Sierra Leone — Zijn kostbaarste „diamanten” opdelven
IN HET jaar 1462 koerste een groep onverschrokken Portugese zeelieden steeds verder zuidwaarts langs de Westafrikaanse kust naar een punt dat 890 kilometer ten noorden van de equator lag. Zij werden niet afgeschrikt door legenden over een donkere zee vol monsters, die ten zuiden van Marokko zou liggen. Bovendien aanvaardden zij niet het heersende geloof dat de zon in de buurt van de equator zo gloeiend heet was dat de oceaan kookte.
Zoals die zeelieden hadden gehoopt, vatten hun houten schepen geen vlam, en ook zagen zij geen legendarische monsters zonder kop. In plaats daarvan troffen zij schitterende witte zandstranden aan, waarachter donkergroene bergen, rijkelijk begroeid met wouden, omhoogrezen. En als de tropische regens alles blank deden staan en bliksemschichten de lucht doorkliefden, dreunden en rommelden de donderslagen in die bergen als het gebrul van het een of andere enorme beest. Het is interessant dat die zeelieden de plaats Sierra Leone — „Leeuwenberg” — noemden!
Met het verstrijken der jaren ontdekte men dat de rijkdom van Sierra Leone niet beperkt was tot schoonheid. Er waren ook mineralen: ijzererts, bauxiet, rutiel, chroomerts, platina en goud. Maar pas in 1930 werd er een ontdekking gedaan waardoor de aandacht van de commerciële wereld op dit landje werd gevestigd. Er werden diamanten gevonden! De voorraad van deze waardevolle edelstenen bleek zo overvloedig te zijn dat duizenden diamantzoekers erdoor werden aangelokt.
Sommigen hebben diamanten letterlijk van de grond opgeraapt. Een vrouw vond een grote diamant toen zij haar kleren in een stroompje waste. Een man groef een diamant van 153 karaat op toen hij op een veld bataten plantte. In de meeste gevallen heeft het vinden van deze kostbare stenen echter veel inspanning gevergd. Sommige diamanten liggen bijvoorbeeld diep in de aarde verborgen, ingebed in kimberliet, een soort gesteente. Men moet graven, springstoffen gebruiken, vermalen en sorteren om ze aan de oppervlakte te brengen. Er zijn ook vaardigheid, kennis en geduld voor nodig.
Hoewel er nog steeds op grote schaal naar diamant wordt gedolven, zoekt men in Sierra Leone ook naar andere edelstenen — geestelijke diamanten van veel grotere waarde. Dit werk vindt voortgang sinds 1915. In dat jaar verliet een man, Alfred Joseph genaamd, Barbados en reisde per stoomboot naar Sierra Leone. Hier begon hij met een „exploratiewerk”, niet om diamanten te zoeken, maar mensen die de ware God „met geest en waarheid” wilden dienen (Johannes 4:24). Dit speurwerk werd op dezelfde wijze verricht als de eerste-eeuwse christenen dit deden — „in het openbaar en van huis tot huis” (Handelingen 20:20). Zeven jaar later sloot William R. Brown, ook uit West-Indië, zich in dit werk bij Alfred Joseph aan.
Tegen het einde van 1923 was er in de hoofdstad, Freetown, een kleine gemeente opgericht. Er waren 14 pasgedoopte personen in die gemeente. Thans hebben 632 personen in 30 gemeenten een actief aandeel aan het openbare predikingswerk als Jehovah’s Getuigen. Hun krachtsinspanningen om wat Sierra Leones kostbare geestelijke diamanten genoemd zouden kunnen worden, te vinden en aan de oppervlakte te brengen, worden nog altijd met veel succes bekroond.
Actieve waarheidszoekers
Sommige nieuwe discipelen van Jezus Christus bleken als diamanten te zijn die zo van de grond opgeraapt konden worden. Zij hebben actief naar Jehovah’s Getuigen gezocht. Joan, een kapster, was zo iemand. Zij belde het plaatselijke hoofdbureau van de Getuigen in Freetown op en vroeg om een bijbelstudie.
Wat bracht Joan ertoe telefonisch contact te zoeken? „Ik kan me geen tijd in mijn leven herinneren waarin ik niet naar God zocht”, zegt zij. „Sinds mijn kinderjaren heb ik mij bij veel kerken en religieuze groeperingen aangesloten, maar ik kon nooit geestelijke voldoening vinden.
Ongeveer tien jaar geleden werd ik mij bewust van het bestaan van de Getuigen, maar zonder enige reden had bij mij de mening post gevat dat deze mensen ten koste van alles gemeden moesten worden. Toen een huisvriendin van ons een Getuige werd, nam ik een abonnement op De Wachttoren en Ontwaakt!, alleen maar om haar een plezier te doen; ik nam nooit de moeite ze te lezen. Ik gebruikte ze in werkelijkheid om er mijn ramen mee schoon te wrijven! Toen kwam er een Ontwaakt! die mijn aandacht trok. Het omslagartikel ging over onze behoefte aan liefde [22 september 1986]. Ik las het en was diep onder de indruk. Dat tijdschrift bracht mij ertoe om een bijbelstudie te vragen.” Joan maakte snelle vorderingen en was al gauw een gedoopte getuige van Jehovah.
Nog iemand die de waarheid zocht, was een jonge man, Manso geheten. Hij wilde priester worden en ging naar een seminarie. Maar toen hij de huichelarij van zijn leraren zag, raakte hij ontmoedigd en stopte met zijn studie. Daarna begon Manso andere religieuze bijeenkomsten bij te wonen. Toen hij op zekere dag onderweg was om een oom te bezoeken, zag hij een boek dat door het Wachttorengenootschap was uitgegeven — Is de bijbel werkelijk het Woord van God? Het lag op de grond in een modderige waterplas. Omdat de titel Manso interesseerde, viste hij het boek uit de plas, droogde het en las het. Hier was de waarheid waarnaar hij had gezocht! Het boek moedigde de lezers aan de vergaderingen in de plaatselijke Koninkrijkszaal bij te wonen. Manso ging er derhalve naar toe, begon de bijbel met de Getuigen te bestuderen en werd al gauw gedoopt. Nu dient hij als een volle-tijdevangelist!
Gunstig reageren op geduldige hulp
Andere nieuwe discipelen bleken echter meer als diamanten te zijn die diep in het gesteente opgesloten liggen. Het heeft werkelijk moeite gevergd ze „op te delven”. Donald, een christelijke ouderling, herinnert zich het geduld dat nodig is geweest om een vrouw te helpen die Martha heet. Hij vertelt: „Hoewel zij bereid was te studeren, liet zij ons altijd lang wachten voordat wij met de studie konden beginnen. Soms spaarde zij opzettelijk karweitjes op die eerder gedaan hadden kunnen worden. Dan vroeg zij ons te wachten tot zij ermee klaar was. Soms wachtten wij langer dan een uur. Zij hoopte dat dit ons zou ontmoedigen en dat wij zouden weggaan, maar iedere week probeerden wij althans iets aan materiaal te behandelen. Het resultaat? Na verloop van tijd groeide haar waardering.
Nog een moeilijkheid was, Martha naar de vergaderingen te krijgen. Ik nam andere Getuigen mee naar haar bijbelstudie, opdat zij zich op haar gemak zou voelen als zij naar de Koninkrijkszaal kwam. Maar zij stelde dit alsmaar uit, zo lang zelfs dat toen zij ten slotte kwam, zij bijna de hele gemeente kende!” Het geduld wierp resultaten af. Martha is nu gedoopt en heeft een goede reputatie in de gemeente.
Pius stond de waarheid aanvankelijk tegen. Toen een zendelingenechtpaar een bijbelstudie met hem begon, was hij in de zeventig, een trouw lid van een politieke partij en de penningmeester van zijn kerk. „Bij elk punt dat wij bespraken, kwam hij met heftige argumenten”, zeiden de zendelingen. „Elke week begon hij kalm, maar langzamerhand wond hij zich op. Het was elke week opnieuw een ware strijd, en vaak hadden wij het gevoel dat ons niets anders restte dan in wanhoop onze armen op te heffen en hem verder als een hopeloos geval te beschouwen. Dat wij steeds weer naar hem teruggingen, kwam voornamelijk doordat hij zich altijd zo grondig op de les voorbereidde.
Na ongeveer een jaar zo doorgegaan te zijn, verklaarde Pius dat hij had besloten wat onafhankelijk onderzoek te verrichten. Omdat hij een gepensioneerd leraar was, wist hij hoe hij nazoekwerk moest doen. Twee weken lang ging hij elke dag de berg op naar de universiteitsbibliotheek, waar hij zich verdiepte in bijbelcommentaren en verwijswerken. Daarna verklaarde hij: ’Ik ben er nu van overtuigd dat alles wat jullie mij hebben verteld waar is. God is geen Drieëenheid, er is geen hel en de ziel is niet onsterfelijk. Zelfs sommige mensen in mijn kerk geven toe dat dit zo is.’ Hierna maakte Pius snelle vorderingen en zei zijn lidmaatschap van zowel de politieke partij als de kerk op. Na zijn doop diende hij als hulppionier en besteedde, zo vaak hij kon, zestig uur per maand aan het predikingswerk, tot hij in 1987 stierf.
Iets wat wij lang niet hebben geweten,” zo herinneren de zendelingen zich die Pius studie gaven, „was dat zijn moeder zich bij Jehovah’s Getuigen had aangesloten. Hij kon zich nog herinneren dat hij als kind met haar naar de vergaderingen ging. Maar na haar dood was hij zijn eigen weg gegaan. Na zijn doop zei Pius: ’Het spijt mij alleen dat mijn moeder mij nu niet kan zien.’ Toen lichtte zijn gezicht op en voegde hij eraan toe: ’Maar zij zal mij in de nieuwe wereld zien!’”
Tot op de huidige dag duurt de speurtocht naar zowel diamanten als discipelen voort. Fraaie advertenties beloven dat ’diamanten eeuwig blijven’. Toch kan de eigenaar van zo’n prachtig kleinood er niet eeuwig van genieten omdat, zonder Gods voorziening voor redding, alle zondige mensen sterven (Johannes 3:16, 17). Het werk van Jehovah’s Getuigen in Sierra Leone levert dus een schat op die veel waardevoller is dan louter diamanten: dienstknechten van God en discipelen van Jezus Christus! En Jehovah’s Woord belooft: „Wie de wil van God doet, blijft in eeuwigheid.” — 1 Johannes 2:17.
[Kaart/Illustraties op blz. 22, 23]
(Zie publicatie)
[Illustraties]
Te midden van zulke taferelen vinden Koninkrijksverkondigers geestelijke diamanten in Sierra Leone