de pioniersgelederen aan
  • Hulp van de media
  • Congressen — Bewijs van onze broederschap
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1988
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1988
  • Ik leefde voor muziek
    Ontwaakt! 1985
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
w91 1/3 blz. 10-13

Wat heb ik veel redenen om dankbaar te zijn!

VERTELD DOOR LOTTIE HALL

HET gebeurde in 1963 op weg van Calcutta (India) naar Rangoon (Burma). Kort nadat ons vliegtuig in Calcutta was opgestegen, merkte een van de broeders dat er olie op de vleugel lekte. Toen de bemanning dat hoorde, kondigden zij een noodlanding aan. Het vliegtuig moest eerst een flinke hoeveelheid brandstof lozen voordat het mogelijk was te landen. De steward riep: „Als jullie willen bidden, doe het dan nu!” Inderdaad baden wij of wij, als het Jehovah’s wil was, een veilige landing mochten hebben, en dat gebeurde. Wij hadden beslist iets om dankbaar voor te zijn!

JA, EN ik heb nog veel meer om dankbaar voor te zijn. Op mijn 79ste bezit ik nog altijd een mate van gezondheid en kracht, die ik gebruik in de volle-tijddienst. Bovendien heb ik naast de zegeningen die alle leden van Jehovah’s volk ten deel vallen, veel bijzondere ervaringen meegemaakt. Al met al is het mijn kostbare levenslot geweest Jehovah ruim zestig jaar te dienen, en meer dan de helft van die tijd heb ik in de volle-tijddienst of pioniersdienst doorgebracht.

Het begon allemaal met mijn vader toen wij in Carbondale (Illinois, VS) woonden. Hij was verbonden met de Disciples of Christ en wilde graag predikant worden. Zijn ervaring met twee bijbelscholen liep echter op een desillusie uit, want hij had zijn eigen ideeën over de Drieëenheid, de onsterfelijkheid van de ziel en eeuwige pijniging.

Uiteindelijk werd hij bevredigd door de bijbelse waarheid die hem in 1924, toen ik nog maar twaalf was, door een colporteur van de Bijbelonderzoekers werd gebracht. Mijn vader was blij te vernemen dat er anderen waren die er evenals hij van overtuigd waren dat de Drieëenheid, het hellevuur en de onsterfelijkheid van de menselijke ziel valse leerstellingen zijn. Al gauw kwam ons gezin regelmatig samen met de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen destijds genoemd werden. Dat ik de waarheid omtrent Jehovah en zijn Woord leerde kennen, stemde mij echt dankbaar.

Niet lang daarna gebeurde er echter iets rampzaligs. De man die mijn vader deze waarheden had gebracht, bleek zowel oneerlijk als immoreel te zijn. Hij bracht mijn vader tot struikelen, maar mijn moeder en mij niet. Ik was toen vijftien jaar — de oudste van zes kinderen — en samen met mijn moeder bleef ik de waarheid trouw.

In de zomer van 1927 werd bekendgemaakt dat er in Toronto (Canada) een groot congres van Bijbelonderzoekers gehouden zou worden. Vader zei dat hij het zich niet kon permitteren erheen te gaan, maar Moeder was een vastberaden vrouw. Zij begon verscheidene huishoudelijke artikelen te verkopen, en tegen de tijd van het congres had zij acht dollar bijeengebracht. Met dat bedrag begaven zij en ik ons liftend op weg naar Toronto, een afstand van zo’n 1600 kilometer. Het kostte ons 5 dagen en 37 liften om eindelijk, daags vóór het congres, onze plaats van bestemming te bereiken. Omdat wij maar weinig geld hadden, vroegen wij om gratis huisvesting, wat wij ook kregen. Toen broeder A. H. Macmillan over onze reis hoorde, schreef hij onze ervaring op voor de congreskrant, onder de titel: „Stijgende treinkosten deren deze Bijbelonderzoekers niet”.

Moeder hield Vader op de hoogte door middel van briefkaarten. En zo besloot hij op het laatste moment om toch te komen en arriveerde hij met de auto nog net op tijd voor de openbare lezing op de laatste dag van het congres. Nu hoefden wij niet naar huis te liften. Wat een congres was het! Hoe dankbaar was ik dat wij in staat waren geweest het te bezoeken, en hoe dankbaar ook dat mijn vader erdoor geholpen werd zijn geestelijke evenwicht te herwinnen!

Jarenlang antwoordde ik op de vraag wat voor religie ik had, „IBSA”, wat stond voor International Bible Students Association (Internationale Bijbelonderzoekersvereniging). Maar ik was altijd ongelukkig met die aanduiding. Ik was daarom dankbaar toen wij in 1931 op het congres in Columbus (Ohio, VS) de nieuwe naam Jehovah’s Getuigen aannamen.

Mijn schoolcarrière

Tot de vele zegeningen die mijn leven hebben verrijkt, behoorden die welke verband hielden met muziek. Ik was dol op muziek en leerde al jong piano spelen. Jarenlang had ik het voorrecht de begeleiding voor het zingen in de gemeente te verzorgen. Voordat het Wachttorengenootschap ertoe overging opnamen van Koninkrijksliederen te maken, vroeg een zendeling die in Papua New Guinea diende, mij eens opnamen te maken van een aantal van onze liederen zodat de Papoea’s ze konden leren zingen. Ik heb dat echt met plezier gedaan.

Mijn lievelingsinstrument was evenwel de klarinet. Ik vond het heerlijk klarinet te spelen in het universiteitsorkest. De professor was zo ingenomen met mijn spel dat hij mij vroeg ook in de uit mannen bestaande band te spelen. In die tijd was het ongehoord dat een vrouw in een mannenband speelde, dus toen de bandleden hoorden wat de professor had voorgesteld, wilden zij gaan staken. Zij veranderden van gedachten toen zij ervan verwittigd werden dat zij, als zij staakten, van de universiteit gestuurd zouden worden. Er werd nog een traditie verbroken toen men mij vroeg met de band mee te lopen in een optocht die de hele dag duurde. De krant beschouwde het als een sensatie en berichtte met vette letters: „Jonge muzikante in een zee van mannen”.

Ten slotte werd mij een professoraat in de muziek aangeboden. Toen ik echter aan alle strijdpunten dacht die konden rijzen als ik muziekonderricht moest geven, bijvoorbeeld dat van mij gevraagd zou worden les te geven in religieuze of nationalistische muziek of die te spelen, besloot ik een andere richting te kiezen, en ik werd benoemd als docente in de wereldgeschiedenis. Maar die verandering weerhield mij er niet van om jaren later, toen ik internationale congressen van Jehovah’s Getuigen bezocht, in vele landen in congresorkesten klarinet te spelen.

Na verloop van tijd werd ik geschiedenislerares aan een grote middelbare school in een voorstad van Detroit (VS), en in die functie vroeg de directeur mij eens van een aantal nieuwe leerboeken er eentje aan te bevelen. Bij de beoordeling werd ik getroffen door het feit dat hoewel het oude leerboek Jehovah’s naam achtmaal vermeldde, de nieuwe boeken de God van de Hebreeën niet met name noemden, terwijl ze de namen van veel van de goden der heidense naties wel vermeldden, zoals Ra, Molech, Zeus en Jupiter. Toen er een vertegenwoordiger langskwam, vroeg ik hem waarom de naam Jehovah niet in zijn leerboek stond, en hij zei: „Wij zetten die naam niet in onze leerboeken vanwege Jehovah’s Getuigen.” Dus vertelde ik hem: „Prima! Dan zal ik uw editie niet aanbevelen.” Hij smakte het boek in zijn tas en liep met grote passen de deur uit.

Naderhand vertelde ik de directeur dat wij eigenlijk geen nieuw leerboek nodig hadden en noemde een aantal goede redenen. Hij was het met mij eens. Allen waren blij met deze beslissing toen slechts een paar maanden later besloten werd het vak wereldgeschiedenis uit het leerplan te halen. Het werd in alle veertien geassocieerde scholen vervangen door een nieuw vak, maatschappijleer genaamd. Had de school de nieuwe geschiedenisboeken gekocht, dan zou dat een enorme strop zijn geweest!

Ik heb veel leuke dingen beleefd in de tijd dat ik les gaf en heb altijd een strikte orde gehandhaafd. Ik heb er een aantal levenslange vriendschappen aan overgehouden. Ik had ook veel gelegenheden om informeel getuigenis te geven. Maar tijd en omstandigheden brachten mij er uiteindelijk toe in de volle-tijddienst te gaan.

Internationale congressen

Nadat ik twintig jaar in het onderwijs had gezeten, werden mijn ogen slechter. Bovendien hadden mijn ouders behoefte aan mijn aanwezigheid, dus vroeg mijn vader mij naar huis te komen, aanvoerend dat er een belangrijker onderwijzingswerk te doen was en dat Jehovah erop zou toezien dat ik niet verhongerde. Ik verliet het onderwijs in 1955, en één van de eerste zegeningen die mij daarna ten deel viel, was het bijwonen van de reeks „Zegevierend Koninkrijk”-congressen in Europa. Hoe dankbaar stemde het mij om met onze broeders en zusters in Europa samen te zijn, van wie velen zo geleden hadden in de Tweede Wereldoorlog! Het was vooral een zegen een van de 107.000 te zijn die de Zeppelinwiese in Neurenberg vulden, waar Hitler van plan was geweest na de Tweede Wereldoorlog zijn overwinningsparade te laten houden.

Dat was nog maar de eerste van vele wereldreizen die ik heb mogen maken. In 1963 behoorden mijn moeder en ik tot de 583 congresgangers die een reis rond de wereld maakten met de „Eeuwige goede nieuws”-congressen. Die reis bracht ons van New York naar Europa, vervolgens naar Azië en de eilanden in de Grote Oceaan, en eindigde in Pasadena (Californië). Tijdens die reis hadden wij de in de inleiding beschreven angstige ervaring. Latere reizen brachten ons naar congressen in Zuid-Amerika, de Grote Oceaan en Afrika. Ja, deze reizen verrijkten mijn leven, en de mogelijkheid om in veel van deze plaatsen in het congresorkest te spelen, was een plezierige bijkomstigheid voor een muziekliefhebster.

Ik sluit mij bij de pioniersgelederen aan

Nadat ik in 1955 uit Europa was teruggekeerd, vergezelde ik mijn moeder een jaar in de pioniersdienst, en toen vroeg het Genootschap mij om met een kleine gemeente in Apalachicola in West-Florida (VS) samen te werken. Zeven jaar lang hielpen een andere zuster en ik met het werk daar, en al gauw kon de gemeente een Koninkrijkszaal bouwen om de toename op te vangen. De groei hield aan, en niet lang daarna werd er nog een gemeente opgericht, in Port Saint Joe. Ik werkte elf jaar met drie gemeenten in West-Florida samen.

De kringopziener vroeg mij eens een plaats voor een kringvergadering te zoeken. Ik kon het prestigieuze Centennial Building in Port Saint Joe huren voor slechts $10. Maar wij hadden ook een cafetaria nodig, en wij dachten erover de faciliteiten van een school te gebruiken. Ik bemerkte echter dat de ambtenaar onder wie de scholen ressorteerden, een tegenstander was, en hij zei dat ik met het schoolbestuur zou moeten spreken. De burgemeester kwam ook naar die bijeenkomst, aangezien hij er een voorstander van was dat wij de cafetaria gebruikten. Toen hij vroeg welke bezwaren er tegen onze aanwezigheid waren, zei de voorzitter van het schoolbestuur dat er geen precedent voor was dat een religieuze groep de faciliteiten van een school had gebruikt. De burgemeester wendde zich tot mij voor een antwoord. Welnu, ik had een aantal strooibiljetten die aantoonden dat wij in andere steden van schoolfaciliteiten gebruik hadden gemaakt voor onze bijeenkomsten, en vervolgens vestigde ik de aandacht op Handelingen 19:9, waar staat dat de apostel Paulus predikte in de aula van een school. Dat gaf de doorslag. Het bestuur was het met de burgemeester eens dat wij de cafetaria mochten gebruiken — voor $36.

Toen ik nog maar dertien was, op welke leeftijd ik gedoopt werd, bad ik: „O God, laat mij alstublieft één persoon in de waarheid brengen.” Dat gebed werd nu vele malen verhoord, aangezien ik het gezegende voorrecht had heel wat personen te helpen hun standpunt voor Jehovah en zijn koninkrijk in te nemen. Herhaaldelijk werd ik echter net voordat een bijbelstudent het punt van opdracht en doop bereikte, aan een andere gemeente toegewezen. Niettemin werd het mij vergund te planten en te begieten, en veel van deze studenten zijn vrienden voor het leven gebleken. Een aandeel te hebben aan zulke vruchtbare activiteiten gaf mij werkelijk veel redenen om dankbaar te zijn.

Hulp van de media

Hoewel de media in veel plaatsen steeds weer ongunstige berichten uitbrengen over de activiteit van Jehovah’s Getuigen, kan ik tot mijn blijdschap zeggen dat de media in de omgeving van De Land (Florida) — waar ik nu dien — mij geholpen hebben getuigenis te geven. Zo stuurden mijn moeder en ik op een van die congres-wereldreizen uitvoerige verslagen naar de plaatselijke krant, en deze werden grif gepubliceerd, met foto’s en al. De verslagen hadden de vorm van reisverhalen, maar wij wisten ze altijd te gebruiken om getuigenis omtrent Jehovah’s naam en koninkrijk te geven.

Hetzelfde geldt voor het straatwerk dat ik doe. Ik heb een vast plekje op de hoek van een straat, waar ik twee tuinstoelen heb staan, een om op te zitten en een waarop ik de lectuur uitstal. Op een keer verscheen er in een plaatselijke krant een artikel van een halve pagina met een foto, onder het opschrift: „Deland’s Lottie zet het werk van haar ouders als Getuigen voort”. Meer recent, in 1987, stond in een andere krant een artikel van een halve pagina met een grote kleurenfoto onder de kop: „Lottie Hall heeft haar eigen hoekje afgebakend voor Christus”. Het jaar daarop had weer een andere krant een voorpaginafoto van mij, vergezeld van opmerkingen als: „Zij is er altijd” en „Zittend in een tuinstoel gebruikt de gepensioneerde onderwijzeres haar post op de hoek van de straat om het zendingswerk van Jehovah’s Getuigen te doen.” Ook heeft het plaatselijke tv-station viermaal beelden van mijn getuigeniswerk uitgezonden. Ik blijf in beperkte mate aan alle takken van de Koninkrijksbediening deelnemen: de van-huis-tot-huisprediking, nabezoeken en huisbijbelstudies. Vanwege mijn leeftijd en lichamelijke gebreken breng ik nu echter heel wat tijd door met straatwerk.

Terugblikkend moet ik zeggen dat ik werkelijk reden te over heb om dankbaar te zijn. Naast de zegeningen die allen van Jehovah’s volk gemeen hebben, heb ik als onderwijzeres het voorrecht gehad veel jonge mensen te beïnvloeden; ik heb de vreugde ervaren over de hele wereld een aantal congressen te bezoeken; mijn pioniersdienst is zeer produktief geweest; en ook ben ik gezegend in verband met muziek. Dan was er nog het getuigenis dat ik kon geven door middel van de media. Ja, ik kan echt met de psalmist David zeggen: „Ik wil de naam van God loven met een lied, en ik wil hem grootmaken met dankzegging.” — Psalm 69:30.

[Illustratie van Lottie Hall op blz. 10]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen