Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w89 1/3 blz. 10-13
  • Jehovah is altijd mijn toevlucht en mijn vesting geweest

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah is altijd mijn toevlucht en mijn vesting geweest
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een speurtocht wordt beloond
  • Het dametje en de bisschop
  • De nazi-bezetting
  • Een ongewone ontmoeting
  • Een uitnodiging voor Gilead
  • Drukke pensionering
  • Vanaf mijn jeugd door Jehovah onderwezen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Een bevoorrecht aandeel aan de naoorlogse expansie
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
w89 1/3 blz. 10-13

Jehovah is altijd mijn toevlucht en mijn vesting geweest

Zoals verteld door Margaret West

STELT u zich eens voor in het kasteel te wonen waar koningin Anna Sophie van Denemarken in 1721 werd gekroond. Deze zomerresidentie van de Deense koninklijke familie, gelegen in een schitterend park, was het huis waar ik mijn kinderjaren heb doorgebracht. De luxueuze kamers, de monumentale trappen en de door oude Franse meesters beschilderde plafonds schenen destijds alleen maar in dromen te bestaan.

Een klein stukje lopen van het kasteel vandaan stond een ander, veel bescheidener gebouw, maar de dertig jaar die ik in dat gebouw heb doorgebracht, hebben mijn leven veel meer verrijkt. Het was het Deense Bethelhuis, het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Denemarken.

Maar laat ik u eerst vertellen hoe het kwam dat ik in het slot Frederiksberg in Kopenhagen woonde. Mijn vader, een kolonel in het Deense leger, had de leiding over de militaire academie, waarvan het hoofdkwartier zich in het kasteel bevond. Deze positie gaf hem en zijn gezin het recht in deze bevoorrechte omgeving te wonen. Voor een jong meisje was dit een sprookjesachtig leven, een leven dat binnen de begrenzing van deze schitterende omlijsting beschermd was tegen schadelijke invloeden. Ik dacht dat deze gelukkige, opwindende dagen uit mijn kindertijd nooit zouden eindigen. Maar deze droom spatte op een onvergetelijke dag in 1921 plotseling uiteen.

Wij kinderen moesten naar vaders slaapkamer komen. Ik kon hem daar zien liggen; hij zag er heel wit uit, met beide handen boven op het laken gevouwen. Moeder sloeg haar armen om ons heen. Onze dokter, die ook bij het bed stond, keek heel ernstig. Moeder zei met zachte stem: „Vader is dood.” Mijn eerste gedachte was: ’Dat kan niet! Hij is nauwelijks ziek geweest.’ Het was een overweldigende ervaring voor een kind van tien. Ik had er toen geen besef van dat deze tragische dood mij tot een begrip van het doel van het leven zou leiden.

Vaders dood betekende een enorme verandering in ons leven. Het kasteel was een officiële ambtswoning, en dus moest Moeder een ander onderkomen vinden waar wij konden wonen. Het was een moeilijke tijd, en om ons te helpen de tragedie te boven te komen, deed zij iets waar onze familie en vrienden van schrokken. Zij nam ons allen van school en wij gingen een jaar lang op reis door Europa.

Een speurtocht wordt beloond

Maar toen wij weer terug waren in Denemarken, viel de dood van Vader ons nog steeds zwaar, en Moeder bleef zich alsmaar afvragen: Waarom? Waarom? Waarom? In een poging een antwoord te vinden, begon zij oosterse filosofieën te onderzoeken, maar deze bevredigden haar logisch denkende geest niet. Toen besloot zij zich tot de bijbel te wenden, in de mening verkerend dat zij hierin misschien enkele antwoorden zou kunnen vinden. Toen zij de bijbel van de boekenplank wilde pakken, zag zij er een rood boek naast staan, een boek dat zij nog niet eerder had gezien. Het heette Het Goddelijk Plan der Eeuwen. Mijn broer had het zojuist van een Bijbelonderzoeker gekocht die ons had bezocht.

Moeder begon het boek te lezen en was er al gauw van overtuigd dat zij de antwoorden op haar vragen had gevonden. Ik was destijds in Frankrijk op school, maar toen ik enkele maanden later tijdens de schoolvakantie thuis was, vertelde Moeder mij enthousiast over haar pasgevonden schat. Zij vertelde mij over het koninkrijk van God, een koninkrijk dat over de gehele aarde zou regeren en een eind zou maken aan alle oorlogen, een koninkrijk dat de mensheid onnoemelijk veel zegeningen zou schenken, met inbegrip van de opstanding der doden. Het was wonderbaarlijk. Wij hadden eindelijk een toevluchtsoord gevonden waar wij beschermd waren tegen twijfel en onzekerheid.

Toen ik die avond naar bed ging, bad ik voor het eerst in mijn leven. Wij waren nooit godsdienstig geweest, maar op school hadden wij het Onze Vader geleerd. Aarzelend begon ik dus dit gebed uit te spreken. Toen ik bij de woorden kwam: „Uw koninkrijk kome . . .”, liep mijn hart bijna over van vreugde. Eindelijk begreep ik waar ik om vroeg! Er zijn sindsdien zestig jaar verstreken, maar ik herinner mij nog levendig de onbeschrijfelijke vreugde die mij die avond vervulde.

Na mijn schooltijd in Frankrijk ging ik een jaar naar Engeland om meer ervaring in het spreken van de Engelse taal te krijgen. Moeder had met klem gezegd: „Een meisje moet talen leren, een jongen wiskunde.” Uiteindelijk heb ik vijf talen geleerd, die alle van onschatbare waarde bleken te zijn, en in later jaren ben ik Moeder vaak dankbaar geweest dat zij mij deze gelegenheid heeft geschonken.

Toen ik in Engeland aankwam, merkte ik dat Moeder het boek De Harp Gods in mijn koffer had gestopt. Ik bestudeerde het zorgvuldig en begon het Engelse gezin bij wie ik logeerde, getuigenis te geven over wat ik had geleerd. Bij een zekere gelegenheid kwam er een familielid van dit gezin op bezoek, dus gaf ik ook aan haar getuigenis. (Ik was er heel bedreven in geworden „de tien snaren” van deze „harp” te bespelen.) Aangezien deze dame zelf een boek wilde hebben, schreef ik naar het Londense bijkantoor van het Wachttorengenootschap, dat mij naar de plaatselijke broeders doorverwees.

Zo begon ik mij te verbinden met dit groepje in Wickford (Essex), dat in het huis van een van de Bijbelonderzoekers bijeenkwam. Op een van de bijeenkomsten werd aangekondigd dat er de volgende zondag een „excursie” zou zijn, en ik werd ook uitgenodigd. Ik zag uit naar een interessant tochtje in de plaatselijke omgeving, maar toen ik aankwam, werd er een gebed opgezonden, waarna ik wat lectuur kreeg en met een oudere zuster op pad werd gestuurd om te prediken!

Nadat ik naar Denemarken was teruggegaan, bleef ik met de Bijbelonderzoekers omgaan, en in 1929 werd ik gedoopt. Het congres dat in 1931 in Kopenhagen werd gehouden, was een onvergetelijke ervaring. Op dit congres namen wij de naam Jehovah’s Getuigen aan. Om de regeerders hiervan in kennis te stellen, werden broeder Rutherfords lezing en de hierna op het congres aangenomen resolutie gepubliceerd in de brochure Het Koninkrijk — De Hoop der Wereld. Wij moesten de brochure persoonlijk overhandigen aan alle vooraanstaande personen in de gemeenschap, met inbegrip van juristen, leden van de regering en welbekende zakenlieden, alsook aan alle geestelijken.

Het dametje en de bisschop

De koning van Denemarken ontving zijn exemplaar tijdens een audiëntie die aan de bijkantooropziener werd verleend. Ik kreeg een stapel brochures, te zamen met de enveloppen waarop de namen en adressen stonden van degenen die ik tijdens deze veldtocht moest bezoeken. Ik schrok werkelijk toen ik de eerste naam op de lijst zag staan. Het was de naam van een vooraanstaande lutherse bisschop die welbekend was wegens zijn oppositie tegen Jehovah’s Getuigen.

De bisschop woonde in een deftige buurt van Kopenhagen, en ik moet toegeven dat ik mij toen ik aanbelde nog kleiner voelde dan de slechts anderhalve meter die ik lang ben. Een dienstmeisje deed de deur open, nam mij wantrouwend van top tot teen op en vroeg: „Wat is er van uw dienst?” „Ik zou graag de bisschop willen spreken”, antwoordde ik gedecideerd. Moeder had mij voor deze gelegenheid een elegante astrakan mantel geleend, en misschien overtuigde dit het dienstmeisje ervan dat mijn verzoek ingewilligd moest worden, want na een lange pauze die een eeuwigheid leek te duren, zei ze: „Een ogenblikje.” Zij kwam al gauw terug en ging mij voor door een lange gang. Toen opende zij een deur en daar, achter een enorm bureau, zat de bisschop. Hij was een grote, forsgebouwde man. Hij keek op en zag mij met een minzame glimlach aan.

Ik herinnerde mijzelf eraan dat Degene die achter mij stond, groter was dan de persoon vóór mij, legde hem het doel van mijn bezoek uit en overhandigde hem de envelop. Hij pakte die aan en gooide ze toen op het bureau alsof hij zijn vingers eraan had gebrand. Hij sprong op, greep mijn hand en duwde mij achterwaarts door de eindeloos lange gang naar de voordeur. De deur werd met een klap dichtgegooid, maar ik lachte bij mijzelf: De brochure lag op zijn bureau; ik had mijn taak volbracht.

In 1933 begon ik te pionieren, aangezien ik dat een ideale manier vond om Jehovah vollediger te dienen. Een jaar later trouwde ik met Albert West, een Engelse broeder die enkele jaren voordien aan Denemarken toegewezen was. Samen hebben wij dertig jaar in het Deense Bethelhuis gediend.

De nazi-bezetting

9 april 1940 was een dag die ik nooit zal vergeten. Ik werd om zes uur wakker van het gestadige gedreun van vliegtuigen die pal boven ons leken te vliegen. Wat was er aan de hand? Denemarken was een neutraal land. Buiten liepen de mensen te hoop, er deden allerlei geruchten de ronde, de sfeer was gespannen. Toen werd over de radio bekendgemaakt: „Denemarken is door het Duitse leger bezet.”

Een onmiddellijk probleem was wat er met alle lectuur gedaan moest worden die wij in het gebouw hadden opgeslagen. De broeders in Kopenhagen gaven blijk van een wonderbaarlijk vooruitziende blik en wijsheid. De boeken werden snel onder de plaatselijke broeders verdeeld en de bijkantooradministratie werd veilig ondergebracht bij een waakzame oudere zuster, die ze tijdens de gehele oorlog onder haar bed heeft bewaard.

Nog een probleem was wat er gedaan moest worden met de 350.000 brochures die zojuist waren binnengekomen. Er werd besloten ze onmiddellijk te verspreiden. Ik zou nooit hebben geloofd dat men in slechts twee dagen tijds zo veel trappen kon lopen. Dit gebeurde zonder de achterdocht te wekken van de Duitse soldaten die door de straten patrouilleerden. Als zij langsliepen, probeerden wij de indruk te wekken dat wij etalages bekeken. Alle broeders en zusters, zowel jong als oud, hadden een aandeel aan deze bliksemsnelle verspreiding, en na een intensieve veldtocht van 48 uur waren alle brochures in handen van het publiek.

Door de invasie werd alle contact met het hoofdbureau in Brooklyn afgesneden, maar de toevoer van geestelijk voedsel hield niet op. Enkele broeders werkten bij de diplomatieke dienst, en hun bagage werd niet gecontroleerd. Aangezien zij geregeld naar Zweden reisden, konden zij De Wachttoren in het Zweeds voor ons meebrengen. Ik kende wat Zweeds, en dus werd mij opgedragen elke uitgave in het Deens te vertalen. Een ontmoedigende opgave, maar ik begon ijverig zoveel mogelijk te leren. Op deze manier hebben wij gedurende de gehele oorlog een geregelde toevoer van De Wachttoren gehad.

Wij konden zelfs enkele Deense exemplaren naar de broeders in Noorwegen sturen. Geregeld werden er voor nazi-functionarissen bestemde dozen met eieren van Denemarken naar Noorwegen gestuurd. Wij wikkelden de eieren in bladzijden van Deense uitgaven van De Wachttoren, waarna de Noorse broeders de eieren zorgvuldig uitpakten alvorens ze aan de Duitsers te geven.

Een ongewone ontmoeting

Tijdens de oorlog kreeg broeder Eneroth, die de bijkantoordienaar in Zweden was, toestemming om Denemarken te bezoeken, en Albert ging naar de boot om hem op te halen. Toen broeder Eneroth de loopbrug afliep, verschenen er twee Duitse officieren die Albert en broeder Eneroth verzochten met hen mee te komen.

Zij werden naar Hotel Cosmopolite gebracht, een van de militaire hoofdkwartieren van het Duitse leger, en werden voorgegaan naar een kantoor op de tweede verdieping, waar zij werden begroet door een Duitser in burgerkleding. Terwijl hij hen in perfect Engels aansprak, zei hij: „Zoals u zich terdege bewust zult zijn, leven wij in oorlogstijd. Ik ben een zakenman uit Hamburg, en ik ben hier aangesteld als censor. Ik censureer alle correspondentie van het Wachttorengenootschap [tussen Denemarken en Zweden]. Het stuit mij tegen de borst, maar ik heb geen andere keus. Ik wil u graag een compliment maken over uw correspondentie, die eerlijk is en verfrissend om te lezen. U kunt u niet voorstellen welk een bedrog ik in de brieven van sommige firma’s aantref.”

Hij stelde een vraag aan de broeders. „Wat is een nabezoek?” Albert gaf toen een korte demonstratie van een nabezoek, waarbij hij broeder Eneroth als huisbewoner gebruikte. De functionaris besloot het onderhoud met de woorden: „Dank u, heren, dat is alles wat ik wilde weten.” Misschien was dit een manier om de broeders te waarschuwen voorzichtig te zijn met wat zij in hun brieven schreven.

Een uitnodiging voor Gilead

Eind 1945 ontvingen wij een bijzonder welkom bezoek van de broeders Knorr en Henschel. Tijdens dit bezoek werden Albert en ik uitgenodigd de Wachttoren-Bijbelschool Gilead te bezoeken en in 1948 doorliepen wij de elfde klas van deze zendelingenschool. Na onze Gileadopleiding heb ik mijn man in de dienst vergezeld toen hij de toewijzing kreeg om zes maanden kringwerk te doen in Maryland (Virginia) en Washington D.C. voordat wij naar Denemarken terugkeerden.

Enkele jaren later werd Albert ziek, en uiteindelijk bleek hij kanker te hebben. Terwijl ik als vertaalster bleef doen wat ik kon, heb ik hem tien jaar lang verpleegd, tot hij in 1963 stierf. Het jaar daarop moest ik een andere verantwoordelijkheid op mij nemen. Mijn moeder was nu 88 jaar en had iemand nodig die haar verzorgde. Tot mijn spijt moest ik dus de volle-tijddienst verlaten. Moeder is 101 jaar geworden en is tot haar dood getrouw gebleven.

Drukke pensionering

Gedurende de laatste jaren van Moeders leven, brachten wij de wintermaanden in Spanje door. Daarom besloot ik bij haar dood daar te blijven. Ik had Spaans geleerd en vond ook dat ik aldus in een buitenlands veld dienst verrichtte. Hoewel ik wegens mijn leeftijd en andere verantwoordelijkheden niet zoveel kan doen als ik zou willen, kan ik nog steeds geregeld in de hulppioniersdienst staan.

Ruim twintig jaar van mijn leven heb ik een zieke man verpleegd en een bejaarde moeder verzorgd. Ik heb dit echter nooit als een last bezien. Ik ben altijd van mening geweest dat zij beiden zo’n verzorging en aandacht verdienden, en ik heb het als een onderdeel gezien van mijn dienst voor Jehovah, die mij altijd heeft geholpen het hoofd te bieden aan de droefheid en beproevingen die onder zulke omstandigheden verduurd moeten worden.

Nu woon ik in een klein flatje, zo volkomen anders dan het indrukwekkende kasteel waar ik geboren ben. Maar gebouwen kunnen nooit zekerheid geven, zoals ik al vroeg in mijn leven ontdekte. Daarentegen leerde ik een grotere toevlucht en vesting kennen, een die mij nooit in de steek gelaten heeft. Ik kan waarlijk met de psalmist zeggen: „Gij zijt mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik wil vertrouwen.” — Psalm 91:2.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen