Ik vond gerechtigheid — Niet in de politiek, maar in het ware christendom
Zoals verteld door Xavier Noll
ONRECHT! Dat was iets waar ik al vroeg in mijn leven op een pijnlijke manier mee te maken kreeg. Als jongen vroeg ik mij af: ’Is onrecht iets wat je gewoon over je heen moet laten gaan? Is er geen regering op aarde die in staat is er een eind aan te maken? Waar is gerechtigheid te vinden?’ Uiteindelijk heb ik die gevonden, maar niet waar ik verwachtte.
Van kindsbeen af op zoek
Ik werd grootgebracht in Wittelsheim, een stadje in de Elzas, in het noordoosten van Frankrijk. Mijn vader werkte zoals zoveel andere mannen in die streek in een potasmijn. Destijds, in de jaren dertig, broeide er opstand onder de arbeiders in de industriële wereld. Ik herinner mij dat ik als kind meedeed aan demonstraties van de arbeiders. Wij trokken dan in een optocht met geheven vuist door de straten en zongen revolutionaire liederen, zoals de socialistische „Internationale”. De arbeiders eisten gerechtigheid en betere levensomstandigheden.
Toen de arbeiders in staking gingen en de mijn bezetten, bracht ik mijn vader zijn maaltijden. Ik weet nog steeds hoe bang ik was als ik door het kordon van gewapende nationale gardisten moest om mijn vader door de tralies van de omheining van de mijn heen zijn gamelle (eetketeltje) aan te reiken. Ik was onder de indruk van de spandoeken, met hun vurige leuzen, en de rode vlaggen, sommige met hamer en sikkel, die in de wind wapperden.
De vrouwen kwamen voor de poorten van de mijn bij elkaar en schreeuwden leuzen om hun mannen aan te moedigen de strijd tegen de „uitbuiters” vol te houden. Andere vrouwen leefden in voortdurende angst voor de veiligheid van hun man. Ondanks hun antikapitalistische gevoelens waren er altijd wel een paar mannen die onder dekking van de duisternis naar de mijn slopen ten einde genoeg te verdienen om hun gezin te eten te geven. Soms deed mijn vader dat ook. Dan nam hij in zijn tas een vuurwapen mee voor het geval hij posters tegenkwam die op stakingsbrekers loerden.
Hitler valt Frankrijk binnen
Ik was zeventien toen de oorlog uitbrak. Enkele maanden later vielen de nazi’s Frankrijk binnen. Aangezien zij beweerden dat de Elzas niet gewoon bezet gebied was maar tot het Duitse Reich behoorde, zouden alle jonge mannen zoals ik dienst moeten nemen in Hitlers leger. Daarom vluchtte ik, met een koffer op mijn rug gebonden, op de fiets voor de oprukkende invasietroepen. Soms kon ik mij een eind laten trekken door mij vast te houden aan de achterkant van vrachtwagens die naar het zuiden reden. Vluchtelingencolonnes waren een dankbaar doelwit voor Duitse vliegtuigen, en daarom dook ik altijd een greppel in als ik ze hoorde aankomen.
Ik bereikte het zuiden van Midden-Frankrijk, dat nog niet door de Duitsers was bezet. Maar zelfs daar kreeg ik met onrecht te maken. Het was hard werken: straatvegen, doodkisten dragen op begraafplaatsen of mij in een cementfabriek afbeulen met het hoog naar boven sjouwen van lasten van 45 kilogram. Soms werkte ik twaalf uur per dag voor een schijntje. Het grootste deel van de bijstand die wij vluchtelingen hadden moeten krijgen, werd gestolen door de ambtenaren die voor de uitbetaling ervan waren aangesteld.
Tegen eind 1940 besloot ik deel te nemen aan de strijd om mijn vaderland te bevrijden. Ik ging naar Algerije, in Noord-Afrika, en sloot mij aan bij wat er van het Franse leger daar over was. Het leven in het leger bevredigde mijn dorst naar gerechtigheid al evenmin als het burgerleven, maar ik wilde nog steeds helpen Europa te bevrijden. Tegen eind 1942 landden de Amerikanen in Noord-Afrika. Op een dag in 1943 verloor ik echter drie vingers toen het slaghoedje van een granaat dat ik in mijn handen had, ontplofte. Ik kon dus niet mee met de troepen die Europa zouden heroveren.
Vol afkeer van handel, politiek en religie
Eenmaal terug in het burgerleven in Algerije werd ik verontwaardigd door de schaamteloze manier waarop mensen door andere mensen in het bedrijfsleven werden uitgebuit. Een van mijn maats stierf nadat hij ten gevolge van gevaarlijke werkomstandigheden een dodelijk gas had ingeademd. Kort daarop kwam ik onder dezelfde omstandigheden bijna zelf om het leven. Dit commerciële bedrijf had geen enkele consideratie met de gezondheid of zelfs het leven van zijn arbeiders. Ik heb moeten vechten om schadevergoeding te krijgen. Mijn afkeer was groter dan ooit.
Hoewel ik pas 24 jaar was, belandde ik ten slotte in een bejaardenhuis, waar ik tot het einde van de oorlog bleef. Toen ik daar was, ontmoette ik enige Franse militante communisten die aan het begin van de oorlog naar Algerije verbannen waren. Wij konden het goed met elkaar vinden, en het kostte hun geen moeite mij over te halen mij bij hen aan te sluiten in hun strijd tegen het onrecht.
Toen de oorlog eenmaal voorbij was, keerde ik terug naar mijn geboortestad in de Elzas, vol van mijn nieuwe idealen. Maar het liep anders dan ik gehoopt had. Tot mijn grote verontrusting ontdekte ik dat sommige leden van de Communistische Partij tijdens de oorlog geen goede vaderlanders waren geweest. Op een dag zei een partijfunctionaris tegen mij: „Weet je, Xavier, als we alleen voorstanders van de harde lijn zouden accepteren, zouden we nooit ergens komen.” Ik gaf te kennen dat ik het daar niet mee eens was en stak mijn teleurstelling niet onder stoelen of banken.
Ook viel het mij op dat degenen die het hardst schreeuwden over idealen en gerechtigheid, het grootste deel van hun loon aan drank uitgaven in de kantine van de mijn en hun gezinnen in armoede lieten verkommeren. Desondanks stemde ik nog steeds op de Communistische Partij, omdat ik vond dat de communisten nog het meest deden om recht voor de werkende klasse te verkrijgen.
In mijn jongere jaren was ik misdienaar geweest, en daarom kwam de katholieke priester langs in een poging mij te winnen voor de Katholieke Actie. Maar ik had het geloof in de geestelijken verloren. Ik was ervan overtuigd dat zij aan de kant van de heersende klasse stonden. Ik wist dat veel katholieke priesters tijdens de bezetting met de Duitsers in Frankrijk hadden gecollaboreerd. Ik herinnerde mij ook dat toen ik in het leger was de katholieke aalmoezeniers vaderlandsliefde predikten. Maar ik wist ook dat katholieke aalmoezeniers in het Duitse leger hetzelfde hadden gedaan. In mijn opinie was dat de taak van politici en militaire leiders, niet van bedienaren der kerk.
Bovendien hadden bittere ervaringen mijn geloof in God ernstig geschokt. Mijn zuster was door een granaat gedood op de dag dat zij twintig werd. Ik zei toen bij mijzelf: ’Als God bestaat, waarom laat hij dan al dit onrecht toe?’ Toch voelde ik mij diep geroerd als ik van de vredige rust van ons prachtige landschap genoot. Dan zei ik bij mijzelf: ’Dit alles kan niet „zo maar vanzelf gekomen” zijn.’ Op zulke momenten bad ik dan.
Een boodschap van hoop
Op een zondagochtend in 1947 kwamen er een man en een vrouw van in de dertig bij ons aan de deur. Zij spraken mijn vader aan, die tegen hen zei: „Jullie kunnen beter met mijn zoon praten. Die leest alles wat hij maar te pakken kan krijgen.” Dat was ook zo. Ik las alles wat los en vast zat, van de communistische krant L’Humanité tot het katholieke dagblad La Croix. Deze bezoekers vertelden mij over een wereld van gerechtigheid, zonder oorlog, voor iedereen, waarin onze aarde een paradijs zou worden. Ieder zou zijn eigen huis bewonen, en ziekte en dood zouden tot het verleden behoren. Zij bewezen alles wat zij zeiden aan de hand van de bijbel en ik zag dat zij er werkelijk van overtuigd waren.
Ik was 25 en ik had nog nooit eerder een bijbel zelfs maar aangeraakt. De passages die zij voorlazen, wekten mijn nieuwsgierigheid. Het leek te mooi om waar te zijn en ik wilde duidelijkheid hebben in mijn geest. Mijn bezoekers beloofden mij een bijbel te brengen en lieten een boek achter, Bevrijding geheten, samen met een brochure getiteld „Verheugt u, gij natiën”.
Zodra zij weg waren, begon ik aan de brochure. Het getuigenis dat de nicht van generaal De Gaulle had afgelegd aangaande de rechtschapenheid van getuigen van Jehovah in het vrouwenkamp Ravensbrück opende mij de ogen. ’Als er ware christenen bestaan’, zo zei ik bij mijzelf, ’dan moeten zij het zijn.’ Ik las het boek Bevrijding uit nog voor ik die avond naar bed ging. Eindelijk had ik het antwoord gevonden op een van de vragen die mij al zo lang kwelden: „Waarom laat een God van gerechtigheid onrecht toe?”
Ik neem mijn standpunt in voor de ware gerechtigheid
De volgende dag kwamen de Getuigen, getrouw aan hun belofte, terug met een bijbel. Wegens een fietsongeluk zat ik met mijn schouder in het gips en kon niet naar mijn werk, dus ik had tijd in overvloed. Ik las de hele bijbel in slechts zeven dagen door en ontdekte de daarin opgetekende prachtige beginselen van gerechtigheid en rechtvaardigheid. Hoe meer ik las, des te vaster raakte ik ervan overtuigd dat dit boek van God afkomstig was. Ik begon te begrijpen dat de strijd voor het tot stand brengen van ware gerechtigheid geestelijk en niet politiek van aard moest zijn. — Efeziërs 6:12.
Ik was ervan overtuigd dat al mijn politieke vrienden dolgelukkig zouden zijn als zij de boodschap van hoop hoorden die ik zojuist had ontdekt. Wat een teleurstelling toen zij allesbehalve enthousiast bleken te zijn! Wat mij betrof, ik kon het gewoon niet laten Jan en Alleman over het goede nieuws te vertellen. Ik werkte vooral graag met bepaalde teksten, zoals Jakobus 5:1-4, waar de rijken worden veroordeeld wegens het uitbuiten van de arbeiders.
Ik was postbode in die tijd. Om mijn vader, die aan zijn eigen opvattingen vasthield, niet te ergeren, ging ik met mijn postpet op de deur uit en zorgde ervoor dat ik hem op had als ik thuiskwam. Op een dag zei mijn vader tegen een kennis: „Mijn zoon moet heel wat overwerken de laatste tijd.” De waarheid was dat ik mijn pet bij een vriend thuis achterliet als ik uittrok om te prediken, en hem dan later weer opzette.
Binnen drie maanden na mijn eerste contact met Jehovah’s Getuigen ging ik alleen op pad om een congres in Basel (Zwitserland) bij te wonen. Midden onder de dooplezing zei ik tegen de Getuige die naast mij zat (een dame die zo vriendelijk was geweest mij gedurende het congres in huis te nemen) dat ik graag gedoopt wilde worden maar dat ik geen badgoed had. Onmiddellijk verliet zij haar zitplaats en royaal vóór het einde van de lezing was zij terug met een zwembroek en handdoek.
Mijn bediening uitbreiden
Ik besteedde al ongeveer zestig uur per maand aan het bezoeken van mensen thuis. Maar toen er in de Koninkrijkszaal een brief werd voorgelezen die aanmoedigde tot de pioniersdienst (het volle-tijd predikingswerk), zei ik bij mijzelf: ’Dat is het!’
Tegen eind 1949 werd ik naar de beroemde havenstad Marseille aan de Middellandse Zee gestuurd om te pionieren. Het leven in Marseille in die dagen na de oorlog was plezierig. Het was de soort van stad waar trambestuurders stilhielden om een partijtje pétanque (variant van jeu de boules) op straat niet te verstoren. De andere pionierende broeders en ik konden geen ander pension vinden dan een huis dat ook door prostituées werd gebruikt. Geen ideaal onderkomen voor christelijke bedienaren, maar ik moet zeggen dat deze filles de joie tegenover ons nooit iets onvertogens hebben gezegd of gedaan en aandachtig naar onze boodschap luisterden.
Wij hadden heel weinig geld en vertrouwden er sterk op dat Jehovah in onze materiële behoeften zou voorzien. Als wij ’s avonds thuiskwamen, wisselden wij onze ervaringen uit. Op een dag nam tot mijn grote verbazing een Joegoslavische dame die ik tijdens het van-huis-tot-huiswerk ontmoette, een enorm kruisbeeld van de tafel naast haar bed en kuste het hartstochtelijk om te bewijzen hoe innig zij God liefhad. Zij aanvaardde een bijbelstudie en weldra werden haar de ogen geopend voor de ijdelheid van afgodenaanbidding.
In november 1952 kwam zuster Sara Rodriguez, een pionierster uit Parijs, naar Marseille om te helpen met het predikingswerk. Wij pionierende broeders waren allemaal blij met haar gezelschap als wij op bezoek gingen bij vrouwen die belangstelling toonden voor de bijbelse waarheid. Ten slotte heb ik haar om zo te zeggen „gekidnapt”, want zij is mijn vrouw geworden.
In 1954, drie maanden na ons huwelijk, nodigde het Genootschap ons uit om naar Martinique in Frans West-Indië te gaan. Wij zouden de eerste overzeese Getuigen zijn die op dit eiland predikten sedert de uitzetting van zendelingen in het begin van de jaren vijftig. Na zeventien dagen op zee kwamen wij eindelijk aan met ons hoofd vol vragen. Hoe zouden wij ontvangen worden? Waar zouden wij wonen? Wat voor voedsel zouden wij eten? Hoe lang zou het duren om een geschikte Koninkrijkszaal voor onze bijeenkomsten te vinden?
Een nieuw gebied en een nieuw leven
De bevolking van Martinique bleek bijzonder gastvrij te zijn. Als wij van huis tot huis gingen, boden de mensen ons dikwijls verfrissingen aan. Het was zelfs niet ongewoon voor een maaltijd binnengenodigd te worden. Wij verspreidden veel bijbelse lectuur, en hoewel de meeste eilanders geen bijbel bezaten, hadden zij er de grootste achting voor.
Ons eerste tehuis was een hut met een blikken dak. Tijdens het regenseizoen schrokken wij wakker als er een plotselinge nachtelijke stortbui op het dak roffelde. Leidingwater was maar twee- of driemaal per dag beschikbaar. Een badkamer hadden wij niet. Wij douchten door op ons achtererfje in een leeg olievat te gaan staan en om beurten water over elkaar uit te gieten. Nogal primitief, maar uiterst welkom na een lange dagtaak in de zon!
Sara moest zich op de plaatselijke keuken instellen en leren broodvrucht klaar te maken. Als kind had ik mij de broodboom altijd voorgesteld met complete broden aan de takken. In werkelijkheid heeft de vrucht van deze boom veel weg van een groentesoort. Ze kan worden klaargemaakt als aardappels. Wij aten ze destijds met schildpadeieren. Dat was heerlijk, maar tegenwoordig zijn die eieren een luxe. Broodvrucht combineert ook goed met vlees of vis.
De materiële problemen werden overwonnen, en de overvloedige geestelijke zegeningen maakten alle moeilijkheden ruimschoots goed. Toen ik op een dag thuiskwam, deelde ik Sara vol trots mee dat ik een Koninkrijkszaal had gevonden die plaats bood aan honderd personen. „Hoeveel gaat dat kosten?” vroeg zij. „De eigenaar zei dat ik zelf de prijs mocht vaststellen”, antwoordde ik. Op dat moment konden wij slechts de belachelijke som van tien frank per maand aanbieden. Wonderlijk genoeg nam de man daar genoegen mee.
Wij zagen vol verwachting een voortreffelijk vergaderingbezoek tegemoet, want de mensen zeiden altijd: „Als jullie een zaal hadden, zouden we naar jullie vergaderingen komen.” Vele maanden lang waren er echter gemiddeld slechts tien aanwezigen. Maar onze volharding bracht vruchten voort, en nu zijn er 24 gemeenten op het Bloemeneiland, zoals Martinique wordt genoemd, met in totaal zo’n 2000 Getuigen.
Overvloedige zegeningen
Tegen eind 1958 bracht ik op verzoek van een jonge student een bezoek aan Frans Guyana. Na een zeereis van tien dagen op een klein schip, de Nina genaamd, begon ik te prediken in Saint-Laurent, een havenplaatsje aan de Marowijne (Maroni). Daar ontmoette ik ettelijke ex-gevangenen die waren gebleven nadat Frankrijk in 1945 het strafkoloniestelsel had afgeschaft. Vervolgens ging ik naar Cayenne, waar ik de jonge man bezocht voor wie ik gekomen was. Hij en verscheidene anderen die tijdens mijn verblijf in Frans Guyana een abonnement op onze tijdschriften namen, zijn nu actieve dienstknechten van Jehovah.
Mijn vrouw en ik zijn verscheidene malen uitgenodigd op het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen, in Brooklyn, voor verschillende opleidingscursussen, en hebben er in totaal meer dan een jaar doorgebracht. Daar heb ik werkelijk gezien hoe de bijbelse beginselen van gerechtigheid en gelijkheid onder Gods volk in praktijk worden gebracht. Degenen die verantwoordelijke posities bekleden, eten aan dezelfde tafels als de jonge mannen die in de drukkerij werken en krijgen precies dezelfde kleine kostenvergoeding. Ja, gerechtigheid en gelijkheid — de droom uit mijn kinderjaren — zijn hier een levende realiteit.
Ik ben nu 65, met 40 jaar volle-tijddienst achter de rug. Mijn vrouw en ik hebben er heel wat van die jaren aan besteed om per motorfiets Martinique uit te kammen ten einde het goede nieuws van Jehovah’s nieuwe, op gerechtigheid gefundeerde samenstel van dingen te prediken. Wij werken nu op het bijkantoor in een deel van het gebouw dat uitziet over de schitterende baai van Fort-de-France. Al deze jaren in Gods organisatie hebben ons een belangrijke les geleerd. Alleen onder Gods volk is ware gerechtigheid te vinden, zonder barrières van ras, stam of religie. Samen met hen die wij in de loop der jaren in de waarheid hebben zien komen, koesteren wij de hoop weldra in een nieuwe aarde te leven, waarin rechtvaardigheid zal wonen. — 2 Petrus 3:13.