Religie — Waarom bestaat er zo weinig interesse voor?
„EEN man zonder religie is als een huis zonder ramen.” Zo bracht een Japanse man tegenover zijn zoon, Mitsoeo, de noodzaak van religieuze verlichting onder woorden. Mitsoeo nam zijn vaders woorden echter niet serieus. En een groeiend aantal mensen in Japan, evenals elders, schijnt dat evenmin te doen. Zij zijn ermee tevreden „een huis zonder ramen” te zijn en stellen er weinig belang in religieus licht hun leven te laten binnenschijnen.
Toen er dan ook in Japan een nationaal karakteronderzoek werd gehouden, beleed 69 procent van de Japanners dat zij zichzelf niet als religieus beschouwden. Onder jonge mensen lag de verhouding nog hoger. Insgelijks gaat in het eens vrome boeddhistische Thailand 75 procent van hen die in de stadsgebieden wonen, niet meer naar een boeddhistische tempel. In Engeland is de afgelopen 30 jaar bijna een achtste van de anglicaanse kerken gesloten omdat ze in onbruik waren geraakt.
Toch is in Japan allerlei religieuze ’versiering’ nog heel duidelijk aanwezig. Maar net als kostbaar porselein wordt dat alles slechts bij zeldzame gelegenheden — zoals bruiloften en begrafenissen — te voorschijn gehaald. Religie wordt meer gewaardeerd vanwege haar rol als behoedster van de plaatselijke cultuur en het familie-erfgoed dan vanwege geestelijke verlichting. Velen bezien religie louter als een placebo, een nepgeneesmiddel met louter psychische werking, voor de zwakken en gekwelden; zij kunnen er geen enkel ander concreet voordeel aan ontdekken. ’Religie is prima als je er de tijd voor hebt of er behoefte aan hebt,’ zeggen sommigen, ’maar je moet op jezelf vertrouwen om in je levensonderhoud te voorzien en de rekeningen te betalen.’
Wat ligt aan deze apathie ten grondslag? Er zijn een aantal oorzaken te noemen. Allereerst is er het milieu. Veel jongeren hebben weinig of geen religieus onderricht gekregen. Het wekt dan ook weinig verwondering dat veel van degenen die in een maatschappij leven die grote waarde hecht aan materiële doeleinden, opgroeien tot materialistische volwassenen.
In sommige landen heeft het schandalige gedrag van hebzuchtige en immorele tv-evangelisten en andere belangrijke religieuze leiders, alsook de betrokkenheid van religie bij politieke aangelegenheden en oorlogsinspanningen, eveneens mensen van religie afgekeerd. Dit wordt geïllustreerd door wat er met de sjintô-religie in Japan gebeurde. „Toen de oorlog [Tweede Wereldoorlog] in augustus 1945 in een nederlaag eindigde, werden de sjintô-heiligdommen met een ernstige crisis geconfronteerd”, merkt de Encyclopedie van de Japanse religies op. Het sjintô, dat het oorlogsvuur had aangewakkerd en de overwinning had beloofd, had de mensen teleurgesteld. De filosofie dat er geen God of Boeddha is, verbreidde zich snel.
Maar dienen wij wel echt tevreden te zijn met zelfzuchtige, kortzichtige opvattingen — met het hier en nu? De meeste mensen hebben een onderzoekende geest. Zij zouden willen weten waar zij vandaan komen, waar zij heengaan, waarom zij leven en hoe zij moeten leven. Voor de mens geldt dat hoop doet leven. Levensvragen wegduwen of onderdrukken met de gedachte dat „het antwoord toch niet te achterhalen is”, is onbevredigend. Zelfs de atheïst Bertrand Russell sprak over het ervaren van „een vreemde wilde pijn — een zoeken naar iets dat uitstijgt boven wat er in de wereld is”. De ware religie zou een eind kunnen maken aan dit zoeken. Maar hoe? Welk bewijs is er dat ook maar één religie het verdient zo serieus genomen te worden?