Vragen van lezers
◼ Waarom bleek Daniël, die immers had gezegd de geschenken van koning Belsazar niet te willen aanvaarden voor zijn uitlegging van het handschrift op de muur, naderhand toch de kleding te dragen en de halsketen om te hebben?
Vlak voordat de Meden en de Perzen Babylon ten val brachten, vierden koning Belsazar en zijn hofhouding volop feest. Tijdens het feestmaal nam hij de uit Jehovah’s tempel afkomstige vaten en gebruikte die om er wijn uit te drinken en roemde daarbij de goden van Babylon. Maar de feestelijkheden werden plotseling onderbroken toen een bovenmenselijke hand vreemde dingen op de muur schreef. — Daniël 5:1-5.
De wijzen en astrologen van Babylon waren niet bij machte het schrift uit te leggen, hoewel Belsazar beloofde dat aan een ieder die het vreemde handschrift zou kunnen lezen en uitleggen, een gouden halsketen en een vooraanstaande regeringsfunctie zouden worden verleend. — Daniël 5:7-9.
Toen de Hebreeër genaamd Daniël uiteindelijk werd binnengebracht, herhaalde de koning zijn aanbod — Daniël met purper te bekleden, hem een halsketen om te doen en hem tot de derde heerser in het koninkrijk te maken. De profeet antwoordde eervol: „Laten uw gaven bij uzelf blijven, en geef uw geschenken maar aan anderen. Het schrift zal ik evenwel voor de koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekendmaken.” — Daniël 5:17.
Daniël hoefde dus niet omgekocht of betaald te worden om de uitlegging te verschaffen. De koning kon zijn geschenken houden of ze aan iemand anders geven. Daniël zou de uitlegging verschaffen, niet voor een beloning maar omdat hij daartoe gemachtigd was door Jehovah, de ware God, die op het punt stond zijn oordeel aan Babylon te voltrekken.
Zoals wij in Daniël 5:29 lezen, beval de koning de beloningen toch aan Daniël te geven nadat deze, precies zoals hij had gezegd, de woorden had gelezen en uitgelegd. Daniël trok de kleding niet zelf aan en hing zich ook de halsketen niet zelf om. Dit gebeurde op bevel van de absolute heerser, koning Belsazar. Maar dit is niet in tegenspraak met Daniël 5:17, waar de profeet duidelijk maakte dat hij geen zelfzuchtige beweegreden had.
Jezus zei later: „Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, zal de beloning van een profeet krijgen” (Matthéüs 10:41). Dat zou beslist geen betrekking kunnen hebben op Belsazar, aangezien hij Daniël niet vriendelijk of met respect bejegende omdat hij deze getrouwe man als een profeet van de ware God respecteerde. Koning Belsazar was bereid dezelfde geschenken te geven aan een ieder die bij machte was het geheim van het handschrift te ontraadselen, zelfs aan een of andere heidense astroloog. De koning kreeg de passende beloning, namelijk het loon dat in overeenstemming was met het profetische schrift op de muur: „Nog in diezelfde nacht werd Belsazar, de Chaldeeuwse koning, gedood en Daríus de Meder zelf ontving het koninkrijk.” — Daniël 5:30, 31.