Babylons val bekendgemaakt in Japan
„ZE IS gevallen! Babylon de Grote is gevallen, zij die alle natiën van de wijn van de toorn van haar hoererij heeft doen drinken!” Die opwindende, door een engel uitgesproken aankondiging werd voor het eerst in de eerste eeuw van onze gewone tijdrekening gehoord, en wel door de apostel Johannes. Maar in onze tijd, in „de dag des Heren”, laten de christelijke getuigen van Jehovah ze ten aanhoren van de hele mensheid weerklinken. — Openbaring 1:10; 14:8.
Babylon de Grote is het wereldomvattende stelsel van valse religie, waarvan de christenheid het laakbaarste deel vormt. In heel „de tijd van het einde” hebben Jehovah’s Getuigen Jehovah’s oordelen tegen haar moedig in de hele wereld bekendgemaakt (Daniël 12:4). Vorig jaar stonden in de uitgaven van De Wachttoren van april en mei bijvoorbeeld krachtige artikelen waarin de schuld van de valse religie werd aangetoond en haar aanstaande vernietiging werd aangekondigd. Er zijn wereldwijd meer dan vijftig miljoen exemplaren van die uitgaven verspreid — een machtige bekendmaking van de ondergang van Babylon de Grote!
Japan voert zijn activiteit op
Hoe enthousiast Jehovah’s Getuigen over die speciale uitgaven waren, bleek bijvoorbeeld in Japan, een bolwerk van de sjintô-boeddhistische sector van Babylon de Grote. In Japan werden de gemeenten via Onze Koninkrijksdienst van december 1988 op de hoogte gesteld van een speciale veldtocht die gepland was voor de maanden april en mei 1989. Oproepen om deze speciale tijdschriftenactiviteit te ondersteunen, werden in de volgende uitgaven van Onze Koninkrijksdienst gedaan, alsook via brieven aan de gemeenten en de lichamen van ouderlingen.
De reactie was voortreffelijk. Met Jehovah’s hulp is er vorig jaar, tijdens die twee maanden, in Japan een getuigenis gegeven als nooit tevoren.
Hulppioniersdienst
In de aankondiging van december 1988 werd gezegd: „Wij moedigen jullie aan je ten doel te stellen in april en mei de vreugde van de hulppioniersdienst te smaken, vooral in april.” Deze gedachte werd herhaald in Onze Koninkrijksdienst van februari 1989, waarin de broeders en zusters werden aangespoord ’hun dagelijkse schema aan te passen, opdat zoveel mogelijk opgedragen bedienaren zich in april als hulppionier zouden laten inschrijven’.
De Getuigen namen deze aanmoedigingen ter harte. Het resultaat? Een nog niet eerder bereikt hoogtepunt in het aantal hulppioniers. In maart 1989 had het aantal hulppioniers al een nieuw hoogtepunt van 24.115 bereikt. Maar in april was dat aantal bijna verdubbeld tot 41.055. Werkelijk een opmerkelijke krachtsinspanning!
In veel gemeenten hadden alle of bijna alle verkondigers in de loop van de twee maanden van speciale activiteit een aandeel aan de een of andere tak van volle-tijddienst. Met het oog hierop moesten er vaak veel organisatorische regelingen getroffen worden. Eén huisvrouw wist niet zeker of zij er een aandeel aan kon hebben, omdat zij bijna 900 meter hoog in de bergen woont, waar geen openbaar vervoer is. Toch wilde zij heel graag in de hulppioniersdienst. Daarom troffen de ouderlingen vervoersregelingen voor haar, en samen met de andere verkondigers in de gemeente heeft zij een maand lang in de pioniersdienst gestaan.
Een voorbeeld van de voortreffelijke leiding van de ouderlingen treffen wij aan in de uit 77 verkondigers bestaande gemeente Otsoeka, in Takatsoeki (prefectuur Osaka), waar alle ouderlingen en dienaren in de bediening tot de 73 Getuigen behoorden die in de een of andere tak van pioniersdienst stonden. Ook alle jonge gedoopte verkondigers die nog op school zaten, bevonden zich in de gelederen van die pioniers. De pioniersgeest die door deze jonge Getuigen aan de dag werd gelegd, was typerend voor de geest die in veel gemeenten kenbaar was. Zo zijn 11 van de 23 gedoopte tieners in de gemeente Heiwadai (prefectuur Tokio) gewone pionier, terwijl 11 andere in april in de hulppioniersdienst stonden. In die gemeente stonden in die maand in totaal 93 verkondigers in de pioniersdienst.
Een speciale dag van activiteit
In de Japanse uitgave van Onze Koninkrijksdienst van januari werden de broeders en zusters als volgt aangemoedigd: „Het tijdschriftenwerk is niet alleen op de tweede en de vierde zaterdag, maar op elke zaterdag van de maand ondersteund. De ijver die de broeders en zusters tonen is prijzenswaardig. Ook in april staat het tijdschriftenwerk op elke zaterdag op het programma, maar doe alsjeblieft speciale pogingen om 8 april als tijdschriftendag opzij te zetten, zodat iedereen op die dag een aandeel kan hebben aan het tijdschriftenwerk. Om tot allen die willen luisteren een waarschuwing te laten weerklinken, is het noodzakelijk deze actuele tijdschriften op grote schaal te verspreiden.” — Jesaja 61:2; Openbaring 18:4, 5.
In februari werd dit belangrijke werk opnieuw in de Japanse uitgave van Onze Koninkrijksdienst beklemtoond. Hierin stond: „Laten alle getuigen van Jehovah in Japan — nu meer dan 130.000 in aantal — op de tweede zaterdag, 8 april, aan het tijdschriftenwerk deelnemen.” De ouderlingen werden aangemoedigd om voor de hele dag verschillende vormen van tijdschriftenactiviteit te organiseren, opdat zoveel mogelijk personen eraan konden deelnemen. Dank zij de positieve reactie van de ouderlingen en de van ganser harte geschonken ondersteuning door de overige verkondigers, werd de dag een geweldig succes. Wij zouden kunnen zeggen dat er op die dag in Japan een groots hoogtepunt werd bereikt in de bekendmaking van Jehovah’s oordelen over Babylon de Grote.
In de gemeente Oesjioda, in Jokohama, hadden de ouderlingen bijvoorbeeld regelingen getroffen voor dienst die dertien uur zou voortduren, van 7.00 v.m. tot 8.00 uur n.m. Hierin waren twee periodes van straatwerk opgenomen alsook periodes waarin mensen werden bezocht die tijdens eerdere bezoeken niet thuis waren en gewoon van-huis-tot-huisgetuigeniswerk. De meeste verkondigers konden aan op zijn minst een van de georganiseerde takken van dienst deelnemen, en verscheidene namen aan bijna elke tak van de geplande activiteit deel.
Ook in de gemeente Jonan, in Foekoeoka, waren regelingen getroffen voor voortdurende dienst, en wel van 8.00 uur v.m. tot 9.00 uur n.m., met slechts een korte pauze tussen de middag. Er was tijd ingedeeld voor getuigenisgeven van huis tot huis, het bezoeken van zaken- en winkelgebied en bezoeken bij mensen die eerder niet thuis bleken te zijn. Sommige Getuigen in die gemeente berichtten voor die dag wel acht uur predikingsactiviteit!
De enthousiaste reactie van de broeders en zusters bleek in de prefectuur Wakajama, waar alle 55 verkondigers van de gemeente Kainan een aandeel hadden aan de speciale dag van activiteit. Eén zuster daar, een gewone pionierster, kreeg op 7 april een baby. Weerhield dat haar ervan om op 8 april getuigenis te geven? Nee. Zij bood de tijdschriften in het ziekenhuis aan! Dezelfde geest werd aan de dag gelegd door een broeder uit de prefectuur Osaka, die op 8 april door omstandigheden op zijn werk moest zijn. Hoe zou hij een aandeel kunnen hebben aan de speciale activiteit? Hij maakte de plaats waar hij werkte tot zijn gebied en sloot vijf abonnementen af.
Een zuster in de prefectuur Saitama wilde graag een aandeel hebben aan de speciale activiteit op die dag, maar zij moest met haar ongelovige man ruim 640 kilometer reizen naar Asahikawa. Zij gaf de moed echter niet op. In Asahikawa ging zij met haar twee kleine kinderen naar het station, en daar, buiten het station, zag zij wat zij hoopte aan te treffen: een grote groep verkondigers uit de plaatselijke gemeente die op het punt stond in de velddienst uit te trekken. Zij kon samen met hen een aandeel hebben aan de activiteiten op die dag.
Straatwerk
In de Japanse uitgave van Onze Koninkrijksdienst werden de ouderlingen speciaal aangemoedigd om regelingen te treffen voor straatwerk op 8 april, en dit werd een belangrijk kenmerk van die speciale dag. Het geval wilde dat het in het hele land hevig regende, maar dat temperde het enthousiasme van de broeders en zusters niet. De meesten legden dezelfde geest aan de dag als die welke door drie bejaarde zusters in de gemeente Minamata (prefectuur Koemamoto) werd getoond. Ondanks hun leeftijd — 75, 80 en 85 jaar — trotseerden zij het slechte weer en zij waren een fijne aanmoediging voor de rest van de gemeente; zij trokken ook de aandacht van veel voorbijgangers.
Een zuster uit de gemeente Kasjiwa-West vroeg tijdens het straatwerk aan een man: „Hebt u ooit van Babylon de Grote gehoord?” Toen zij de apriluitgaven van de tijdschriften aanbood, zei de man: „Geen belangstelling” en liep weg. Maar toen hij bij een overweg moest wachten, mompelde hij: „Wat is Babylon de Grote?” Een broeder die daar straatwerk deed, hoorde hem dit zeggen en liep met hem op, terwijl hij uitlegde wat Babylon de Grote is. De man nam de tijdschriften.
Sommige gemeenten hadden nog niet eerder aan het straatwerk deelgenomen. Maar sinds 8 april hebben zij het tot een geregeld onderdeel van hun activiteit gemaakt. En geen wonder! Straatwerk is een bijzonder succesvolle manier om mensen aan te treffen die anders niet bereikt kunnen worden. Een zuster in Naha, op Okinawa, deed straatwerk buiten een kantoorgebouw waarin Jehovah’s Getuigen geen getuigenis mogen geven. Zij verspreidde in één uur twaalf tijdschriften door personen aan te spreken die het gebouw in- en uitgingen.
Een zuster in Moeroran, op Hokkaido, nam deel aan het straatwerk buiten warenhuizen in het centrum van de stad. Ze zei tegen een man die de tijdschriften nam: „Als u meer wilt weten, kunnen wij u thuis bezoeken.” Hij gaf haar zijn adres en telefoonnummer, tekende uit hoe zijn huis te vinden was en gaf de tijden op dat hij thuis zou zijn! Toen zij hem de week daarop samen met een broeder bezocht, bemerkten zij dat hij in een flat woonde waarin Jehovah’s Getuigen geen toegang hebben voor hun bediening. De jonge man was er door persoonlijk de bijbel te lezen van overtuigd geraakt dat de christenheid niet Gods gunst genoot. Hij zocht naar het ware christendom en was blij met een geregelde huisbijbelstudie te kunnen beginnen.
Een verkondigster in Kawasaki nam op 8 april ’s middags deel aan het straatwerk. Toen de tijd die zij voor dit werk had uitgetrokken afliep, sprak zij nog een laatste persoon aan, een jonge vrouw die zei dat zij vroeger de bijbel had bestudeerd met Jehovah’s Getuigen. Maar zij had tegenstand van haar ouders ondervonden en later was zij naar de universiteit gegaan en in een studentenhuis gaan wonen. Daarom was zij met haar studie gestopt. Maar het straatwerk was er de oorzaak van dat zij met vreugde haar bijbelstudie hervatte en nu bezoekt zij alle vergaderingen.
Tijdschriftenverspreiding
Doordat de speciale activiteit door zo velen werd ondersteund, werden er enorm veel tijdschriften verspreid, vooral de uitgaven die de oordeelsboodschappen tegen Babylon de Grote bevatten. Een gemeenteverkondiger in de prefectuur Osaka verspreidde in april 205 tijdschriften. In de gemeente Kagosjima-Oost verspreidden 14 verkondigers elk meer dan 100 tijdschriften, terwijl de geïsoleerde groep van 12 verkondigers in Ogawa (prefectuur Ibaraki) in april in totaal 1388 tijdschriften verspreidde.
Ja, vorig jaar april werden er in heel Japan 3.293.266 tijdschriften verspreid — 92 procent meer dan in april 1988! Wat heeft Jehovah’s oordeel tegen Babylon de Grote krachtig weerklonken!
De kracht die datgene wat normaal is te boven gaat
Evenals in alle andere delen van de wereld zijn Jehovah’s Getuigen in Japan in het voorjaar van 1989 positief en ijverig geweest. Uit hun ervaringen bleek duidelijk dat Jehovah hun ijver zegende en hun krachtsinspanningen om zijn oordelen tegen de valse religie bekend te maken, ondersteunde. Het was voor sommigen niet gemakkelijk aan de activiteit deel te nemen; toch waren zij hierin vastbesloten en Jehovah heeft hun ijver gezegend. Velen wonen in gebied dat vaak wordt bewerkt, maar zij legden dezelfde van dringendheid en enthousiasme getuigende geest aan de dag als hun broeders en zusters in andere gebieden. In alle gevallen bleken de woorden van Jesaja waar te zijn: „Hij geeft de vermoeide kracht, en degene zonder dynamische energie schenkt hij volledige sterkte in overvloed.” — Jesaja 40:29.
Hun ervaringen hebben hen ongetwijfeld herinnerd aan de woorden van de apostel Paulus: „Wij hebben deze schat . . . in aarden vaten, opdat de kracht die datgene wat normaal is te boven gaat, van God zou zijn en niet uit onszelf” (2 Korinthiërs 4:7). Ja, als iemand de christelijke bediening, „deze schat”, de eerste plaats in zijn leven toekent, ervaart hij de door God geschonken „kracht die datgene wat normaal is te boven gaat”. Moge Jehovah zijn dienstknechten in Japan en in alle andere landen blijven gebruiken om een grondig getuigenis te geven voordat het einde komt. — Matthéüs 24:14.
Dit jaar zullen de uitgaven van De Wachttoren omslagartikelen bevatten over „Wie zal de mensheid naar vrede leiden?” „Wereldvrede — Wat zal dit werkelijk betekenen?” „Miljoenen die nu dood zijn, zullen weer leven” en „Armageddon — Wanneer?” Waarom zou u zich niet voornemen deze inlichtingen met uw medemensen te delen? Zorg er beslist voor dat zoveel mogelijk personen op de hoogte gebracht worden van het schitterende goede nieuws dat God voor onze tijd in de bijbel heeft bewaard.