Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w88 1/10 blz. 20-25
  • Ons lonende leven als zendelingen in Afrika

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ons lonende leven als zendelingen in Afrika
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een Amerikaanse boerenknecht leert de waarheid kennen
  • Naar het doel van de zendingsdienst toe werken
  • Van Gilead naar Afrika
  • Een lonend leven in de rimboe
  • Onze verhuizing naar het dak van Afrika
  • Een musicus kiest voor ware harmonie
    Ontwaakt! 1988
  • Zendelingen bevorderen wereldwijde expansie
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1975
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1975
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
w88 1/10 blz. 20-25

Ons lonende leven als zendelingen in Afrika

Zoals verteld door John Miles

HET tafereel speelt zich af in een wildreservaat in het noordwesten van Zimbabwe. Mijn vrouw, Val, en ik rijden in de richting van de beroemde Victoriawatervallen. Nee, wij zijn geen toeristen. Wij zijn zendelingen en zijn hierheen gezonden om onder de inheemse Afrikaanse bevolking te werken. Als wij een bocht om rijden, staat daar, langs de kant van de weg, een kolossale olifant. Ik zet de motor af en leun uit het raam om een foto te maken. Ik sta op het punt er nog een te maken als Val schreeuwt:

„Hij komt op ons af!”

Snel start ik de motor, maar die slaat af. Wat een hachelijke situatie! De aanstormende olifant stopt vlak voor ons en verheft zich op zijn achterpoten om ons te vertrappen. Net op tijd start de motor alsnog en wij zwenken opzij, het struikgewas in. Gelukkig zijn er geen stenen of bomen die onze ontsnapping verhinderen. Wij besluiten mister Jumbo voorrang te geven en vervolgen onze reis via een andere route.

Nog een tafereel. Ditmaal bevinden wij ons in het bergkoninkrijk Lesotho, in het zuiden van Afrika. Het is zondagmiddag in de hoofdstad, Maseru. Na een fijne christelijke vergadering met plaatselijke medegelovigen zijn wij op weg naar huis. Plotseling worden wij door twee jonge rovers aangevallen. De een geeft mij een vuistslag en de ander springt op mijn rug. Ik schud hem van mij af, waarop hij zich omdraait naar Val en haar tas beetgrijpt. Val roept luid: „Jehovah! Jehovah! Jehovah!” Onmiddellijk laat de man haar tas los en met een verbijsterde blik deinst hij achteruit. Degene die mij met zijn vuisten bewerkt, deinst ook achteruit — met zijn vuisten in de lucht slaand. Wij gaan haastig verder en het is een hele opluchting als wij bij de bushalte medegelovigen ontmoeten. — Spreuken 18:10.

Elk van de bovenstaande voorvallen duurde maar enkele ogenblikken, maar ze behoren tot de vele onvergetelijke herinneringen aan de ruim dertig achter ons liggende jaren als zendelingen in Afrika. Hoe zijn wij hier gekomen? Waarom zijn wij zendeling geworden? Is het een lonend leven geweest?

Een Amerikaanse boerenknecht leert de waarheid kennen

Het begon allemaal in 1939 toen ik Val Jensen ontmoette in Yakima (Washington, VS). Destijds werkte ik op een boerderij en Val had een betrekking als huishoudster. Zij vertelde mij vaak over de bijbel. Een van de dingen die indruk op mij maakten, was haar verklaring dat de hel geen hete plaats is (Prediker 9:5, 10; Handelingen 2:31; Openbaring 20:13, 14). Hoewel ik niet naar de kerk ging, wist ik wat de geestelijken over de hel leerden, en hetgeen Val mij aan de hand van de bijbel aantoonde, klonk heel wat redelijker.

De vader en moeder van Val waren in 1932 Jehovah’s Getuigen geworden. Val begon eveneens de bijbel te bestuderen, en zij werd in september 1935 gedoopt. Nadat wij elkaar hadden leren kennen, nodigde Val mij uit voor de vergaderingen in de Koninkrijkszaal. Ik ging op de uitnodiging in en genoot van de omgang met de mensen die ik daar ontmoette, dat wil zeggen, voor zover het werk op de boerderij mij de tijd liet om te gaan. Het boerenbedrijf kwam in mijn leven nog steeds op de eerste plaats. Geleidelijk aan begon ik de vergaderingen echter ernstiger op te vatten, en de plaatselijke Getuigen nodigden mij uit aan de van-huis-tot-huisprediking deel te nemen. Prediken in mijn geboorteplaats scheen mij zo iets als een vuurproef toe. Maar ik doorstond deze.

In 1941 gebeurden er twee gedenkwaardige dingen. In maart werd ik als een opgedragen getuige van Jehovah gedoopt, en later trouwden Val en ik. Vervolgens begonnen wij in oktober 1942 met de volle-tijdprediking als pioniers in het zuidoosten van North Dakota.

Wij zullen nooit vergeten wat er het jaar daarop gebeurde. Het was een mijlpaal in de geschiedenis van Jehovah’s Getuigen. Op 1 februari 1943 begon voor de leerlingen van de eerste klas van wat destijds de Watchtower Bible College of Gilead genoemd werd, hun opleiding tot zendeling. Twee maanden later bezochten wij het „Oproep tot actie”-congres in Aberdeen (South Dakota). De zegeningen van zendingsdienst in het buitenland werden beschreven, en in ons hart werd het verlangen gewekt om Gilead te bezoeken en zendeling te worden.

Naar het doel van de zendingsdienst toe werken

Er zouden negen jaar voorbijgaan voor wij ons doel bereikten. Gedurende die tijd hadden wij andere fijne dienstvoorrechten, alsook enkele tegenslagen. Na anderhalf jaar pionieren in North Dakota vroegen wij om een pioniersgebied in Missouri. Dit verzoek werd ingewilligd en wij vestigden ons in de stad Rolla. Onze toewijzing omvatte het hele gebied van Phelps County, waar maar één actieve Getuige was. Wij brachten daar drie heerlijke jaren door en mochten meewerken aan de oprichting van een gemeente.

Toen werden wij met een probleem geconfronteerd dat onze hoop om zendeling te worden bijna in rook deed opgaan. Onze geldmiddelen waren uitgeput. Een slecht beheer en te weinig geloof dat Jehovah in het nodige zou voorzien, waren er de oorzaak van dat wij stopten met pionieren. Het was onze bedoeling dat dit maar voor een paar maanden zou zijn, maar pas anderhalf jaar later hervatten wij de pioniersdienst. Ditmaal waren wij vastbesloten niet in onze vroegere fouten te vervallen. Onze nieuwe toewijzing bestond erin samen te werken met een gemeente in de stad Reardan in het oosten van de staat Washington. Part-timewerk was moeilijk te vinden, dus moesten wij ons er volledig op verlaten dat Jehovah in onze dagelijkse behoeften zou voorzien. — Matthéüs 6:11, 33.

Tot ons gebied behoorden verscheidene stadjes in de omgeving. Op een dag moesten wij een tocht van zo’n 130 kilometer heen en terug maken om mensen met de Koninkrijksboodschap te bezoeken. Wij hadden niet genoeg benzine maar lieten ons hierdoor niet weerhouden. Terwijl wij de stad uit reden, stopten wij bij het postkantoor en raad eens wat wij daar vonden? Er lag een brief op ons te wachten van mijn neef die er net mee begonnen was met de Getuigen de bijbel te bestuderen. De brief bevatte een cheque ter waarde van een bedrag dat groot genoeg was om onze tank te vullen, en nog meer. „Wij waren van plan dit geld aan een liefdadige instelling te schenken,” schreven zij, „maar besloten dat jullie het harder nodig hadden.” En zij hadden gelijk!

Ervaringen als deze beklemtoonden de waarheidsgetrouwheid van Jezus’ belofte: „Zoekt . . . voortdurend [Gods] koninkrijk, en deze dingen [materiële behoeften] zullen u worden toegevoegd” (Lukas 12:31). Dit was een waardevolle opleiding die ons zou helpen te volharden als wij voor andere problemen zouden komen te staan.

Gedurende één winter waren wij bijna door onze voorraad kolen heen. Zouden wij toelaten dat deze situatie iets zou veranderen aan ons vaste besluit om te blijven pionieren? Wij legden de zaak in gebed aan Jehovah voor en gingen naar bed. Om zes uur de volgende ochtend werd er op onze deur geklopt! Een broeder en zijn vrouw, die terugkeerden van een reis naar familieleden, hadden besloten ons een bezoek te brengen. Wij wakkerden het vuur aan, legden er het laatste beetje kolen op en zetten een pot koffie. Terwijl wij van hun gezelschap genoten, vroeg de broeder plotseling: „Hebben jullie nog wel voldoende kolen?” Val en ik keken elkaar aan en schoten in de lach. Kolen was nu net het enige wat wij direct nodig hadden. Zij gaven ons tien dollar, wat destijds genoeg was voor minstens een half ton kolen.

Een andere keer stond er een kringvergadering voor de deur en wij hadden nog maar vijf dollar. Bovendien moesten wij onmiddellijk na de kringvergadering de wegenbelasting voor de auto betalen. Wij besloten het belangrijkste voorrang te geven en bezochten de kringvergadering. Dank zij de edelmoedige geest van de broeders keerden wij naar onze toewijzing terug met $15. Voor de belasting hadden wij $14.50 nodig!

Wij genoten van onze pioniersdienst in het oosten van Washington, en een aantal gezinnen met wie wij de bijbel bestudeerden, werden uiteindelijk loyale getuigen van Jehovah. Na twee jaar in die toewijzing te hebben gediend, ontving ik echter een brief van het Wachttorengenootschap met de mededeling dat men mij had voorgedragen voor de taak van reizende bedienaar, dat wil zeggen iemand die de gemeenten van Jehovah’s Getuigen die tot een bepaalde kring behoren, bezoekt en aanmoedigt. „Als je zou worden aangesteld, zou je deze toewijzing dan aanvaarden?” was de vraag van het Genootschap, gevolgd door: „Gelieve ons per omgaande bericht te sturen.” Overbodig te zeggen dat mijn antwoord bevestigend was. Met ingang van januari 1951 brachten wij anderhalf jaar door in een uitgestrekte kring die het westelijke deel van North Dakota en het oostelijke deel van Montana besloeg.

Gedurende deze periode wachtte ons nog een verrassing — een uitnodiging om de negentiende klas van Gilead te bezoeken! Zou onze wens ten slotte in vervulling gaan? Helaas, er volgde een andere brief waarin stond dat de klas al gevuld was met broeders uit andere landen. Dat was een strop, maar men had ons niet laten vallen! Een paar maanden later ontvingen wij een uitnodiging voor de twintigste klas, en toen deze in september 1952 van start ging, waren wij van de partij.

Van Gilead naar Afrika

Wat waardeerden wij Jehovah’s goedheid die ons samenbracht met meer dan honderd studenten uit vele delen der aarde — Australië, Nieuw-Zeeland, India, Thailand, de Filippijnen, Scandinavië, Engeland, Egypte en Midden-Europa! Dit hielp ons te beseffen tot in welke mate Jehovah de Koninkrijksboodschap liet prediken.

De tijd op Gilead ging snel voorbij en wij gradueerden in februari 1953. Samen met vier anderen werden wij aan Noord-Rhodesië (nu Zambia) in Afrika toegewezen. Het Genootschap was echter zo vriendelijk ons toe te staan in de Verenigde Staten te blijven voor het internationale congres dat later dat jaar, in juli, in het Yankee Stadion gehouden zou worden. In de maanden voorafgaande aan het congres en een tijdje daarna diende ik als kringopziener in het oosten van Oklahoma.

In november 1953 gingen Val en ik, samen met zes andere zendelingen, aan boord van een vrachtschip met bestemming Afrika. Wij gingen in Durban (Zuid-Afrika) aan land en reisden per trein noordwaarts naar Zuid-Rhodesië (nu Zimbabwe). Hier verlieten twee zendelingen ons om hun toewijzing in Salisbury (nu Harare) te gaan behartigen, terwijl de rest van ons verder reisde naar Kitwe (Noord-Rhodesië).

Val en ik waren toegewezen aan de mijnstad Mufulira, waar een paar geïnteresseerde gezinnen woonden maar geen gemeente was. Jehovah zegende onze van-huis-tot-huisprediking. Wij richtten veel bijbelstudies op, en al gauw begon een aantal geïnteresseerden de christelijke vergaderingen te bezoeken. Na enkele maanden werd ons gevraagd enkele opengevallen plaatsen op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Luanshya in te nemen. Later kregen wij de toewijzing om als zendelingen in Lusaka te dienen. Terwijl wij daar waren, diende ik van tijd tot tijd als kringopziener voor het kleine aantal Engelstalige gemeenten.

Een lonend leven in de rimboe

Vervolgens werden wij in 1960 overgeplaatst naar Zuid-Rhodesië, waar ik een aanstelling kreeg als districtsopziener onder de zwarte broeders en zusters. Dit hield onder meer in gemeenten te bezoeken en het opzicht te hebben over kringvergaderingen en districtscongressen. De meeste van deze gemeenten lagen ver van de steden, zodat wij moesten leren in de rimboe te leven. Wij waren van mening dat als onze broeders en zusters in de rimboe konden leven, wij dat ook konden.

Het bijkantoor van het Wachttorengenootschap voorzag ons van een kleine bestelauto met een laadvermogen van anderhalve ton. De laadruimte was afgedekt met metalen platen en had dubbele deuren om te laden. De raampjes tussen de cabine en de laadbak waren net groot genoeg om erdoorheen te klimmen, en er hingen plastic gordijnen voor. Onze huisraad bestond uit een ingebouwd bed met een schuimrubber matras. Dozen dienden als kasten en wij hadden een petroleumstel. Ook hadden wij een kleine draagbare kleerkast en een tent.

Kort nadat wij in het westelijke deel van het land met het werk in onze toewijzing waren begonnen, werd ik door een of ander onbekend insekt gebeten. Als gevolg daarvan zwol mijn been op en kreeg ik hoge koorts. Om alles nog erger te maken, werd het slecht weer en begon het hevig te regenen. Ik transpireerde zo erg dat het beddegoed geregeld verwisseld moest worden. Rond middernacht besloot Val dat ik een dokter moest raadplegen. Zij reed in de richting van de hoofdweg, maar de wagen bleef in de modder steken. Het enige resultaat van haar pogingen om de wagen voor- of achterwaarts te bewegen, was dat ik flink door elkaar werd geschud. Toen zij ervan overtuigd was dat zij verder niets meer kon doen, wikkelde zij zich in de laatste droge deken en kwam mij gezelschap houden in de laadbak, terwijl de regen nog steeds met bakken naar beneden viel.

De ochtend bracht verlichting. Ik voelde me beter, het had opgehouden met regenen en de broeders die kwamen om voorbereidingen te treffen voor het congres, duwden onze wagen uit de modder. In Bulawayo brachten andere vriendelijke broeders mij naar het ziekenhuis, en na een behandeling kon ik terugkeren en verder gaan met de regelingen voor het congres.

In deze periode, terwijl wij van gemeente naar gemeente reisden, hadden wij de ontmoeting met de olifant. Wij kwamen ook veel kleinere dieren tegen. Tot de bezoekers van onze tent behoorden, naast vliegen en muskieten, ook vraatzuchtige mieren. In een mum van tijd wisten ze gaten te maken in elk kledingstuk of elk stukje goed dat op de grond was blijven liggen. De verschillende soorten hagedissen en wolfsspinnen die ons bezochten, waren onschadelijk, maar de cobra die binnenkwam, werd snel naar buiten gewerkt. En de schorpioenen waren ook onwelkom. Val zegt dat hun beet aanvoelt alsof er met een moker een gloeiendhete spijker in je vlees wordt geslagen. Zij kan het weten. Zij is viermaal gestoken!

Het kan zijn dat deze dingen het leven in de rimboe allesbehalve lonend doen lijken, maar wij bezagen het niet zo. Voor ons was het een actief, gezond leven in de open lucht, en de geestelijke zegeningen wogen ruimschoots op tegen welk lichamelijk ongemak maar ook.

Het was altijd geloofversterkend te zien hoeveel moeite de broeders en zusters op het platteland zich getroostten om de vergaderingen te bezoeken. Eén gemeente bestond uit twee groepen verkondigers die ruim twintig kilometer uit elkaar woonden, terwijl een pad de enige verbinding vormde. Hun „Koninkrijkszaal”, die midden tussen de twee groepen in lag, was een grote boom die schaduw gaf, met stenen om op te zitten. De broeders en zusters van elke groep liepen tweemaal per week meer dan tien kilometer heen en tien kilometer terug om hun vergaderingen bij te wonen. Wij herinneren ons ook nog het bejaarde echtpaar dat met hun koffers en dekens zo’n 120 kilometer liep om een kringvergadering bij te wonen. Dit zijn slechts twee voorbeelden waaruit blijkt hoeveel waarde de Afrikaanse broeders en zusters toekennen aan de vermaning ’het onderling vergaderen niet na te laten’. — Hebreeën 10:25.

In sommige streken wantrouwden de plaatselijke bewoners onze beweegreden, terwijl enkelen zelfs gebelgd waren dat wij in hun nabijheid verbleven. Bij één gelegenheid zette ik vlak bij het congresterrein, midden tussen het hoge gras, onze tent op. Toen wij na afloop van het congresprogramma al een paar uur in bed lagen, werd ik wakker van een geluid buiten. Met behulp van mijn zaklantaarn onderscheidde ik achter een boompje de gedaante van iemand.

„Wat wil je?” riep ik. „Waarom verstop je je daar achter die boom?”

„Ssst, broeder,” kwam het antwoord, „wij hoorden enkele mensen zeggen dat zij dit gras in brand gingen steken. Dus hebben wij ervoor gezorgd dat jullie vannacht bewaakt worden.”

Zij hadden ons niets van het gevaar verteld om onze nachtrust niet te verstoren. Zelf waren zij evenwel bereid hun slaap op te offeren om ons te bewaken! Toen het congres op zondagmiddag afgelopen was, regelden zij het zo dat er een auto voor ons uit en één achter ons aan reed totdat wij uit de gevarenzone waren.

Ook was het lonend te zien hoeveel waarde deze nederige mensen aan de bijbel hechten. Eén gemeente die wij bedienden, lag in een gebied waar de dorpelingen pinda’s verbouwden. Tijdens die week ruilden wij lectuur en bijbels voor dozen ongepelde pinda’s. Toen ons bezoek was afgelopen, laadden wij onze uitrusting, lectuur en pinda’s in en gingen op weg naar de volgende congresplaats. Wij hadden de streek nog maar net verlaten, toen ons werd gevraagd te stoppen omdat iemand ons probeerde in te halen. Wij stopten en wachtten. Het bleek een heel oude dame te zijn die een doos pinda’s op haar hoofd droeg. Tegen de tijd dat zij ons bereikte, was zij zo uitgeput dat zij op de grond viel en daar moest blijven liggen tot zij weer op adem was. Ja, zij wilde een bijbel! Wij moesten zowat alles uitpakken, maar het was een genoegen haar wens te vervullen. Weer een bijbel in liefhebbende handen — en weer een doos pinda’s in onze laadbak!

Het was ook wonderbaarlijk te zien hoe Jehovah voorzag in kringopzieners om de vele gemeenten in de Afrikaanse wildernis te bezoeken. Destijds was het voor het Genootschap moeilijk bekwame broeders te vinden die geen gezinsverplichtingen hadden. Dus was het niet ongewoon dat een reizende opziener van gemeente naar gemeente ging, hetzij per bus of op de fiets, met zijn vrouw en twee of drie kinderen, hun koffers, dekens en lectuur. Deze broeders en hun gezinnen werkten werkelijk hard en zonder morren om de gemeenten te dienen. Het was een groot voorrecht met hen samen te werken.

In de jaren zeventig begon de burgeroorlog problemen voor de broeders te veroorzaken, en de loyaliteit van velen van hen werd vanwege de neutraliteitskwestie zwaar op de proef gesteld (Johannes 15:19). Het leek het Genootschap het beste mij een andere toewijzing te geven om de situatie voor de broeders niet onnodig te bemoeilijken. Dus werd mij in 1972 gevraagd op het bijkantoor in Salisbury te dienen. Hierdoor had ik de gelegenheid te helpen met de bouw van een nieuw bijkantoor. Enige tijd later kreeg ik een toewijzing als kringopziener voor de ver uiteen liggende Engelstalige gemeenten. Hiervoor moesten wij heel Zimbabwe doorkruisen. In sommige gebieden was de situatie zo gevaarlijk dat wij in door de regering georganiseerde konvooien moesten reizen die door het leger met behulp van vliegtuigen en helikopters bewaakt werden.

Onze verhuizing naar het dak van Afrika

Toen vond er weer een grote verandering plaats. Wij werden aan Maseru, de hoofdstad van Lesotho, toegewezen. Lesotho is een bergachtig land, dat soms het dak van Afrika genoemd wordt, en op vele plaatsen is het schilderachtig mooi.

Hoewel wij het natuurschoon bewonderen en ervan genieten, was dat niet het doel van onze komst. Wij zijn hier om mee te helpen met het vinden van „de begeerlijke dingen” waarover in Haggaï 2:7 wordt gesproken. Lesotho is een klein land met een bevolking van maar anderhalf miljoen. Toen wij in 1979 aankwamen, namen iedere maand gemiddeld 571 Getuigen deel aan de prediking van „dit goede nieuws van het koninkrijk” (Matthéüs 24:14). De gemeente in Maseru werd zo groot dat ze in tweeën gesplitst moest worden. Nog korter geleden, in april 1988, waren wij dolblij dat wij een nieuw hoogtepunt van 1078 Koninkrijksverkondigers bereikten.

Ondertussen blijft het werk in onze vroegere zendingstoewijzingen, Zambia en Zimbabwe, vooruitgaan. Toen wij zo’n 35 jaar geleden voet op Afrikaanse bodem zetten, waren er in totaal 36.836 Koninkrijksverkondigers in die twee landen. Tegenwoordig zijn dat er 82.229. Het voorrecht een klein aandeel aan deze toename te hebben gehad, is voor ons een schitterende beloning.

„Proeft en ziet dat Jehovah goed is”, schreef de psalmist David (Psalm 34:8). Wat wij van de zendingsdienst hebben ’geproefd’, heeft ons overtuigd van de waarheidsgetrouwheid van deze woorden. In feite is ons leven, sinds wij in 1942 samen in de volle-tijddienst gingen, gevuld geweest met zegeningen als gevolg van Jehovah’s overvloedige goedheid. Er is nog veel werk te doen. Wat zijn wij Jehovah dankbaar dat wij nog steeds een mate van kracht en gezondheid bezitten om in zijn dienst te besteden!

[Illustratie op blz. 24]

John Miles met zijn vrouw, Val

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen