Op Jehovah vertrouwen schenkt geluk
ZOALS VERTELD DOOR JACK HALLIDAY NATHAN
U hebt misschien wel eens de uitdrukking gehoord: „Met een zilveren lepel in de mond geboren zijn.” Welnu, toen ik in 1897 het levenslicht aanschouwde, ging dat in mijn geval bijna letterlijk op.
HET zestigste jaar van koningin Victoria’s regering was aangebroken, haar diamanten jubileum. De kinderen die dat jaar in Engeland werden geboren, kregen een zilveren lepel. Het Britse Rijk beleefde zijn glorietijd en oogstte de voordelen van de industriële revolutie in eigen land en de bloeiende handel vanwege zijn welvarende koloniën.
Mijn grootvader was een jood en mijn vader werd een hebraïcus, die goed onderlegd was in de Hebreeuwse Geschriften. Maar mijn grootmoeder was de dochter van een anglicaanse bisschop, en het was aan haar invloed te danken dat mijn vader Jezus Christus als de Messias aanvaardde. Mijn beide ouders werden beïnvloed door de geschriften van Charles Taze Russell, met het gevolg dat wij nooit in de Drieëenheid of de leer van het hellevuur hebben geloofd.
In mijn kinderjaren vormden paarden nog steeds het belangrijkste vervoermiddel in Engeland, en er waren weinig „paardloze” voertuigen, ofte wel automobielen. Omdat ik zo van paarden hield, nam ik in 1913 dienst bij een met paarden uitgeruste transporteenheid van het territoriale leger. Later, met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, kwam ik in het gewone leger terecht en werd ik overgebracht naar het front in Griekenland, waar ik malaria opliep. Nog later werd ik als mitrailleurschutter naar het westelijk front in Frankrijk gestuurd en uiteindelijk werd ik in 1917 door de Duitsers gevangengenomen.
Een doel in het leven vinden in India
Na het einde van de oorlog in 1918 was er in Engeland geen werk te vinden, en daarom nam ik opnieuw dienst bij het leger en ging naar India als een deel van het koloniale leger in vredestijd. In mei 1920 stak de malaria de kop weer op en werd ik naar boven gestuurd, de heuvels in, om te herstellen. Daar las ik alle boeken die ik te pakken kon krijgen, met inbegrip van de bijbel. Het lezen van de bijbel versterkte mijn belangstelling voor de wederkomst des Heren.
Maanden later, toen ik weer beneden was, in Kanpur, richtte ik een bijbelstudiegroep op, in de hoop meer over de wederkomst des Heren te weten te komen. Daar ontmoette ik Fredrick James, een voormalig Brits soldaat die nu een ijverige Bijbelonderzoeker was. Hij legde mij uit dat Jezus sinds 1914 onzichtbaar voor mensen aanwezig was. Dit was het meest opwindende nieuws dat ik ooit gehoord had. Mijn eerste wens was het leger te verlaten. Het bloedvergieten en doden tijdens de oorlog in Europa waren weerzinwekkend voor mij geweest. Ik wilde een vreedzame zendeling zijn en dit goede nieuws over Christus’ tegenwoordigheid prediken.
Het leger wilde mij echter niet ontslaan. In plaats daarvan zonden zij mij naar het westen van India, nu Pakistan. Toen ik daar was, las ik Studies in the Scriptures, van de hand van Charles Taze Russell, en raakte er meer dan ooit van overtuigd dat ik gehoor moest geven aan de oproep om te prediken. Ik begon nachtmerries te krijgen die mij neerslachtig maakten. In wanhoop schreef ik broeder James, die mij bij zich thuis in Kanpur uitnodigde. De dag dat ik arriveerde, was de dag van de Gedachtenisviering ter herdenking van de dood des Heren. Die dag heeft een grote invloed op mijn leven gehad — ik besloot zowel ongehuwd te blijven als de volle-tijdbediening tot mijn levensdoel te maken.
Terug in Engeland
Eind 1921 werd ik naar Engeland overgeplaatst en in het voorjaar van 1922 werd ik uit het leger ontslagen. Die zomer kwam J. F. Rutherford, de tweede president van het Wachttorengenootschap, naar Engeland, en samen met mijn ouders ging ik naar de Royal Albert Hall in Londen om naar zijn lezing te luisteren. Daarna voelde ik mij geroepen mij aan te bieden om op Bethel te werken, zoals de bijkantoren van het Wachttorengenootschap worden genoemd, maar ik werd vriendelijk aangemoedigd eerst wat colporteurswerk (volle-tijdprediking) te doen. Ik zei dus mijn baan op en aanvaardde een gebiedstoewijzing in het zuiden van Engeland. Zonder ervaring, met een crown (ƒ 1,–) op zak en met vertrouwen in Jehovah, begon ik mijn carrière als volle-tijdbedienaar. Omstreeks maart 1924 werd ik uitgenodigd om op Bethel te komen werken.
Het daaropvolgende jaar werd mij echter verzocht Bethel te verlaten, en ik was gebroken, omdat ik vond dat ik streng onderricht had ontvangen voor iets waarvoor ik niet verantwoordelijk was. In die korte tijd was Bethel mijn leven geworden. Maar door het probleem in gebed aan Jehovah voor te leggen en erop te vertrouwen dat zijn wil gedaan zou worden, kon ik vreugdevol volharden in de pionierstoewijzing die mij werd gegeven. In mei 1926 werd ik opnieuw uitgenodigd om op Bethel te komen, waar ik de volgende elf jaar ben gebleven.
Toen broeder Rutherford Engeland in 1936 weer bezocht, nodigde hij mij uit naar Canada te gaan om daar aan het Koninkrijkswerk deel te nemen. Maar als gevolg van een misverstand haalde ik mij broeder Rutherfords misnoegen op de hals door een bepaalde vertrouwelijke inlichting te onthullen. Ik kan mij zijn woorden nog precies herinneren: „Jack, ik kan je niet vertrouwen. Verscheur je tickets maar!” Wat een verpletterende ervaring! Maar ik had dat strenge onderricht hard nodig, en daarna kreeg ik samen met een andere broeder de toewijzing om gedurende de volgende acht maanden te pionieren. Dat dienstvoorrecht hief mij uit mijn wanhoop op en ik heb van het strenge onderricht geleerd.
Uitgebreidere dienst in Canada
Ongeveer een jaar later, toen broeder Rutherford weer in Engeland was, bracht hij het onderwerp Canada opnieuw ter sprake. Ik was erop gebrand te gaan en nam de toewijzing om daar te werken enthousiast aan. Na enkele maanden op het Canadese Bethelhuis gediend te hebben, kreeg ik de toewijzing om als reizend vertegenwoordiger van het Genootschap in zuidwest-Ontario te dienen. De meeste gemeenten daar waren klein en hadden veel aanmoediging nodig. Maar wat waren die vroege jaren vreugdevol, ondanks fysieke moeilijkheden in de vorm van extreme weersomstandigheden en onzekere vervoersmogelijkheden!
Ik zal nooit de hartelijkheid en geestelijke waardering vergeten van een kleine gemeente inheemse Indianen in de buurt van Brantford. Het was winter en er lag veel sneeuw, waar ik met mijn T-Ford moeilijk door kon komen. Niemand verwachtte mij, en toen ik kwam, bleken de broeders en zusters het bos ingegaan te zijn om brandhout te halen. Dus ging ik op pad om hen te zoeken, tot mijn middel in de sneeuw. Toen ik hen eindelijk ontmoette, waren zij verbaasd maar blij mij te zien. Zij lieten alles in de steek, gingen naar huis en troffen regelingen om nog diezelfde avond bijeen te komen.
In de buurt van Beamsville hebben getrouwe broeders en ik maanden achtereen te maken gehad met gekozen ouderlingen en afvalligen. Wat was het een voorrecht te zien hoe Jehovah’s geest werkzaam was om de situatie tot klaarheid te brengen! Vertrouwen in Jehovah en loyaliteit ten opzichte van zijn organisatie hebben in die vroege jaren vele zegeningen voor de gemeenten tot resultaat gehad. Heel wat kinderen uit die gemeenten zijn opgegroeid tot pioniers, Bethelieten, zendelingen en reizende opzieners. Ik ben nooit vergeten hoe vreugdevol het was bij loyale christelijke gezinnen te logeren die zulke fijne jonge mensen hebben voortgebracht. Deze gezinnen werden mijn familie, en hun kinderen werden mijn kinderen.
Jaren onder verbodsbepalingen
Als gevolg van de oorlogshysterie in 1940 werd het werk van Jehovah’s Getuigen wettelijk verboden. Wat een schok! In radiouitzendingen van regeringswege werd ons bevolen onze lectuur, onze gemeenteberichten en de sleutels van onze Koninkrijkszalen aan de politie over te dragen. Omdat ik de ernst van de situatie inzag, ging ik de gemeenten af en spoorde hen aan hun lectuur en berichten te verbergen. De broeders werden aangemoedigd in particuliere huizen bijeen te komen, elke week in een ander huis. Na verloop van tijd stelden de gemeenten de van-huis-tot-huisprediking weer in, waarbij alleen de bijbel werd gebruikt. Dit bleek een zegen te zijn, omdat wij allen leerden onze bijbel beter te gebruiken.
Later in dat jaar ontvingen wij een grote voorraad van de brochure End of Nazism uit de Verenigde Staten. Er was veel vindingrijkheid voor nodig om deze verboden lectuur Canada binnen te krijgen. Sommige broeders pikten liftende soldaten op, die op de dozen zaten en de verboden brochure daardoor onbewust beschermden. Toen, op zekere morgen in november, tussen drie en zes uur, hielden Getuigen in het hele land een bliksemactie waarin zij bij de meeste huizen in Canada een exemplaar van deze brochure achterlieten.
Tijdens de jaren van de verbodsbepaling bleef ik in Canada’s westelijke provincie Brits-Columbia pionieren. Vóór de oorlog hadden de broeders gebruik gemaakt van een boot om de mensen in de dorpen aan geïsoleerde inhammen, van Vancouver helemaal tot Alaska, te bezoeken. Toen de verbodsbepaling van kracht werd, was er heel wat lectuur aan boord, en daarom lieten de Getuigen die achter bij vriendelijke mensen langs de route naar de haven waar de boot in beslag genomen zou worden. Later ging ik met een vissersboot bij deze mensen aan om na te gaan waar de lectuur zich bevond, en vervolgens trof ik regelingen dat de broeders ze in de zalmtijd bij deze geïnteresseerde mensen ophaalden. Na verloop van tijd werd de lectuur, weggemoffeld in het ruim van vissersboten, naar Vancouver gebracht om verder verspreid te worden.
Eind 1943 ontvingen wij bericht dat het verbod tegen Jehovah’s Getuigen was opgeheven. Het bleef echter van kracht tegen het Wachttorengenootschap. Daarom gingen wij net als vroeger te werk en gebruikten in onze van-huis-tot-huisbediening alleen de bijbel. Maar nu konden wij ons openlijk identificeren als Jehovah’s Getuigen. Toen het verbod pas van kracht was geworden, telden wij ongeveer 6700 Getuigen; toen het werd opgeheven, waren wij 11.000 man sterk!
Het leven als reizend opziener
Als reizend vertegenwoordiger van het Genootschap heb ik in de volgende paar jaar talloze kilometers afgelegd om met de gemeenten samen te werken en hen aan te moedigen. ’s Winters vergezelde ik de broeders en zusters in een uniek voertuig, een caboose genaamd. Dit was een door paarden getrokken overdekte arreslee, compleet met houtkacheltje en schoorsteen. Vaak reisden wij, na vóór dag en dauw met wel zes personen aan boord vertrokken te zijn, zo’n 35 of meer kilometer door diepe sneeuw en deden onderweg boerderijen aan. De voerman moest oppassen, omdat sneeuwbanken de caboose konden doen kantelen, waardoor de inzittenden er samen met de gloeiende houtbrokken van de kachel uitgeworpen zouden worden.
In 1947 werd ik aangesteld als opziener van het eerste district van het land, dat heel Canada besloeg. Ik moest bijna elke week een kringvergadering bedienen. De kringvergaderingen werden in ijsstadions, op voetbalvelden, op renbanen, in verenigingsgebouwen en in wijkgebouwen gehouden. Voordat het programma kon beginnen, kostte het veel tijd en aandacht om regelingen voor deze vergaderingen te treffen. In 1950 werd Frank Franske als de tweede districtsopziener in Canada aangesteld en later werden nog vijf andere broeders aan de gelederen van deze reizende opzieners toegevoegd.
In de loop der jaren heb ik met lichte vliegtuigjes gereisd, met vissersboten, met sneeuwvoertuigen in diverse uitvoeringen, voorzien van rupsbanden en ski’s, of met een propeller van achteren en ski’s van voren voor de besturing, en met conventionelere transportmiddelen — trein, bus en auto. Soms scheerden wij in een vliegtuig rakelings over de toppen van de majestueuze Rocky Mountains, om daarna diepe, verborgen liggende valleien in te duiken teneinde geïsoleerde groepjes broeders en zusters te bereiken.
Ik heb heel Canada herhaaldelijk doorkruist. Vaak had ik logies in blokhutten die zo koud waren dat wij ’s ochtends onze adem konden zien, en in boerderijen die niet waren voorzien van de moderne gemakken. Maar in al deze omstandigheden heb ik een grote voldoening gekend, omdat ik wist dat ik Jehovah’s werk deed en Jehovah’s volk aanmoedigde.
Verdere dienstvoorrechten
De afgelopen 33 jaar heb ik het voorrecht gehad deel uit te maken van de Canadese Bethelfamilie en als congresspreker te dienen in Engeland, Europa, Afrika, Australië, Nieuw-Zeeland en het Verre Oosten. In Australië ontmoette ik de dochter van broeder James, die mij in India zo had aangemoedigd. Broeder James is nooit zendeling geweest, maar hij heeft een voortreffelijke geestelijke erfenis aan zijn gezin doorgegeven.
Nu ben ik in het Canadese Bethelhuis omringd door honderden jonge mannen en vrouwen. De manier waarop zij hun jeugdige kracht in Jehovah’s dienst gebruiken, is aanmoedigend en stimulerend. Mijn ogen zijn dof geworden, maar deze jongeren lezen mij voor. Mijn benen zijn zwak geworden, maar zij nemen mij met zich mee in de velddienst. Sommigen vragen hoe ik het hoofd bied aan de gezondheidsproblemen in verband met mijn voortschrijdende ouderdom. Welnu, ik bestudeer Gods Woord elke dag. Hierdoor blijven mijn geest en hart op geestelijke zaken gericht.
Ik acht het beslist een groot voorrecht om gedurende de nu al 69 jaar dat ik een opgedragen leven leidt, waarvan 67 jaar in de volle-tijddienst, met mijn hemelse Vader, Jehovah, te mogen spreken en wandelen. Ik heb Jehovah altijd gekend als een liefdevolle, meedogende God, die menselijke zwakheden vergeeft en kracht en sterkte geeft aan degenen die zich op hem verlaten. Ik koester de hoop mijn rechtschapenheid en loyaliteit jegens Jehovah en zijn organisatie tot het einde te bewaren, vertrouwend op de belofte dat ik te zijner tijd met mijn geliefde Heer, Jezus Christus, en met vele van mijn getrouwe broeders en zusters verenigd zal worden in hemelse heerlijkheid. — Psalm 84:12.
[Illustratie van Jack Halliday Nathan op blz. 10]
[Illustratie op blz. 12]
Sneeuwvoertuigen trokken het hele land door met snelheden van wel 80 km per uur
[Illustratie op blz. 13]
In de winter werd een door paarden getrokken „caboose” gebruikt om op de prairies van Canada te prediken