Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w90 1/10 blz. 26-29
  • Jehovah heeft mijn vaste besluit gezegend

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah heeft mijn vaste besluit gezegend
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Als gezin aan het zwerven
  • Het eerste contact met de bijbelse waarheid
  • Mijn innigste wens vervullen
  • Nieuwe deuren van dienst gaan open
  • De Koninkrijksbelangen verdedigen
  • Gilead sterkt mij in mijn vaste besluit
  • Jehovah behoedt ons
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1987
  • Volharding leidt tot vooruitgang
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Volharding leidt tot vreugde
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
  • Geschraagd door mijn vertrouwen in Jehovah
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
w90 1/10 blz. 26-29

Jehovah heeft mijn vaste besluit gezegend

ZOALS VERTELD DOOR RICHARD WUTTKE

„Je hebt nog maar drie maanden te leven!” „Wat bedoel je?” „Dat heeft de arts die je in Assis hebt bezocht, me verteld”, antwoordde mijn broer William.

MAAR ik wilde leven, en niet sterven. Voor het eerst bad ik tot God om hulp. Gelukkig kan ik nu, 46 jaar later, zeggen dat hoewel de arts niet zei wat mijn probleem was, zijn diagnose verkeerd was. De angst bracht mij er echter toe na te denken over mijn doel in het leven en de noodzaak onze Schepper te dienen.

Als gezin aan het zwerven

Toen ik op 11 november 1921 geboren werd, woonden mijn ouders in Grosen, een stadje in Oost-Duitsland. Zij waren in Rusland geboren als kinderen van Duitse immigranten. Maar toen de Russische Revolutie in 1917 het communisme inluidde, werden zij met nog anderen van Duitse origine gedeporteerd en verloren al hun bezittingen. Na een lange reis per goederentrein kwamen mijn ouders met hun kleine kinderen bij de Duitse grens aan. Hun werd echter de toegang geweigerd, en zij moesten de reis terug naar Rusland maken. Daar werden zij ook niet meer toegelaten, dus moesten zij weer terug naar Duitsland. Na maanden van ontbering mochten zij ten slotte het land in.

Toen ik tien was, stierf mijn vader. Twee jaar later, in 1933, kwam Hitler aan de macht en werd ik gedwongen mij bij de Hitlerjugend aan te sluiten. Tijdens het Hitlerregime werd het Duitsers die in andere landen waren geboren moeilijk gemaakt, en er waren aanwijzingen dat Duitsland zich op een nieuwe oorlog voorbereidde. Daarom besloten wij naar Brazilië te emigreren, aangemoedigd door anderen die daar al naar toe verhuisd waren. Wij kwamen in mei 1936 in Santos (Brazilië) aan.

Na een paar maanden op een koffieplantage gewerkt te hebben, kochten wij een kleine boerderij in een vruchtbare streek in de omgeving van Maracaí in de staat São Paulo. Terwijl wij ons huis bouwden, konden wij in het huis van de lutherse predikant logeren. Hij moedigde ons aan zijn kerk te bezoeken, maar toen hij, en later zijn opvolger, in zijn preken over politiek begon te praten, verlieten wij de kerk.

Het eerste contact met de bijbelse waarheid

Omstreeks die tijd deelde mijn broer mij de rampzalige diagnose van de arts mee. Dus ging ik naar São Paulo om een tweede arts te raadplegen. Tijdens mijn verblijf daar kreeg het gezin waar ik logeerde, bezoek van een vriend van hen, Otto Erbert. Hij was een van Jehovah’s Getuigen en begon ons getuigenis te geven. Het gezin stelde wat hij zei echter niet op prijs, en één voor één verlieten zij allen de kamer en lieten mij met hun bezoeker alleen.

Otto sprak ongeveer twee uur met mij over de onderwerpen hellevuur, onsterfelijkheid van de ziel, de ware God, Jehovah, zijn koninkrijk en de hoop om eeuwig op een paradijsaarde te leven. Wat een schitterende toekomst schilderde hij! Hoe verschilde dit van wat ik in de Lutherse Kerk had geleerd! Ten slotte vroeg Otto: „Geloof je in de valse leringen van de christenheid of in de bijbel?”

„In de bijbel”, antwoordde ik.

„Ga hem dan bestuderen!”, spoorde hij aan en voegde eraan toe: „Als je er meer over wilt horen, zoek me dan op.” Daar hetgeen ik gehoord had, vooral over eeuwig leven op aarde, mij beviel, zocht ik hem de volgende dag op. Dat tweede gesprek overtuigde mij ervan dat ik de ’waarheid die mensen vrij maakt’, gevonden had (Johannes 8:32). Ik vertrok met een brochure, Gezondheid en Leven, en een uitnodiging voor een bijbelstudie in het Duits.

Mijn innigste wens vervullen

Intussen kreeg ik de juiste medische behandeling en kon ik weer naar huis. Ik nam Otto Erbert mee voor een vakantie. Moeder was erg blij dat ik de bijbel, het boek dat altijd bij ons op tafel lag maar waar nooit in werd gelezen, bestudeerde. Nadat Otto naar São Paulo was teruggekeerd, bestudeerde ik bijna elke avond zo goed ik kon met mijn familie de bijbel. Ik was dolgelukkig toen mijn moeder, mijn broer Robert en mijn zuster Olga allen de waarheidsboodschap aanvaardden. Ons huis was altijd een centrum van sociale activiteiten geweest, maar nadat wij ongeveer twee maanden getuigenis hadden gegeven, was het zo goed als leeg. Een van degenen die altijd bij ons thuis kwamen, zei: „Als jullie zo doorgaan, komen jullie nog in een inrichting terecht!”

Mijn verlangen om Jehovah te dienen, bleef echter groeien. Ik kocht meer publikaties, en vaak las ik tot diep in de nacht. Maar alle lectuur was in het Duits, en ik besefte dat ik om anderen te kunnen onderwijzen, Portugees zou moeten leren. Zo kwam het dat ik in 1945 naar São Paulo verhuisde om Portugees te studeren. Ik woonde bij Otto Erbert, die later met mijn zuster Olga trouwde.

Ik begon met ongeveer 50 anderen de vergaderingen in de enige Koninkrijkszaal in São Paulo bij te wonen. Die ene gemeente is nu uitgegroeid tot meer dan 510 gemeenten in de agglomeratie Grande São Paulo, met ruim 50.000 Koninkrijksverkondigers. Op 6 januari 1946 werd ik als symbool van mijn opdracht om Gods wil te doen, gedoopt. Datzelfde jaar bezocht ik het „Theocratische Congres der Verheugde Natiën” in São Paulo, mijn eerste grote congres. Wat was het opwindend te zien dat er op zondag 1700 aanwezigen waren! Op dit congres ontmoette ik Otto Estelmann, die mij aanmoedigde met de woorden: „Richard, je bent jong, je bent gezond, ga toch pionieren.”

Ik had al eerder over de volle-tijddienst nagedacht, maar nu deed ik het serieuzer. Met nog twee anderen stelde ik een datum vast, een half jaar later, om te beginnen. Toen de tijd daar was, vroeg ik hun: „Zijn jullie zover?” Geen van beiden was zover. Dus zei ik hun dat ik in ieder geval zou beginnen. „Je zult het moeilijk hebben”, waarschuwden zij. Maar ik bleef bij mijn besluit. Op 24 mei 1947 ontving ik mijn aanstelling als gewone pionier.

Nieuwe deuren van dienst gaan open

Ik had een enorm gebied, dat woon- en zakenwijken van São Paulo omvatte. Ik verspreidde elke maand honderden boeken en brochures. Op een ochtend betrad ik een groot vertrek waar verscheidene mannen werkten. Ik ging naar de eerste toe en bood hem het boek „De Waarheid Zal U Vrijmaken” aan.

„Hoeveel boeken hebt u in uw tas?”, vroeg hij.

„Ongeveer twintig”, antwoordde ik. Hij nam ze allemaal en gaf aan elk van de daar aanwezige mannen een exemplaar. Het bleek het stadhuis te zijn!

Mijn grootste vreugde putte ik evenwel uit het leiden van huisbijbelstudies. Dank zij Jehovah werden binnen vier jaar 38 van degenen met wie ik studeerde, gedoopt. Verscheidenen namen de volle-tijddienst op zich. Tot hen behoorde Afonso Grigalhunas, die meer dan tien jaar, tot zijn dood in 1988, als hulppionier heeft gediend — en dat met een kunstbeen. Dan was er de familie Ciuffa. Francisco, een zoon, diende jarenlang als reizende opziener, en zijn zuster, Ângela, pioniert nog steeds.

In 1951 werd ik uitgenodigd voor de reizende dienst. Mijn toewijzing omvatte uitgestrekte gebieden van de staten Rio Grande do Sul en Santa Catarina. Daar in het zuiden van Brazilië woonden duizenden mensen van Europese afkomst. De meeste bezoeken golden geïsoleerde personen en groepen, aangezien er destijds weinig gemeenten waren. Er waren volop rivieren maar weinig bruggen, wat betekende dat ik de kleinere rivieren moest doorwaden met mijn koffer op mijn rug en mijn schrijfmachine en tas in mijn handen. De wegen waren onverhard en zaten vol kuilen. Om mijn kleding tegen het stof te beschermen, droeg ik een lichte kiel. Dit bracht sommigen ertoe te denken dat ik hun nieuwe priester was, waarop zij probeerden mijn hand te kussen.

De Koninkrijksbelangen verdedigen

Terwijl ik probeerde problemen te relativeren, volgde ik dit principe: Als anderen zo ver van de steden vandaan kunnen leven, op deze paden kunnen lopen en deze rivieren kunnen oversteken, waarom ik dan niet, te meer daar ik met zo’n belangrijke boodschap kom?

In de kleinere steden rezen vaak problemen van andere aard. Op een keer troffen wij bijvoorbeeld regelingen om een vergadering te houden in een plaatselijke school naast een park. Aan de andere kant van het park was een kleine bar en een katholieke kerk. Toen de leraar niet kwam opdagen om de school te openen, besloot ik de lezing in het park te houden. Spoedig nadat de lezing was begonnen, kwamen er uit de bar een half dozijn mannen, die begonnen te schreeuwen en te gebaren. Later vernamen wij dat zij door de priester daarvoor betaald waren.

Ik begon luider te spreken en richtte mij rechtstreeks tot hen. Zij hielden op, en een van hen zei: „Hij praat over God. Hoe kan de priester dan zeggen dat hij uit de Duivel is?” Toen de priester zag dat de mannen niet van plan waren de vergadering op te breken, stapte hij in zijn jeep en reed om het park heen, terwijl hij schreeuwde: „Geen enkele katholiek dient deze vergadering bij te wonen!” Niemand verroerde zich, en de vergadering vond vredig voortgang.

In Mirante do Paranapanema (São Paulo) bezocht ik het hoofd van politie om de aard van ons werk uiteen te zetten en te vragen of wij een zaal konden gebruiken voor een openbare lezing. Hij zorgde ervoor dat wij een clubzaal konden gebruiken. Wij vertelden hem dat wij ook strooibiljetten zouden maken om de lezing aan te kondigen. „In welk deel van de stad gaat u ze uitdelen?”, vroeg hij. Nadat wij hem dat verteld hadden, vroeg hij er een aantal om ze in een ander deel van de stad te verspreiden. Op zondag kwam hij naar de lezing met nog twee agenten, zoals hij zei „om de orde te handhaven”.

„Wilt u dat ik uw lezing aankondig?”, vroeg hij.

„Graag,” antwoordde ik, „maar laat mij dan verklaren hoe wij onze sprekers inleiden.” Nadat hij mij had aangekondigd, ging hij op het podium zitten om te luisteren. Geloof me, het publiek gedroeg zich voorbeeldig. Wij hadden daar geen moeilijkheden, met twee agenten bij de deur en het hoofd van politie op het podium!

In maart 1956 werd ik aangesteld als districtsopziener, en ik bediende grote vergaderingen in heel Brazilië. De reisafstanden waren enorm. Eenmaal kostte het mij drie dagen om van de ene grote vergadering naar de volgende te reizen. In het noordelijke deel van het land ging de reis soms per stationcar. Deze stationcars hadden geen ramen, dus waren ze goed geventileerd, wat geen slecht idee was, aangezien zich onder de passagiers ook kippen en varkens bevonden!

Gilead sterkt mij in mijn vaste besluit

Wat was het opwindend in 1958 de Wachttoren-Bijbelschool Gilead te bezoeken! Onze klas gradueerde die zomer tijdens het congres in het Yankee Stadium en de Polo Grounds, waar 253.922 personen uit 123 verschillende landen de openbare lezing bijwoonden. Wat een schouwspel! Daarna keerde ik naar Brazilië terug, vastbeslotener dan ooit om Jehovah’s koninkrijk te blijven verkondigen.

In 1962 trouwde ik met Ruth Honemann, die al meer dan zes jaar als zendelinge in Brazilië had gediend. Na ons huwelijk bleef ik extra dienstvoorrechten genieten, zoals cursussen van de Koninkrijksbedieningsschool en de pioniersschool leiden, alsook de leiding nemen bij het regelen van nationale en internationale congressen en het bouwen van São Paulo’s eerste congreshal.

Op dit moment smaken wij het grootste voorrecht in onze hele theocratische loopbaan: wij maken deel uit van de Braziliaanse Bethelfamilie. Terugkijkend op meer dan 40 jaar volle-tijddienst, waarvan 35 jaar als reizend opziener, kan ik zeggen dat ze gevuld waren met gelukkige, lonende activiteiten (Spreuken 10:22). Ik heb veel van Jehovah’s organisatie geleerd, onder andere de noodzaak om empathie te tonen, een vriend in plaats van een baas te zijn, en het niet te druk te hebben om aan de behoeften van anderen tegemoet te komen. Tot besluit zou ik graag, in het bijzonder tegen de jongeren, willen zeggen wat broeder Estelmann jaren geleden tegen mij zei: „Je bent jong, je bent gezond, ga toch pionieren!”

[Illustratie van Richard en Ruth Wuttke op blz. 26]

[Illustratie op blz. 29]

Ons huidige tehuis, het Braziliaanse Bethel

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen