Waardeert u wat God heeft gedaan?
„Wil iemand achter mij komen, dan moet hij zichzelf verloochenen en zijn martelpaal dag aan dag opnemen en mij voortdurend volgen.” — LUKAS 9:23.
1. Wat zijn enkele van de schitterende gaven die God heeft verschaft?
WIJ hebben ons leven aan God te danken. Als hij de mensheid niet had geschapen, zouden wij nooit zijn geboren. Maar God heeft meer dan alleen het leven geschapen. Hij heeft ons zo gemaakt dat wij van vele dingen kunnen genieten: de smaak van voedsel, de warmte van zonlicht, het geluid van muziek, de frisheid van een lentedag, de tederheid van liefde. Meer nog, God gaf ons een verstand en het verlangen dingen over hem te weten te komen. Hij inspireerde de bijbel, die ons gezonde leiding geeft, ons laat zien hoe wij een gelukkiger leven kunnen leiden en de hoop verschaft op eeuwig leven in zijn rechtvaardige nieuwe wereld. God verschaft ook zijn heilige geest, de steun van een plaatselijke gemeente en liefdevolle oudere mannen en vrouwen die ons kunnen helpen sterk te blijven in zijn dienst. — Genesis 1:1, 26-28; 2 Timotheüs 3:15-17; Hebreeën 10:24, 25; Jakobus 5:14, 15.
2. (a) Wat is het allerbelangrijkste dat God voor ons heeft gedaan? (b) Kunnen wij redding verdienen door werken?
2 Bij dat alles heeft God zijn eigen eerstgeboren Zoon gezonden om ons meer te vertellen over wat de Vader van ons verwacht en om een „verlossing door losprijs” te verschaffen voor een ieder die deze wil aanvaarden (Efeziërs 1:7; Romeinen 5:18). Die zoon, Jezus Christus, zei: „Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Johannes 3:16, Statenvertaling). De redding die door die losprijs mogelijk is geworden, is van een zo allesovertreffende waarde dat het absoluut onmogelijk is dat iemand werken kan verrichten om ze te verdienen, zeker niet werken die vroeger onder de Mozaïsche wet werden verricht. Paulus schreef dan ook: „Een mens [wordt] niet ten gevolge van werken der wet rechtvaardig verklaard . . ., maar alleen door middel van geloof jegens Christus Jezus.” — Galaten 2:16; Romeinen 3:20-24.
Geloof en werken
3. Wat zei Jakobus over geloof en werken?
3 Redding komt door geloof, maar geloof en waardering voor alles wat God heeft gedaan, dienen ons tot actie aan te zetten. Het dient ons te motiveren tot dingen waarin ons geloof te zien is. Jezus’ halfbroer Jakobus schreef: „Geloof, indien het geen werken heeft, [is] op zichzelf dood.” Hij zei verder: „Toon mij uw geloof los van de werken, en ik zal u mijn geloof tonen door mijn werken.” Jakobus wees erop dat zelfs de demonen ’geloven en sidderen’, maar het is duidelijk dat de demonen geen godvruchtige werken verrichten. Abraham daarentegen had zowel geloof als werken. ’Zijn geloof werkte met zijn werken samen en door zijn werken werd zijn geloof tot volmaaktheid gebracht.’ Jakobus herhaalde: „Geloof zonder werken [is] dood.” — Jakobus 2:17-26.
4. Wat moesten volgens Jezus’ woorden zij doen die hem wilden volgen?
4 Ook Jezus toonde de belangrijkheid van de juiste werken aan, door te zeggen: „Laat . . . uw licht voor de mensen schijnen, opdat zij uw voortreffelijke werken mogen zien en uw Vader, die in de hemelen is, heerlijkheid geven.” „Wil iemand achter mij komen, dan moet hij zichzelf verloochenen en zijn martelpaal dag aan dag opnemen en mij voortdurend volgen.”a Als wij onszelf „verloochenen”, doen wij afstand van veel dingen die wij zelf verkozen zouden hebben. Wij erkennen dat wij alles aan God te danken hebben, en wij geven onszelf dus aan hem als zijn slaven, ons beijverend zijn wil te leren kennen en te doen, zoals Jezus deed. — Mattheüs 5:16; Lukas 9:23; Johannes 6:38.
Levens worden erdoor beïnvloed
5. (a) Wat dient zoals Petrus liet zien, onze hele levenswijze te beïnvloeden? (b) Welke voortreffelijke werken beval hij aan?
5 Petrus wees erop dat Christus’ „kostbaar bloed”, gegeven ten behoeve van ons, van zo’n allesovertreffende waarde is dat onze waardering ervoor in onze hele levenswijze zichtbaar dient te zijn. De apostel somde vele dingen op waartoe onze waardering ons behoort aan te zetten. Hij gaf de raad: ’Doe alle slechtheid weg.’ ’Vorm een verlangen naar de onvervalste melk die tot het woord behoort.’ ’Maak alom de voortreffelijkheden bekend van degene die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht.’ ’Keer u af van wat slecht is en doe wat goed is.’ ’Verdedig u voor een ieder die van u een reden verlangt voor de hoop die in u is.’ ’Leef de rest van uw tijd in het vlees niet meer voor de begeerten van mensen maar voor Gods wil.’ — 1 Petrus 1:19; 2:1, 2, 9; 3:11, 15; 4:2.
6. (a) Hoe demonstreerden eerste-eeuwse christenen hun geloof? (b) Wat dienen wij van hun voorbeeld te leren?
6 Eerste-eeuwse christenen leefden naar hun geloof. Het veranderde hun kijk en hun persoonlijkheid omdat het hen motiveerde hun leven in overeenstemming te brengen met Gods wil. Zij verdroegen liever verbanning, steniging, gevangenzetting en zelfs de dood dan hun geloof te verzaken (Handelingen 7:58-60; 8:1; 14:19; 16:22; 1 Korinthiërs 6:9-11; Efeziërs 4:22-24; Kolossenzen 4:3; Filemon 9, 10). De bekende Romeinse geschiedschrijver Tacitus, geboren omstreeks 56 G.T., zegt dat de christenen „tot de vlammen waren veroordeeld en brandden, als een verlichting van de nacht, wanneer het daglicht was geweken”. Toch wankelden zij niet! — De Annales, Boek XV, par. 44.
7. In welke situatie bevinden sommigen zich wellicht?
7 In sommige gemeenten kunt u mensen aantreffen die al jaren de vergaderingen bezoeken. Zij hebben Jehovah’s organisatie lief, zij vinden zijn volk de fijnste mensen die zij ooit hebben ontmoet, zij laten zich heel positief over de waarheid uit en verdedigen de waarheid tegenover buitenstaanders. Maar iets houdt hen tegen, iets houdt hen terug. Zij hebben nooit de voortreffelijke stap gedaan die de 3000 op de pinksterdag deden, en waarnaar de gelovige Ethiopiër informeerde, of waartoe Ananias bij Saul aandrong zodra deze vroegere vervolger tot het besef was gekomen dat Jezus werkelijk de Messias was (Handelingen 2:41; 8:36; 22:16). Wat ontbreekt er bij zulke mensen in deze tijd? Waarom hebben zij niet de stap gedaan die de bijbel omschrijft als „het verzoek aan God om een goed geweten”? (1 Petrus 3:21) Als u zelf in deze situatie verkeert — de waarheid kent maar aarzelt daar iets mee te doen — bezie dit artikel dan als materiaal dat uit een speciale liefde voor u is samengesteld.
Hindernissen voor de doop overwinnen
8. Als u nooit een goede student bent geweest, wat zou dan nu de verstandige handelwijze zijn?
8 Wat zou u in de weg kunnen staan? Het voorgaande artikel liet zien dat sommigen persoonlijke studie een probleem zouden kunnen vinden. God gaf ons een schitterend verstand, en hij verwacht dat wij dat gebruiken om hem te dienen. Sommigen die zelfs nooit hadden leren lezen, hebben zich aan die taak gezet teneinde meer over God en zijn voornemen te weten te komen. Hoe staat het met u? Als u wel kunt lezen, studeert u dan echt, zoals de Bereeërs deden, ’dagelijks zorgvuldig de Schriften onderzoekend’ om te zien of deze dingen zo zijn? Hebt u „de breedte en lengte en hoogte en diepte” van de waarheid uitgevorst? Hebt u diep genoeg in Gods Woord gegraven? Hebt u ontdekt hoe opwindend dat boek feitelijk is? Hebt u een echt verlangen ontwikkeld om Gods wil te leren kennen? Hongert u echt naar de waarheid? — Handelingen 17:10, 11; Efeziërs 3:18.
9. Wat is de juiste handelwijze als u een probleem hebt met iemand in de gemeente?
9 Soms houden mensen zich terug vanwege een werkelijk of vermeend probleem dat zij met iemand in de gemeente hebben gehad. Heeft iemand u ernstig gekrenkt? Volg dan de richtlijn die aangegeven wordt door Jezus’ woorden: „Ga zijn fout . . . blootleggen tussen u en hem alleen” (Mattheüs 18:15). Misschien zult u tot uw verrassing merken dat de persoon niet eens wist dat u gekwetst was. Maar ook als hij dat wel weet, kunt u toch ’uw broeder winnen’, zoals Jezus heeft gezegd. U zult hem misschien ook helpen een ander niet tot struikelen te brengen. Bovendien, wanneer u erbij stilstaat, wie dient u nu — die persoon of God? Is uw liefde voor God zo beperkt dat u toelaat dat een fout van een onvolmaakt mens uw liefde voor Hem in de weg staat?
10, 11. Wat dient u te doen als de een of andere geheime zonde u tot dusver heeft teruggehouden?
10 Een geheime zonde kan iemand terughouden van de doop. Dit kan iets betreffen wat in het verleden heeft plaatsgevonden, of het kan een nog steeds bestaand verkeerd patroon zijn. Als dit voor u een probleem vormt, is het dan niet tijd de aangelegenheid recht te zetten? (1 Korinthiërs 7:29-31) Velen van Jehovah’s volk hebben veranderingen in hun leven moeten aanbrengen. De bijbel zegt: „Hebt daarom berouw en keert u om, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat er tijden van verkwikking mogen komen van de persoon van Jehovah.” — Handelingen 3:19.
11 Wat u in het verleden wellicht ook hebt gedaan, u kunt berouw hebben, veranderen en God vergeving vragen. „Doodt daarom uw lichaamsleden die op de aarde zijn ten aanzien van hoererij, onreinheid, seksuele begeerte, schadelijke verlangens . . . Legt de oude persoonlijkheid met haar praktijken af en bekleedt u met de nieuwe persoonlijkheid, die door middel van nauwkeurige kennis wordt vernieuwd naar het beeld van Degene die ze schiep.” U kunt uw leven in harmonie brengen met zijn wegen, een zuiver geweten hebben en de hoop bezitten op eeuwig leven in zijn rechtvaardige nieuwe wereld. Is dat niet alle inspanningen waard die daarvoor nodig zouden zijn? — Kolossenzen 3:5-10; Jesaja 1:16, 18; 1 Korinthiërs 6:9-11; Hebreeën 9:14.
12. Wat behoort u te doen als tabak, alcoholmisbruik of drugs u verhinderen een rein geweten te hebben?
12 Verhindert tabakgebruik, alcoholmisbruik of drugverslaving u een zuiver geweten te hebben? Geven zulke levenbedreigende gewoonten niet een gebrek aan respect voor Gods prachtige gave van het leven te kennen? Als zulke gewoonten u belemmeren, is het beslist de tijd ze te corrigeren. Zijn deze gewoonten u uw leven waard? Paulus zei: „Laten wij ons reinigen van elke verontreiniging van vlees en geest, en in de vrees voor God heiligheid vervolmaken.” Hebt u genoeg waardering voor Gods reine en rechtvaardige wegen om dat te doen?b — 2 Korinthiërs 7:1.
Materiële bezittingen
13, 14. (a) Wat zegt de Schrift over materiële doeleinden? (b) Waarom is het belangrijk hemelse dingen op de eerste plaats te stellen?
13 De hedendaagse wereld plaatst succes en „het opzichtige geuren met de middelen voor levensonderhoud die men heeft” vóór bijna al het andere. Maar Jezus vergeleek „de zorgen van dit samenstel van dingen en de bedrieglijke kracht van de rijkdom” met „dorens” die het woord van God verstikken. Hij vroeg ook: „Wat voor nut zal het voor een mens hebben als hij de gehele wereld wint, maar zijn ziel verbeurt?” — 1 Johannes 2:16; Markus 4:2-8, 18, 19; Mattheüs 16:26.
14 Jezus wees erop dat God ervoor heeft gezorgd dat vogels voedsel weten te vinden en dat lelies prachtig bloeien. Toen vroeg hij: „Hoeveel meer zijt gij waard dan vogels? . . . Hoeveel te meer zal [God] dan u bekleden!” Wij doen er verstandig aan, zo zei Jezus, ’niet langer in angstige spanning te verkeren’ ten aanzien van materiële bezittingen. Hij zei: „Zoekt . . . voortdurend [Gods] koninkrijk, en deze dingen zullen u worden toegevoegd.” Hij wees erop dat wij hemelse dingen op de eerste plaats dienen te stellen omdat ’waar onze schat is, daar ook ons hart zal zijn’. — Lukas 12:22-31; Mattheüs 6:20, 21.
Godvruchtige dienst met Gods hulp
15. Welke fijne aanmoediging geeft het voorbeeld van de eerste-eeuwse christenen ons?
15 Lijkt getuigenis geven aan anderen een probleem voor u te vormen? Zorgt verlegenheid ervoor dat u zich terughoudt? Zo ja, dan is het belangrijk te bedenken dat de eerste-eeuwse christenen dezelfde soort gevoelens hadden als wij in onze tijd hebben. God koos niet veel wijzen en machtigen uit, maar hij heeft „het zwakke der wereld uitgekozen om het sterke te beschamen” (1 Korinthiërs 1:26-29). Machtige religieuze leiders boden tegenstand aan deze „gewone” mensen en geboden hun met prediken op te houden. Wat deden de christenen? Zij gingen in gebed. Zij vroegen God om vrijmoedigheid en hij gaf het hun. Het gevolg was dat hun boodschap Jeruzalem vervulde en later de hele wereld schokte! — Handelingen 4:1-4, 13, 17, 23, 24, 29-31; 5:28, 29; Kolossenzen 1:23.
16. Wat leren wij van de grote „wolk van getuigen” die in Hebreeën hoofdstuk 11 beschreven staan?
16 Mensenvrees mag dus nooit tussen ons en de dienst voor God staan. Hebreeën hoofdstuk 11 vertelt van een grote „wolk van getuigen” die God en niet mensen vreesden. Wij dienen een soortgelijk geloof aan de dag te leggen. De apostel schreef: „Omdat wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij elk gewicht en de zonde die ons gemakkelijk verstrikt, afleggen, en met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt.” — Hebreeën 12:1.
17. Welke aanmoediging gaf God bij monde van Jesaja?
17 God kan zijn dienstknechten enorm veel hulp verschaffen. De Schepper van het universum vertelde Jesaja: „Wie op Jehovah hopen, zullen nieuwe kracht verkrijgen. Zij zullen opvaren met vleugels als arenden. Zij zullen rennen en niet mat worden; zij zullen wandelen en niet moe worden.” — Jesaja 40:31.
18. Hoe zou u verlegenheid om een aandeel te hebben aan de Koninkrijksprediking kunnen overwinnen?
18 De moedige en gelukkige Getuigen die u in de plaatselijke gemeente ziet, vormen slechts een klein deel van de meer dan drie en een half miljoen ijverige dienstknechten over de hele aarde. Zij verheugen zich erin een aandeel te hebben aan het werk dat Jezus Christus zelf met de volgende woorden voorzei: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen.” Als deelname aan de Koninkrijksprediking een probleem voor u vormt, hoewel u er wel voor in aanmerking zou komen, waarom vraagt u dan niet aan een Getuige die succesvol is in de bediening, of u met hem of haar mee kunt gaan om een aandeel te hebben aan het predikingswerk? God verschaft werkelijk „kracht die datgene wat normaal is te boven gaat”, en u zult misschien verrast zijn te ontdekken wat een vreugde deze godvruchtige dienst in werkelijkheid is. — Mattheüs 24:14; 2 Korinthiërs 4:7; zie ook Psalm 56:11; Mattheüs 5:11, 12; Filippenzen 4:13.
19. Welk onderwijzingswerk droeg Jezus zijn volgelingen op?
19 Jezus verwacht dat degenen die de Koninkrijksboodschap waarderen, er ook naar handelen. Hij zei: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest, en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb.” — Mattheüs 28:19, 20.
20. Als u in geestelijk opzicht vorderingen maakt, welke vraag kan dan spoedig aan de orde zijn?
20 Beweegt uw waardering voor Gods zegeningen, voor het „kostbaar bloed” van Jezus en voor de schitterende hoop van eeuwig leven u tot actie? (1 Petrus 1:19) Hebt u uw leven in harmonie gebracht met Gods rechtvaardige vereisten? Hebt u er geregeld een aandeel aan discipelen te maken? Hebt u zichzelf verloochend en uw leven aan God opgedragen? Als het antwoord op al deze vragen een volmondig ja is, dan kan het de tijd zijn om een van de ouderlingen in de gemeente die u bezoekt, dezelfde vraag te stellen als de gelovige Ethiopiër Filippus stelde: „Wat belet mij gedoopt te worden?” — Handelingen 8:36.
[Voetnoten]
a De vertaling door J. B. Phillips geeft dit weer met „doet afstand van alle recht op zichzelf”. The New English Bible zegt „laat zijn eigen ik achter”. De Groot Nieuws Bijbel zegt „moet zichzelf vergeten”. Het Levende Woord heeft „moet zichzelf volledig wegcijferen”.
b Zie voor informatie over het breken met zulke gewoonten De Wachttoren van 1 mei 1981, blz. 3-12, en 1 september 1973, blz. 529-537, en Ontwaakt! van 8 november 1982, blz. 3-12, en 8 september 1981, blz. 3-11. Deze uitgaven zijn wellicht voorhanden in de bibliotheek van de plaatselijke Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen.
Kunt u zich dit herinneren?
◻ Welke speciale redenen hebben wij om God dankbaar te zijn?
◻ Waartoe dienen geloof en waardering ons te motiveren?
◻ Welke problemen zouden ons kunnen verhinderen God te gehoorzamen, en wat kunnen wij eraan doen?
◻ Welke vragen zouden personen die nog niet gedoopt zijn, zichzelf kunnen stellen?
[Kader op blz. 18]
’Wat voor soort „aarde” ben ik?’
Jezus gaf een illustratie van een man die uitging om te zaaien. Een deel van het zaad viel naast de weg en werd opgegeten door de vogels. Andere zaden vielen op rotsige grond zonder veel aarde. Deze ontsproten, maar toen de zon opkwam, verdorden ze en stierven. Weer andere zaden vielen tussen de dorens en werden verstikt. Jezus zei dat deze drie groepen stonden voor: ten eerste, de persoon die „het woord van het koninkrijk hoort maar de betekenis ervan niet begrijpt”; ten tweede, iemand die het woord aanvaardt maar zich ervan afwendt tengevolge van de hitte van „verdrukking of vervolging”; en ten derde, de persoon voor wie ’de zorg van dit samenstel van dingen en de bedrieglijke kracht van de rijkdom het woord verstikt’.
Maar Jezus vertelde ook van ander zaad dat op voortreffelijke aarde viel. Hij zei: „Dat is hij die het woord hoort en de betekenis ervan begrijpt, die werkelijk vrucht draagt.” — Mattheüs 13:3-8, 18-23.
Het zou goed zijn onszelf af te vragen: ’Wat voor soort „aarde” ben ik?’
[Kader op blz. 19]
Zij stierven voor hun geloof
Kent u mensen die liever zouden sterven dan hun geloof verzaken? Duizenden Jehovah’s Getuigen hebben dit gedaan. In The Nazi State and the New Religions: Five Case Studies in Non-Conformity schreef dr. Christine E. King: „Eén op elke twee Duitse Getuigen werd gevangengezet, één op de vier verloor het leven.”
Toen de gruwel van de kampen in 1945 eindelijk voorbij was, ’was het aantal Getuigen toegenomen en waren er geen compromissen gesloten’. In The Nazi Persecution of the Churches schreef J. S. Conway over de Getuigen: „Geen enkele andere sekte heeft in ook maar enig opzicht net zo’n vastberadenheid getoond en daarbij de volledige kracht van het terrorisme van de Gestapo getrotseerd.”
Jehovah’s Getuigen werden niet om politieke of raciale redenen vervolgd. In plaats daarvan leden zij uitsluitend vanwege hun liefde voor God en hun weigering hun naar de bijbel gevormde geweten geweld aan te doen.