Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w90 1/4 blz. 26-29
  • ’Ik voer op met vleugels als arenden’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • ’Ik voer op met vleugels als arenden’
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De vrede weggenomen
  • Geloof in God vinden
  • Een onverwachte vangst en de doop
  • Een ziftingsperiode
  • Verdere beproevingen doorstaan
  • De Tweede Wereldoorlog en daarna
  • Aan Jehovah’s zijde in de grote strijdvraag
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Jehovah is altijd mijn toevlucht en mijn vesting geweest
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
  • Als wij Gods wil doen, zal hij ons nooit in de steek laten
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
w90 1/4 blz. 26-29

’Ik voer op met vleugels als arenden’

Zoals verteld door Ingeborg Berg

IK BEN ruim honderd jaar geleden geboren, op 5 juni 1889, dicht bij het kasteel Fredensborg, even ten noorden van Kopenhagen. Wanneer de Deense koninklijke familie gasten had, en onder hen waren koningen en keizers uit Europese landen, werden dames uit de welgestelde families uitgenodigd om te helpen met het bereiden en opdienen van het voedsel. Als klein meisje werd ik vaak meegenomen en mocht ik in het kasteel rondlopen en spelen.

Ik kan mij nog goed het bezoek van tsaar Nicolaas II van Rusland en zijn gezin herinneren. Buiten zijn slaapvertrek stond zijn lijfwacht, een kozak met getrokken zwaard. De kozakken waren dol op kinderen, en eens wilde een van hen mij knuffelen. Bang, vooral door zijn enorme baard, rende ik weg door de lange gangen van het kasteel.

Bij een zekere gelegenheid brachten tsaar Nicolaas II, keizer Wilhelm II van Duitsland en de zoon van koningin Victoria, die later koning Eduard VII van Engeland werd, een bezoek aan de Deense koning, Christiaan IX. Toen zij door de straten van Fredensborg wandelden en vriendelijke gesprekjes met de mensen voerden, streelde tsaar Nicolaas mij over het hoofd toen ik een révérence voor hem maakte. Het was toen een vredige tijd, en regeringshoofden hoefden niet zoals nu bevreesd te zijn voor hun veiligheid.

De vrede weggenomen

In 1912 begon ik in Zuid-Jutland, onder de pro-Deense bevolking aan de Duitse kant van de grens, als verpleegster te werken. Zuid-Jutland stond sinds de in 1864 gestreden oorlog tussen Denemarken en Pruisen onder Duits bestuur. Ik hielp moeders die pas een baby hadden gekregen en leerde heel wat jonge gezinnen goed kennen.

In 1914 trouwde ik met een Deense grenswachter en kwam ik aan de Deense kant van de grens te wonen. Kort daarna brak de oorlog uit. Later noemde men deze de Grote Oorlog en uiteindelijk de Eerste Wereldoorlog. Op een ochtend werd er een prikkeldraadversperring langs de grens aangebracht, zodat men de grens niet meer vrij kon oversteken. De vrede en veiligheid die wij tot aan die tijd hadden gekend, was verdwenen.

De verschrikking en zinloosheid van de oorlog kwamen wel heel dicht bij huis toen wij hoorden dat de jonge vaders van alle gezinnen waar ik als verpleegster had gewerkt, waren opgeroepen voor militaire dienst. En allen op een na sneuvelden op het westelijke front aan de Marne! Het was verschrikkelijk aan de jonge weduwen te denken, die het verlies van hun man betreurden, en aan hun kleine kinderen, die geen vader meer hadden. Hoe konden deze jonge vrouwen voor hun boerderij zorgen? „Waar is God”, vroeg ik mij af.

Tijdens de oorlog was de situatie aan de grens vaak heel gespannen als vluchtelingen probeerden de grens over te steken. Ik had de toewijzing gekregen de vrouwen te fouilleren die van smokkelen werden verdacht. Gewoonlijk hadden zij voedsel bij zich, en ik deed vaak alsof ik het niet zag en liet hen gaan. De oorlog eindigde in 1918, en in 1920 werd Zuid-Jutland weer bij Denemarken getrokken.

Geloof in God vinden

Hoewel mijn geloof in God was verzwakt door al het onrecht dat ik zag, zocht ik naar de zin van het leven. Alfred, mijn man, en ik gingen geregeld naar de kerk, maar onze vragen werden er niet beantwoord.

In 1923 verhuisden wij naar een vissersplaatsje aan de Flensborgfjord en begon Alfred als visser te werken. Al gauw leerden wij een baptistisch gezin kennen. Hoewel wij lutheranen waren, aanvaardden wij op zekere dag hun uitnodiging om in de herberg bij het veer van Egernsund naar een bijbelse toespraak te luisteren. Voordat wij gingen, viel ik op mijn knieën en bad: „God, als u bestaat, verhoor dan alstublieft mijn gebed!”

De toespraak ging over de vrouw bij de bron van Sichar, en de lezing deed bij mij het verlangen ontstaan de bijbel te lezen. Het resultaat was dat ik als het ware een ander mens werd! Ik schreef aan mijn moeder: „U hebt altijd gezegd dat ik mij tot God moet bekeren. Ik denk dat dit nu is gebeurd; ik durfde het u niet te vertellen, omdat ik bang was dat de vreugde die ik ervaar, zou verdwijnen. Maar die blijft!”

Enige tijd later, in 1927, vond ik bij ons op zolder een brochure getiteld Vrijheid voor de volken. Mijn aandacht werd erdoor getrokken en de inhoud ervan boeide mij zozeer, dat ik alles om mij heen vergat. Pas toen de kinderen van school thuiskwamen en wilden eten, kon ik mij ervan losrukken.

Toen Alfred die avond thuiskwam, vertelde ik hem enthousiast wat ik had gelezen. Ik zei hem dat als wat in de brochure stond waar was, de kerk niet het huis van God was en wij ons moesten laten uitschrijven en de kerk onmiddellijk moesten verlaten. Alfred vond dit wel wat overhaast, en dat zei hij ook. Maar wij kwamen overeen een brief naar het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Kopenhagen te sturen en om meer lectuur te vragen.

Als antwoord op ons verzoek werd er een reizende opziener, Christian Rømer, naar ons toe gestuurd. Wij gaven hem de kamer van de kinderen en zetten hun bedden op zolder. ’s Ochtends en ’s middags ging broeder Rømer de deur uit om van huis tot huis te prediken en elke avond studeerde hij met ons. Hij bleef vier dagen en wij genoten intens. Toen hij wegging, vroeg ik Alfred opnieuw ons lidmaatschap van de kerk op te zeggen. Deze keer stemde hij er enthousiast in toe.

Alfred ging dus naar de predikant met onze opzegging. De predikant dacht dat Alfred was gekomen omdat er weer een baby gedoopt moest worden. Maar toen hij begreep waarom Alfred kwam, kon hij zijn oren niet geloven. „Wat mankeert er aan de kerk?”, wilde hij weten. Alfred noemde de leerstelling van de Drieëenheid, de onsterfelijkheid van de ziel en de eeuwige pijniging. „De bijbel leert deze dingen niet”, zei Alfred. Toen de predikant met het slappe antwoord kwam dat hij deze kwesties nooit ter sprake zou brengen bij mensen die zelf konden nadenken, zei Alfred gedecideerd: „Wij willen weg uit de kerk!”

Een onverwachte vangst en de doop

Er zou een congres gehouden worden in Kopenhagen, maar wij zaten krap bij kas en konden ons de reis niet veroorloven. Ik bad tot God of hij ons wilde tonen hoe wij daar konden komen, omdat wij ons wilden laten dopen. Kort voor het congres voer Alfred de fjord op om te vissen. Hij ving zo veel, dat de boot vol was, en nu konden wij onze reis betalen. De plaatselijke vissers waren verbaasd, omdat er dat jaar weinig in de fjord werd gevangen. Ruim vijftig jaar later spraken de plaatselijke vissers nog steeds over „het wonder”. Wij noemden het Petrus’ visvangst. Op 28 augustus 1928 werden wij dus gedoopt.

De doop verschilde van de doopplechtigheden in deze tijd. Achter een gordijn was het doopbassin. Toen het gordijn openging, stond broeder Christian Jensen klaar om de onderdompeling te verrichten. Hij was gekleed in jacquet en stond midden in het bassin tot aan zijn middel in het water. Wij doopkandidaten waren in lange witte gewaden gekleed. Eerst werden de mannen gedoopt en daarna de vrouwen.

Tijdens het congres in Kopenhagen logeerden wij bij mijn ouders. Toen ik die avond thuiskwam, vroeg mijn vader waar wij geweest waren.

„Wij zijn naar een vergadering geweest”, zei ik.

„Wat is daar gebeurd?”

„Wij zijn gedoopt”, antwoordde ik.

„Ben je gedoopt?”, tierde hij. „Was de doop die je als kind hebt ontvangen, niet goed genoeg?”

„Nee, vader”, antwoordde ik. Toen gaf hij mij een harde draai om mijn oren en schreeuwde: „Ik zal je dopen!”

Ik was 39 jaar en moeder van vijf kinderen toen ik aldus een laatste oorvijg kreeg van mijn vader, die overigens heel aardig en vriendelijk was. Hij heeft nooit meer over deze episode gerept. Gelukkig was Alfred nog niet thuisgekomen, en ik heb hem pas jaren later verteld wat er was voorgevallen.

Een ziftingsperiode

Nadat wij waren thuisgekomen, bezocht ik iemand die ik als een zuster had beschouwd en vertelde haar enthousiast over het congres en onze doop. Zij luisterde heel rustig en zei toen: „Arme, arme zuster Berg. Je moet dit niet langer geloven. Een dezer dagen zal er een broeder uit Flensborg komen, en hij zal de waarheid aan ons uitleggen.”

Ik wist niet wat ik hoorde. Ik was nauwelijks in staat naar huis te fietsen. In de buurt luidde een kerkklok, en bij elke slag was het alsof ik „dood, dood” in mijn oren hoorde dreunen. Innerlijk riep ik tot Jehovah om hulp, en de woorden van Psalm 32:8, 9 schoten mij te binnen: „Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet nadere.” — Statenvertaling.

Toen ik thuiskwam, pakte ik mijn bijbel en las het Onze Vader. Ik was gerustgesteld. De gelijkenis van de parel van grote waarde schoot mij te binnen (Matthéüs 13:45, 46). Het Koninkrijk was als die parel. Ik wilde alles wat ik bezat geven om het Koninkrijk te winnen. Deze gedachten vertroostten mij. En er waren nog meer zegeningen.

In 1930 verscheen het tijdschrift Het Gouden Tijdperk (nu Ontwaakt!) in het Deens onder de naam De nieuwe wereld. En in het jaar daarop waren wij, Bijbelonderzoekers, heel gelukkig de naam Jehovah’s Getuigen te ontvangen. Wij waren destijds slechts met weinigen in ons gebied, en af en toe werden de vergaderingen bij ons thuis gehouden. Omdat wij in een straat woonden die De Trap heette, werd ons groepje Gemeente De Trap genoemd.

Verdere beproevingen doorstaan

In 1934 onderging ik een zware operatie, en als gevolg daarvan raakte ik verlamd. Ik moest twee en een half jaar het bed houden, en de artsen voorspelden dat ik de rest van mijn leven in een rolstoel zou doorbrengen. Het was een bijzonder moeilijke tijd voor mij, maar mijn gezin heeft mij geweldig geholpen.

Alfred kocht een bijbel met grote letters voor mij en onze jongste zoon maakte er een standaard voor, zodat ik de bijbel in bed kon lezen. Maar ik wilde ook prediken, en daarom plaatste Alfred bij de weg een bord waarop de nieuwe tijdschriften werden aangekondigd. Degenen die er belangstelling voor hadden, kwamen binnen om mij te bezoeken, en dan sprak ik met hen. Het plaatsen van dit bord had tot gevolg dat de mensen in de buurt ons gezin De Nieuwe Wereld noemden.

De reizende opzieners waren erop bedacht mij te bezoeken. Zo leerde ik deze rijpe en ervaren broeders goed kennen, terwijl ik enorm door hen werd aangemoedigd. Ook gebruikte ik de tijd om de bijbel te bestuderen, en de kennis schraagde mij. Ik had het gevoel alsof ’ik opvoer met vleugels als arenden’. — Jesaja 40:31.

Toen in 1935 de identiteit van de „grote schare” duidelijk werd, hielden de meeste broeders en zusters in onze omgeving, met inbegrip van onze oudste zoon en dochter, ermee op tijdens de Gedachtenisviering van het brood en de wijn te gebruiken. Enkelen van ons hebben echter nooit aan onze hemelse roeping getwijfeld. Toch waren wij ook blij over ons nieuwe begrip van Jehovah’s grootse voornemen met betrekking tot de grote schare en hun beloning van eeuwig leven op aarde. — Openbaring 7:9; Psalm 37:29.

In tegenstelling tot wat de artsen hadden verwacht, ging mijn gezondheid geleidelijk vooruit en kon ik weer een volledig aandeel hebben aan het belangrijke predikings- en onderwijzingswerk.

De Tweede Wereldoorlog en daarna

Aan de overkant van de fjord konden wij Duitsland zien liggen, en wij begonnen de invloed van het nazisme te voelen. Sommige van onze buren werden nazi’s, en zij zeiden dreigend: „Wacht maar tot Hitler komt. Dan komen jullie in een concentratiekamp of op een eenzaam eiland terecht!”

Wij achtten het het beste om te verhuizen. Enkele vriendelijke mensen hielpen ons aan een flat in Sønderborg, een grotere stad niet al te ver weg. De Tweede Wereldoorlog begon in september 1939; wij verhuisden in maart 1940 en op 9 april bezetten Duitse troepen Denemarken. Vreemd genoeg hebben de Duitsers Jehovah’s Getuigen in Denemarken met rust gelaten.

Toen Hitlers veroveringsdroom uiteindelijk als een zeepbel uiteenspatte, had ik met veel teleurgestelde Duitsers in Sønderborg een bijbelstudie. Wat was het verheugend niet alleen mee te maken dat veel van deze bijbelstudenten hun leven aan Jehovah opdroegen, maar ook te beleven dat de meesten van mijn kinderen en kleinkinderen de christelijke dienst actief hebben opgenomen!

Ik verloor mijn man in 1962, een kleinkind in 1981 en mijn oudste dochter in 1984. Actief in Jehovah’s dienst blijven, heeft mij geholpen deze verdrietige tijden door te komen.

Het is geweldig geweest de toename van het Koninkrijkswerk in Denemarken mee te maken vanaf de tijd dat ik er in 1928 mee begon. Toen hadden wij slechts ongeveer 300 verkondigers, maar nu zijn er meer dan 16.000! Ik ben dankbaar dat ik, op honderdjarige leeftijd, nog steeds actief in de dienst kan zijn. Ik heb werkelijk de vervulling ervaren van de woorden in Jesaja 40:31: „Maar wie op Jehovah hopen, zullen nieuwe kracht verkrijgen. Zij zullen opvaren met vleugels als arenden. Zij zullen rennen en niet mat worden; zij zullen wandelen en niet moe worden.”

[Illustratie van Ingeborg Berg op blz. 26]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen